Het licht van de Schrift
Geloofsproblemen (4)
Wij hebben tot nu toe in deze reeks artikelen diverse vragen aangaande de oefening van het geloof aan de orde gesteld. Onder meer over de oprechtheid van het geloof, de verbreking vanwege zonde en schuldbesef, de verschillende wegen dienaangaande – nu is de vraag ter zake, welk licht geeft ons de Schrift omtrent de regel, langs welke sommigen de mens tot het geloof geleid willen hebben? Wij komen bij het noemen van de Schrift in een brede ruimte. 't Is ons als hoorden wij voorheen de driftig luidende bel van een lokaal, en nu de sonore galm van de kathedraalklok. Als wij de Schrift opslaan komen wij met onze schuit uit de nauwe poldersloot in de volle zee. Maar ja – in de zee moet men de parels zoeken in de diepte, aan de oppervlakte vindt men ze niet.
Om licht over ons vraagstuk te verkrijgen, wenden wij ons éérst tot de Evangelieën en letten in het bijzonder op de gang van het werk der genade bij de apostelen. Het lijdt geen twijfel of deze waren geboren uit 'water en Geest'. In de vernieuwing van hun gemoed was de waarborg gegeven dat zij slechts de profetische aanwijzing en de verlichting van de Geest nodig hadden, om in Jezus als in de Christus te geloven. Zij geloofden dan ook in Hem met een geloof, dat door Jezus als van hemelse afkomst erkend werd. Maar – hoeveel missen wij, ondanks hun geloof, bij hen niet? De doop, die achter hen lag, getuigde dat zij belijdenis van hun zonden gedaan hadden, omdat niemand zonder deze tot de doop toegelaten werd; hij wees tevens aan, dat zij bereid waren om hun geloof aan de komende Messias op de gekomen Christus over te brengen en dat zij zich voorbereidden op de toegezegde doop met de Heilige Geest. Maar al vertoonden zij hierin, dat zij van God tot het geloof waren toebereid, zo bleek toch van achteren, dat in hun voorbereiding niet weinig gemist werd. Die voorbereiding was voldoende om de akker van hun hart ontvankelijk te maken voor het zaad van het Evangelie, maar beantwoordde niet aan de door het methodisme gestelde eis. Stelt u zich iemand vóór, die niet het minste gezicht heeft in de noodzakelijkheid van Christus' lijden tot verzoening der zonden; zult u van zo iemand denken dat hij van de strafwaardigheid van zijn zonde diep overtuigd is? Neen toch immers; welnu, dit inzicht ontbrak Petrus, zolang Christus niet opgestaan was uit de doden. Hij had wat men 'een halve overtuiging van zonde' heeft genoemd. En weet u, dat men zulk een 'halve overtuiging' wel eens als bron van alle zelfbedrog gestempeld heeft? En toch bleek deze 'halve overtuiging' bestaanbaar met een oprecht geloof in Christus als in de Verlosser.
Na het geloof
De volle overtuiging van zonde bleef bij hem niet uit, maar zij volgde op het geloof. Eerst later, nadat hij reeds 'in Christus' was, leerde hij verstaan niets van zichzelf te kunnen doen en verloor hij zijn vertrouwen op zichzelf. Eerst het kruis gaf hem het volle inzicht in de breedte van de kloof door de zonde tussen hem en God ontstaan. Het gaf hem te zien, wat er geschieden moest, zou zij tenminste worden gedempt.
Uit het geloof
Naar een andere regel ging het in de dagen van de apostolische prediking. Hier gaat alles van het geloof uit. Wel werd het gebod: bekeert u vooropgesteld, maar steeds in samenhang zowel met het Evangelie als met het gericht. Christus wordt voorgesteld als de Rechter, door wie God straks de gehele wereld oordelen zal; om het te bewijzen wordt gewezen op het feit, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt. De raad en de vermaning klinken op uit de prediking: geef de toekomstige Rechter geen meerdere stof tot veroordeling in handen, maar keert u van uw zonden af tot God en toont dit door Christus' Woord gehoorzaam te zijn. Wie daarentegen in de gemeenschap met de zonde wil blijven, schiet niets over dan een verschrikkelijke verwachting van het oordeel; alléén wie zich bekeert zal behouden worden. Wie nu de stem van God, die hem tot bekering roept, gehoorzaam is, die dient vooral de Naam van Christus aan te roepen. Laat hij zich dopen in deze Naam tot een teken dat hij. door zijn geloofgemeenschap aan Hem heeft. Deze gemeenschap geschiedt beide aan Christus' dood en opstanding. Wij worden door Christus' dood vrij van de schuld en de overmacht van de zonde en evenals wij met Hem aan de zonde gestorven zijn, worden wij ook met Hem opgewekt tot een nieuw heilig leven. Dan zal God er het zegel op zetten door ons de Heilige Geest te geven, die ons met hemelse gaven versiert en tot een leidsman voor ons is naar de hemelse heerlijkheid! Ziedaar; in een paar korte woorden de apostolische prediking.
