De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De verzoeking van de geschiedenis (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De verzoeking van de geschiedenis (1)

8 minuten leestijd

De geschiedenis kent telkens weer perioden die lijken op stroomversnellingen in een rivier. De trage rustige gang van het water verandert in een werveling van stromen en kolken. Wie op de rivier vaart, moet alle moeite doen om het bootje recht op koers te houden. Het dreigt stuurloos rond te gaan tollen en stuk te slaan.
Het christelijk geloof lijkt soms wel zo'n fragiel bootje in de stroomversnelling van de tijd. In tijden waarin alles met een onstuimige vaart verandert, onvoorspelbaar en revolutionair, leeft het tussen vrees en hoop. Er is de angst om in de geweldige veranderingen om te komen. Ligt er na de stroomversnelling misschien een waterval waarin het machteloos neerstort? Of volgt er een nieuw traject en komt het door de veranderingen uit in een nieuwe heilstijd?
Er zijn twee gevaren die het christelijk geloof bedreigen in de crisistijden van de geschiedenis. Enerzijds dreigt het af te breken in de wanhoop van het doemdenken en een geest van nihilisme.
Anderzijds is er de verzoeking die dreigt, dat de spanning van de tijd brengt tot een overspannen activisme om een handje mee te helpen aan de realisering van een nieuwe heilstijd. Hier dreigt het gevaar dat het 'wandelen door geloof' plaats maakt voor, wat ik zou willen noemen, een '(door)draven in aanschouwen'. De grote vraag is, hoe er aan de verzoeking om toe te geven aan allerlei chiliastische denkbeelden het hoofd wordt geboden. Men wil meewerken aan de komst van het heilsrijk, waar het geloof zo reikhalzend naar uitziet. Maar de (kerk)geschiedenis laat zien hoe het meewerken aan het heil in de geschiedenis, de tijden door, ook heel wat onheil teweeg heeft gebracht. Ondanks vele hoog geestelijke idealen is het telkens weer openbaar gekomen wat er gebeurt, als mensen menen het Godsrijk te stichten, en in hun geestelijkheid vergeten, dat ze mensen zijn. Mensen van wie van nature het schriftwoord van Rom. 3 : 15-17 geldt: 'Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten; vernieling en ellendigheid is in hun wegen; En de weg des vredes hebben zij niet gekend'.
De voorbeelden uit de kerkgeschiedenis mogen ons tot waarschuwing zijn om in een spanningsvolle tijd van veel verandering, zoals we die ook nu beleven, standvastig en waakzaam te blijven in het geloof.
De aanvechtingen van de geschiedenis mogen ons niet uit de koers brengen van de verwachting van het nieuwe dat God alleen, naar Zijn beloften, zeker zal doen komen. Daarom kunnen we heel wat leren als we kennis nemen van de wijze waarop twee hoofdpersonen uit de geschiedenis van de Reformatie, Thomas Müntzer en Maarten Luther, totaal verschillende antwoorden hebben gegeven op de vraag welke positie de gelovige in moest nemen in de vragen van de geschiedenis. Hun antwoorden worden ons duidelijk als we zien naar hun stellingname in, wat wel beschouwd kan worden als de ernstigste crisis van de vroege Reformatie, de Boerenoorlog van 1525.

De Boerenoorlog
Op 15 mei 1525 werd bij het stadje Frankenhausen een wel heel ongelijke veldslag geleverd. Een legertje van zesduizend boeren werd door de verenigde legers van enkele vorsten verpletterend verslagen. Vijfduizend boeren werden afgeslacht, terwijl men aan twee handen genoeg had om de verliezen van de vorsten te tellen. De leider van de boeren, Thomas Müntzer, werd op de vlucht gegrepen en enkele weken later terechtgesteld. Het heilsrijk, dat hij zijn volgelingen tot op het laatste moment voor de slag had toegezegd, was niet gekomen.
De nederlaag bij Frankenhausen was het begin van het einde van een reeks van opstanden, die zich uitgebreid hadden over grote delen van Duitsland, meestal de 'Boerenoorlog' genoemd.
Wat was het, dat de boeren in opstand bracht? Al ver voor de Reformatie, tegen het einde van de vijftiende eeuw en het begin van de zestiende, was er sprake van grote onrust die te maken had met de grote maatschappelijke en politieke veranderingen van die tijd.
De geboorteweeën van de nieuwe tijd lieten zich kennen in vele conflicten en opstanden. Vele eeuwenoude instellingen en rechten moesten wijken voor een nieuwe maatschappelijke en politieke orde. De opkomst van de territoriale staat en de pogingen om romeins eenheidsrecht in te voeren in plaats van de wirwar van lokale rechten en privileges, brachten vooral de (vrije) boeren en ook de lagere adel in verzet. Hun motivatie was een principieel niet-revolutionair progressieve, maar conservatieve poging om 'alles bij het oude' te houden. Ze zagen zich immers aangetast in hun aloude rechten. In deze zogenaamde 'strijd voor het oude recht' vinden we een van de oorsprongen van de Boerenoorlog.
Daarnaast kwam er ook een stroming op, die een wat meer vernieuwend en revolutionair karakter had. Men wilde het niet alleen bij het oude houden, maar met een beroep op de Bijbel ijverde men voor een nieuwe rechtsorde, gestructureerd volgens het 'goddelijk recht'.
De 'Lex Dei', de wet van God moest de beslissende maatstaf worden voor heel het maatschappelijke leven. Deze beweging beperkte zich niet tot onafhankelijke lokale acties om oude rechten te herstellen, maar had een veel bredere uitwerking. Hele gebieden werden door bevlogen predikers in brand gezet. Het geweld keerde zich ook niet alleen tegen de overheden, ook de verwereldlijkte geestelijkheid moest het ontgelden. En zoals het vaak ging bij sociale onrust, reageerde men zich ook af op joden. Deze beweging had ook een sterk religieus karakter. Als herkenningsteken gebruikte men de afbeelding van de zogenaamde 'Bundschuh', de met riemen vastgebonden boerenschoen, tegenover de ridderlaars, die gold als het symbool van de heersende stand.
Dit teken van de 'Bundschuh' kreeg op den duur zo'n dreigende werking voor de overheden, dat het gebruiken of noemen ervan gelijk werd gezien met revolutie, en streng werd bestraft. Overal waar het werd gezien, werkte het als olie op het verborgen vuur van opstand.

