De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Van Calvijn tot Barth (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van Calvijn tot Barth (4)

7 minuten leestijd

Belofte
Graafland wijst er met een zekere nadrukkelijkheid op, dat naar Calvijn's gevoelen de beloften van het Evangelie voor ons eerst dan 'krachtig' zijn, wanneer zij door het geloof worden aangenomen. En aangezien dit aannemen geen vrucht van menselijke keuze, maar van de innerlijke roeping, dus van Gods verkiezen is, zouden de beloften van het Evangelie ten diepste alleen de uitverkorenen toekomen. Het moet o.i. worden toegestemd, dat hierin een diepe kern van waarheid schuilt, zowel in deze interpretatie alsook in de mening zelf van Calvijn! De onderscheiding uitwendig-inwendige roeping laat zich niet wegschuiven. Het gaat er maar om, hoe deze onderscheiding functioneert. Ook hier kan men reeds bij voorbaat de verkondiging van het Evangelie monddood maken door haar onder de stolp van het causale schema op te sluiten, óf men kan, de onderscheiding ten volle respecterend, frank en vrij de beloften prediken, in het vaste vertrouwen dat de woorden Gods betrouwbaar en geldig zijn voor een ieder die ze hoort – alle aanneming waardig! –, èn in het de moedig besef dat slechts achteraf zal blijken waar deze roeping haar kracht heeft gedaan. Ook op dit punt zou ik de schrijver, die overigens worstelt om Calvijn zo eerlijk en evenwichtig mogelijk recht te doen, willen vragen, of hij toch niet te zeer suggereert, dat volgens Calvijn niet alleen het effect, maar ook de bestemming en geldingskracht van de beloften bij voorbaat worden bepaald en beperkt door de praedestinatie. Hij schrijft: 'De beloften worden dus wel aan allen aangeboden, maar zij zijn bestemd voor allen die…, en wat er dan op volgt is in feite: alleen voor die verkoren zijn' (blz. 45). Mijn kritiek richt zich op dit 'in feite'. Het mag een subtiel onderscheid lijken, maar het komt me voor, dat hier het woord 'uiteindelijk' veel beter op zijn plaats zou zijn.
Want door de formulering 'uiteindelijk' geeft men m.i. veel duidelijker en zuiverder Calvijn's gevoelen weer: achteraf – blijkt uiteindelijk – bij wie de beloften effect hebben. Dat 'in feite' doet Calvijn geen recht, omdat dit de feitelijke bediening van het Evangelie insnoert en devalueert. Hetzelfde geldt o.i. als Graafland schrijft, dat volgens Calvijn de belofte eerst dan 'krachtig, van kracht, d.w.z. geldig zijn, wanneer wij ze door het geloof aannemen' (blz. 41). Nu bezigt Calvijn hier in zijn Latijnse uitgave het woord 'efficax'. Dat is ons woordje effectief, effect sorterend, vruchtzettend.
Mij komt het voor, dat dit hier niet te vertalen is met 'geldig'. De beloften Gods hebben immers niet eerst geldingskracht wanneer ze door het geloof worden aangenomen, het geloof kan er juist op steunen omdat ze geldig zijn. 'Het eigen kenmerk van het geloof is dit, dat het in God rust en vast gegrond is op Zijn Woord. Zoals dus God niet liegen kan, zo kan het geloof niet wankelen. Zoals Hem aan niets meer gelegen is dan aan zijn waarachtigheid, zo kan Hem ook geen grotere verering van ons ten deel vallen dan wanneer wij door ons geloof belijden, dat Hij betrouwbaar is. Anderzijds kan men God niet zwaarder beledigen, dan wanneer men Zijn Evangelie niet gelooft. Zijn waarheid is in zekere zin volledig in het Evangelie ingegaan, en Hij wil (!) dat men haar daarin herkenne' (Op Joh. 3 : 33). Ik wil maar zeggen: hoe klemmend en welgemeend weet Calvijn de beloften aan te prijzen en uit te delen! Hij blijft zelfs waarlijk niet steken in het 'aanbod der genade', maar stoot door tot het gebod om de beloften der genade te geloven. Hij roept óp tot geloof. En hij kan dat doen omdat hij overtuigd is, dat niet het geloof de beloften geldingskracht geeft, maar de beloften het geloof zijn geldingskracht en bestaansgrond schenken.
