De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Van Calvijn tot Barth (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van Calvijn tot Barth (3)

7 minuten leestijd

Vragen
Wie Calvijn's Institutie kent zal toegeven, dat in deze benadering stellig waarheid schuilt. Al komt de praedestinatie eerst zeer laat apart aan de orde, telkens blijkt toch in het voorgaande al, dat deze leer om zo te zeggen behoorlijk vooraan in Calvijns achterhoofd zat. En toch mag ik me nu misschien veroorloven, hierbij voorzichtig en vragenderwijs een paar kanttekeningen te maken. Wanneer Graafland op grond van het voorafgaande concludeert, dat Calvijn's theologie 'een twee-sporen-theologie' is, heb ik daar moeite mee. Niet wanneer hij met deze aanduiding Calvijn's geloofsleer zou willen typeren als een theologie, die eerbiedig met twee woorden wil spreken, maar wel als hij deze bewegelijk ook met onduidelijkheid vereenzelvigt.
Drie wagen komen in dit verband bij mij op. In de eerste plaats: wat is Calvijn's motief toch geweest om gedurende het jarenlange groei- en rijpingsproces van zijn Institutie zó met de plaats van de praedestinatie te schuiven, dat zij achteraan kwam te staan? Graafland zelf attendeert op het treffende verschil in dit opzicht met de na-Calvijnse orthodoxie. Twee beweegredenen van Calvijn's geprononceerde keus tot deze achterafplaatsing wil ik opperen. Kwam hij hiertoe ten eerste niet om de praedestinatie in de onmiddellijke nabijheid van de leer van Christus en de rechtvaardiging te houden? En, ten tweede, zou de (inderdaad) praedestinatiaans ingestelde Calvijn dit niet juist gedaan kunnen hebben om de menselijke (ook zijn eigen menselijke) neiging tot causaal denken een halt toe te roepen? Zou dit niet zijn dubbelmotief geweest kunnen zijn, toen hij de praedestinatie zo opvallend als sluitstuk van de leer van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in de heilsleer heeft geplaatst, en niet als startpunt in de inzet van de dogmatiek? Ik weet, Graafland noemt dit inderdaad Calvijn's eerste (eventuele) motief. Maar mijn vraag is, of hij dit motief toch eigenlijk niet ontledigt door dat heel ándere motief te benadrukken: wanneer Calvijn de praedestinatie aan het slot localiseert, onderstreept hij slechts de beslissende, dominante betekenis ervan. Beide motieven zijn zó tegengesteld, dat òf het één òf het ander geldt. De keus voor het eerste lijkt mij het meest aannemelijk.
Hierbij aansluitend komt mijn tweede vraag op: is het vol te houden, dat niet Christus, maar de praedestinatie de scopus van de heilige leer is? Of bij Calvijn deze gedachte uitdrukkelijk te vinden is, weet ik niet. Wat ik wel bij herhaling ben tegengekomen is: Christus als summa en scopus (som en doel) van het Evangelie! Waarmee ik maar zeggen wil: als Calvijn zelf nu Christus met zoveel woorden de scopus, de diepe bedoeling van het Evangelie noemt, mag men zijn theologie dan nog kenschetsen door de formule, dat het gaat over Christus (de spil) maar om Gods Raad (het doel)? Wat mij bij Calvijn telkens weer treft en aanspreekt, is nu juist, dat hij zo ongereserveerd kan (s)preken van het eeuwige heil en hart des Vaders dat zich in Christus ontsluit. Om deze Christus gaat het èn draait het. Waarbij het me niet ontgaat, dat dit heil alleen in het geloof wordt gekend, en dat dit geloof ontspringt aan het werk van de Heilige Geest en aan de bron van het eeuwig welbehagen. Maar dit laatste heeft Calvijn er bij mijn weten nooit van weerhouden, het heil in een onomwonden en onvoorwaardelijke nodiging te verkondigen. 'Tweesporigheid' doet me teveel denken aan wat in bepaalde flanken van de Gereformeerde Gezindte zo bedroevend vaak gebeurt: met de ene hand nodigen, met de andere helaas veel krachtiger hand vergrendelen. Calvijn houdt de verkiezing dicht bij het heil. Graafland zelf maakt erop attent, hoe nauw de verkiezingsleer samenhangt met de rechtvaardigingsleer. Het is wellicht niet te veel gezegd als wij stellen, dat de eerste in wezen niet meer wil zijn dan een nadere uitbouw, kwalificatie en explicatie van de rechtvaardigingsleer. Nu zou men de vraag kunnen stellen: was de reformatorische leer van de rechtvaardiging door geloof-alleen dan niet toereikend om het sola gratia (alleen door genade) tot zijn recht te laten komen? In zekere zin wel, n.l. voorzover het gaat om de tegenstelling genade werken. I.p.v. de Rooms Katholieke wèrkgerechtigheid stelde de Reformatie de gerechtigheid door het gelóóf. Maar wat binnen deze conceptie nog ópen bleef, was de vraag waar dit geloof dan vandaan komt. Op déze vraag wil de verkiezingsleer het antwoord geven: het geloof komt van God, uit zijn vrijwillige, eeuwig-vóórkomende genade. 