Reformatie en Revolutie
In het eerste kwart van de zestiende eeuw was er een toename te zien van de opstanden, die van het zuiden uit, vooral het gebied van het Zwarte Woud, zich uitbreidden over de Duitse landen. De twee bovengenoemde stromingen raakten ook steeds meer vermengd tot één grote beweging van onrust, die overal de zelfde eisen formuleerde.
Deze eisen vinden we voornamelijk in de 'Twaalf Artikelen', die in Memmingen, Zuid-Duitsland waren opgesteld, en die op grond van Gods Woord een aantal vernieuwingen eisten op het gebied van kerk en maatschappij. In 1525 kwam het tot een beslissing. De heersers waren tot die tijd eigenlijk niet zo goed in de gelegenheid geweest om de opstand te onderdrukken. Hun handen waren gebonden omdat ze niet genoeg troepen ter beschikking hadden. Keizer Karel voerde oorlog met Frankrijk, en had daardoor veel soldaten bezet gehouden. Daarom probeerden de overheden de boeren met onderhandelingen zolang mogelijk aan de praat te houden. Maar na de overwinning van Karel, bij Pavia, in februari 1525, kwam er weer genoeg potentieel ter beschikking van de vorsten, dat ze nu aan het werk konden gaan om de opstanden de kop in te drukken.
De Boerenoorlog vormde op twee manieren een ernstige bedreiging voor de Reformatie. Aan de ene kant leek de Reformatie erdoor in diskrediet gebracht te worden. De tegenstanders zeiden triomfantelijk: Dit krijg je nu als je met Luthers leer van de 'vrijheid van een christenmens' in zee gaat. De Reformatie werd geïdentificeerd met revolutie en chaos. Hadden de opstandige boeren zich in hun artikelen niet nadrukkelijk beroepen op Luther? Het is waar dat de boeren in de reformator een mogelijke voorman hebben gezien. Verder waren er in hun eisen, die men baseerde op de Schrift als enige autoriteit, een aantal zaken waarmee Luther wel in kon stemmen. Wat er gebeurd zou zijn als Luther werkelijk hun kant gekozen had, en zijn reformatorisch gezag dienstbaar had gemaakt aan de politieke eisen, valt slechts te gissen. In ieder geval zouden de Reformatie en de geschiedenis van Duitsland een heel andere weg gegaan zijn. Het beroep op Luther, en in hem op de Reformatie, was een geweldige verzoeking. De dreiging die van deze verzoeking uitging vormde een groter gevaar dan de vijandschap van buiten af. De Reformatie zou van een geestelijke zaak, waarin het ging om de rechtvaardiging door het geloof kunnen verworden tot een politieke beweging, waarin de reformatorische ontdekking onderhorig werd aan vleselijke zelfrechtvaardiging. Luther heeft deze dreiging, die als een verzoeking van de geschiedenis op hem afkwam, onderkend. Daarom heeft hij op geen enkele wijze toe willen geven aan de eisen van de boeren, hoe begrijpelijk die ook waren.
Het is hem van verschillende kanten zeer kwalijk genomen. Maar het was omwille van het hart der Reformatie dat hij niet ariders kon. Ook hierin stond hij eenzaam, net als op de Rijksdag van Worms, met het geweten gebonden in het Woord, hij kon niet anders, onbegrepen en aangevochten, tussen boeren en vorsten in.

Apocalyptische angst
Het jaar 1525 betekende een crisis op alle terreinen, godsdienstig, maatschappelijk, politiek. Men wist niet meer waar het op uit zou lopen. Wel wist men het einde zeer nabij, de jongste dag van Gods gericht. Allerlei wonderlijke en verschrikkelijke tekenen in hemel en op aarde versterkte de apocalyptische angst. Een volksversje, dat op grond van astrologische voorspellingen gemaakt was, luidde als volgt:
'Wie in het jaar 1523 niet sterft
en in 1524 niet in 't water verderft
Die in 1525 niet wordt verslagen
Die mag wel van wonderen gewagen'.
Onder deze hoogspanning van de eindtijd kwamen de twee antipoden, Müntzer en Luther tot heel verschillende antwoorden op de vraag op welke wijze de christen staan moest in de aanvechtingen van de geschiedenis. Hun antwoorden zijn, zoals we in het vervolg zien zullen, hoogst actueel voor ons staan in de tijd, in de schaduw van het jaar tweeduizend.

M. A. van den Berg, Harderwijk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De verzoeking van de geschiedenis (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's