Heel wel kan ik me vinden in de gedachte die een andere Calvijn kenner, Werner Krusche, in dit verband heeft uitgesproken. Voor Calvijn is de vraag of wij, denkend aan het onderscheid tussen uitwendige en inwendige roeping, eigenlijk wel op Gods beloften tot ons aan kunnen in feite niet eens legitiem. Om de eenvoudige reden dat hij deze onderscheiding niet voorhoudt aan de zoekende, heilbegerige en aangevochten zondaar, laat staan aan de redenerende, theoretiserende en systematiserende ongelovige, maar oppert vanuit de gezichtshoek van de in het Woord rustende gelovige. Calvijn werpt haar dan ook nooit a priori als een blokkade voor de voeten van hen die tot Christus komen, alsof het nog lang niet zeker zou zijn of Hij hen wel zou willen ontvangen, maar hij duidt er a posteriori (achteraf) het verschil in uitwerking van het Evangelie mee aan. Dat niemand tot Christus kan komen tenzij de Vader hem trekt en de Geest hem verlicht, wordt door Calvijn niet gehanteerd als een dreigende barricade op weg naar Christus, maar wordt door hem beleden als profilering van de puur genadige herkomst van het geloof, waarbij iedere roem in de mens is uitgesloten. En de reden waaròm Calvijn dit exclusieve genadekarakter van heil èn geloof zo onopgegeven accentueert zou ten diepste wel eens gelegen kunnen zijn niet zozeer in zijn praedestinatiaanse interesse, maar in zijn visie op de aard van de genade zelf: de genade is geen 'voorraad' waaruit de gelovige naar eigen believen put en waarover hij – als hij maar gelooft – beschikt, maar: de genadige gezindheid Gods die uitsluitend door God Zelf – op uiterst persoonlijke, innerlijke wijze van de Heilige Geest – wordt betuigd in de beloften van het Evangelie. Geloven in Gods genade is geen kwestie van grijpen per conclusie, maar gegrepen wórden door de trekkracht van de Vader, en zo verworteld worden in de Geestelijke Woordgemeenschap met Christus. Geloven is kennen-in-gemeenschap, hetgeen volstrekt van de genadige Vader uitgaat en waarbij het even volstrekt persoonlijk toegaat. Het is in de prediking van de beloften dat deze gemeenschap (unio mystica) wordt gesticht en versterkt.
Met dit alles wil ik niet de spanning miskennen die Graafland in Calvijn's denken signaleert. Mijn enige vraag is, of hij het niet legitiem acht, Calvijn's theologie en prediking zó te lezen en te verstaan, dat deze qua letter, geest en strekkmg veel verder verwijderd zijn van de na-Calvijnse insnoering van de beloften-prediking dan Graafland hier en daar oppert. Vooralsnog houden wij het erop, dat Calvijn, die in de polemische situatie waarin hij door zijn tegenstanders werd opgevorderd om tot het uiterste te gaan, weliswaar harde uitspraken uit de pen gevloeid zijn, maar dat hij in de praktijk van zijn onderricht, gebeden, prediking en zielszorg telkens van slechts één hartstocht was doorgloeid: dat zondaren tot Christus en diens geldige, levenwekkende Woord zouden komen en er nooit één stap zouden vandaan gaan. Hij schrijft: 'Hier behoort bescheidenheid en soberheid te worden betracht, opdat wij niet met geweld tot Gods onbegrijpelijke oordeel trachten door te dringen, maar ons tevreden stellen met Zijn wil, die ons geopenbaard is in Zijn Woord' (Op Ps. 81 : 14). Voor Calvijn staat vast: het geloof begint bij de belofte, daarop berust het, daarin eindigt het (Inst. III, 2, 29). En elders heet het: 'Ik zend de mensen in geen geval naar Gods verborgen verkiezing om vandaar hun heil begerig te verwachten, maar ik beveel hen rechtstreeks naar Christus te gaan, in Wie ons het heil is voorgesteld, dat anders in God verborgen zou blijven… Wij moeten allerminst beginnen bij wat God voor de schepping der wereld over ons bepaald heeft, maar bij hetgeen ons van Zijn vaderlijke liefde in Christus geopenbaard is en bij hetgeen Christus Zelf ons door het Evangelie dagelijks predikt' (C.O., VIII, 306S).

A. de Reuver, Delft

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Van Calvijn tot Barth (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's