Orde in de prediking
In deze regels ontvangen wij intussen een uitnemende wenk om te kunnen onderzoeken welke de orde is, die de prediker heeft te volgen. Ja, wij vinden hier ook het model, waarnaar wij onze prediking dienen in te richten. Wij moeten predikers zijn – dit zegt meer dan het schijnt te zeggen. Hier komen nu enkele schaduwkanten van de prediking naar voren. Zo u wilt, nadelen van de prediking, niet alleen nu, maar door alle tijden heen. Er is een prediking, die uit vrees van het Evangelie te vroeg te verkondigen, zich ertoe bepaalt om aan de mensen de orde des heils te verkondigen – de weg waarin God de mensen tot de zaligheid leidt. Men laat het dan aan God over om de hoorders op die weg te leiden. Zulk een prediking is geen worsteling met de gemeente. Zulke predikers zijn onderwijzers en zij maken van de prediking een catechisatie, maar zij zijn geen predikers; want een prediker is een boodschapper, een gezant zoals de apostel zegt. Men moet zo prediken, dat de hoorders gevoelen: wij moeten de prediker een antwoord geven, waarmee hij naar zijn Zender terugkeren kan. Anders is men de rechte prediker niet. Een boodschap eist een antwoord – zie, daar is reeds in opgesloten dat de prediker het Evangelie prediken moet, en niet slechts het gericht. Jona, die niets dan het gericht te verkondigen had, behoefde op geen antwoord te wachten; wat zal men toch antwoorden aan wie niets anders tot ons te zeggen heeft dan dat ons het gericht wacht?
Bekeert u
Nu zal terstond iedereen tegenwerpen, dat niemand van ons in de prediking een Jona is. Er wordt immers gezegd: tenzij gij u bekeert. Inderdaad: ook Jezus sprak op die manier. Maar toen Jezus zo sprak, had Hij tevoren gezegd: bekeert u! Dan dient het Woord der vermaning hier alleen om het Woord van het bevel aan te dringen. De grondtoon van Jezus' prediking is: bekeert u en gelooft het Evangelie. Deze toon moet ook de onze zijn. Dan snijden wij de wanhoop af, maar ook alle vleselijke pogen om God barmhartig te maken. De boetvaardigheid zal dan een slaafs karakter dragen in plaats van een slaap karakter. Bovendien, de droefenis wegens de schrik van het gericht verwekt, zal overgaan in een droefheid, verwekt door het gericht van gezondigd te hebben tegen God.
Komen wij tot de slotsom, dan blijkt, dat de toeleiding tot het geloof, die volgens apostolische prediking gevormd wordt, overeenkomst heeft zowel met de methodistische als met de piëtistische voorstelling; met deze toelichting; evenwel, dat zij zich van de fouten van beide denkwijzen vrijhoudt. De apostelen eisen niet, dat de hoorders, alvorens te geloven, een rnate van zelfkennis en schuldbesef en een gevoel van onmacht zullen hebben, die hun er toe brengt om het Evangelie niet te geloven, tot het hun als onmiddellijk van de hemel gebracht wordt. Zij willen de genoemde zaken enkel voor zover zij nodig zijn tot de bekering van de zonde. Die bekering willen zij in samenhang en wisselwerking met het geloof; alleen het geloof toch doet ons tot God terugkeren. En – in plaats van tot lijdelijk wachten aan te sporen, waarschuwen zij tegen het ongeloof en wekken zij de mensen op om zich in de weg der middelen te begeven; de Schriften te onderzoeken, om zo tot het geloof te komen. Vergeet intussen niet, dat zij ernstig waarschuwen, om op straf van verdoemenis het geloof in Christus na te laten.
Aanbod
Overzien wij nu het geheel van ons betoog, dan menen wij dat in onze sector van de kerk vrij sterk de gedachte heerst, als in ons eerste artikel aangegeven. Namelijk deze, dat de zondaar wel het aanbod der genade wordt voorgehouden, maar dat dit alleen geldt voor hem die zo diep van zijn strafwaardigheid is overtuigd, dat hij niet meer om genade durft roepen. De weg des heils mag wel aan alle mensen bekendgemaakt worden, maar geopend alleen voor de boetvaardigen. Laat het dan zijn, dat de officiële prediking deze weg niet insloeg, er bestaat nog immer een taaie gemeentetheologie. Het pastoraat leert, dat vele ernstige gemeenteleden daarmee in aanraking komen. Zij geraken soms in ernstige gewetensnood, worstelen jarenlang om bevrijding uit een vicieuze cirkel. Op dit punt bewaren wij een markant gezegde van een reeds jaren geleden heengegaan gemeentelid. De bekering is – zo zei deze man – naar de lering. Is er in een gemeente een heldere schriftuurlijke prediking, bekering en geloof zullen er komen helder en klaar. Wat een zegen wanneer de prediking zo is. Maar, is de prediking wazig, dor en vaag schriftuurlijk, het staat de Geest niet in de weg, máár – het leven der genade zal niet helder opbloeien. Het blijft zwak en ziekelijk. Sommige gemeenteleden kunnen imponeren – de dragers zijn van deze gemeentetheologie. Zij zijn grote eikebomen onder welke drup men de jonge aanplant niet moet poten. Zwakken in de genade houde men een weinig van deze massieve eikebomen vandaan. Men wijze hen een andere weg: ze moeten immer van het gepredikte Woord naar het geschreven Woord worden verwezen. Deze weg zal, ondanks een gebrekkige prediking, voor velen rijke vrucht dragen. Er kan een situatie zijn waarin een bepaalde gemeente een arme prediking ondervindt – hier past het niet weg te lopen zonder meer. Zet u tot het onderzoek der Schrift en ge zult niet verkommeren. Blijf daarbij de nood der prediking opdragen aan Gods troon – op Gods tijd wordt meer licht geschonken!
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's