'De verkiezing is dus de grond en de bron, waaruit de rechtvaardiging van de zondaar doorgenade-alleen opkomt' (blz. 24). Graafland noemt het terecht veelzeggend, dat Calvijn zijn rechtvaardigingsleer in de verkiezing laat uitmonden, n.l. om deze rechtvaardigingsleer zuiver te houden en af te grenzen van alle verdienstelijke misvattingen. Ik kan me dan ook geheel vinden in wat collega Wüllschleger onlangs schreef inzake Calvijns verkiezingsleer: 'In de verkiezing wordt de royaliteit van het Evangelie gewaarborgd. De verkiezing is in feite niets anders dan een dikke streep onder de rechtvaardiging van de goddeloze' (Protestants Nederland, febr. '87).
Mijn derde vraag is, of Graafland voldoende gewicht toekent aan het gegeven, dat de praedestinatiaanse Calvijn in zijn prediking zo weinig uitdrukkelijk en dan zéker niet als abstract stelsel van de praedestinatie spreekt. Naar mijn besef is dit beslist niet slechts een (gelukkige) inconsequentie, maar nu juist de proef op de som. Met name op die momenten waarop de tekst aanleiding geeft om wèl met nadruk de Raad Gods te prediken, blijkt hoe resoluut en onbekommerd Calvijn deze Raad Gods in de daad van de prediking vertolkt ziet. Zo preekt hij n.a.v. Efeze 1 : 13-14: 'Paulus wil zeggen: Mijn vrienden, God is een geloofwaardig Getuige voor u van Zijn eigen wil, want het Evangelie is zoveel alsof Hij Zijn hart aan u toonde. Daarom, verlaat er u op… Hij zegt, dat dit alles komt vanuit Gods pure erbarmen en eeuwige verkiezing, die voor ons niet waarneembaar en toegankelijk is, maar waarvan wij kennis hebben door het Evangelie als instrument… Laat ons daarom leren op zulk een wijze op de leer van het Evangelie te rusten, dat het is alsof God zich zichtbaar aan ons vertoonde en de hemelen ons geopend waren… Er is geen ander middel om ons terug te roepen tot God dan het Evangelie. Laat ons die schat grotelijks waarderen'. In dezelfde geest en met dezelfde strekking zegt hij in zijn commentaar op Hebr. 6 : 17, dat van Gods Raad ons in het Evangelie getuigenis wordt gegeven, 'opdat niemand eraan zal twijfelen, dat deze Evangelieleer uit Gods binnenste hart is gevloeid, en de gelovigen, telkens wanneer zij het Evangelie vernemen, daarvan zeker zullen zijn, dat hun het geheime, voorheen verborgen raadsbesluit bekend wordt gemaakt, dat God tot onze verlossing voor de grondlegging der wereld gemaakt heeft'. Dat liegt er niet om!
In zulke uitspraken blijkt hoezeer het Calvijn in de praktijk ernst was met zijn befaamde woord, dat Christus de spiegel van Gods verkiezing is. Indien wij Gods genadige hart zoeken, 'moeten wij in de eerste plaats de ogen tot Christus wenden, in Wie alleen des Vaders hart rust' (III, 2, 4, 5). 'Laat ons dus Christus, die ons vriendelijk is voorgesteld en die ons tegemoet komt, omhelzen, en hij zal ons tot Zijn kudde rekenen en in Zijn stal besloten houden' (III, 24, 6).
Misschien mag ik in dit verband nog deze vraag aan de vorige toevoegen. Zou het niet kunnen zijn, dat Graafland Calvijn in deze studie te zeer heeft benaderd vanuit een zeer bepaalde optiek, n.l. die van de nederlandse, na-Calvijnse traditie en dan nog vooral dàt spoor van de traditie, dat veeleer als ònt-sporing moet worden aangemerkt? Maakt de verstrakking en verstarring die zich inzake de praedestinatieleer hier en daar hebben voorgedaan de auteur niet (te) argwanend bij het lezen en interpreteren van Calvijn? Geraken op deze manier incidentele spitsen van Calvijn's theologie niet overbelicht, terwijl de structuur en teneur wat in de schaduw dreigen te raken?

A. de Reuver, Delft

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Van Calvijn tot Barth (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's