De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Van Calvijn tot Barth (5)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van Calvijn tot Barth (5)

7 minuten leestijd

Gods eer
Terecht herinnert Graafland er aan, dat het niet aangaat om Calvijn's gloria Dei (de eer van God) uit te spelen tegen Luther's rechtvaardigingsleer (hoe krijg ik een genadig God?). Veeleer staat het zowel voor Luther als Calvijn vast, dat juist in het genadige behoud van zondaren de glorie Gods openbaar komt. Ere wie ere toekomt! Gods eer en 's mensen zaligheid hangen uiterst nauw samen. Alleen valt niet te stellen, dat Gods eer van deze zaligheid ook zou afhangen en dat zijn eer tekort zou komen wanneer Hij zondaren niet verkiest en zaligt, maar verwerpt en veroordeelt. Ook in de deugd van Gods straffende gerechtigheid komt God aan Zijn eer. God kan ja zeggen, Hij heeft ook het recht nee te zeggen. Ook dit laatste strekt Hem niet tot oneer. Dát zou het alleen doen wanneer Hij onrechtvaardig oordeelde. En van ongerechtigheid houdt God Zich verre!
Nu klinkt dit in hoge mate koel en zakelijk: God komt zowel in verkiezen als in verwerpen, in behouden als in verloren laten gaan tot Zijn eer. Alsof het Hem uiteindelijk om het even was… Én inderdaad wordt er hier en daar op deze manier geredeneerd. Toch is dat naar onze overtuiging bepaald niet in de geest van Calvijn. Zeker, Calvijn ontkent niet dat Gods eer óók overeind blijft staan wanneer Hij zondaren verwerpt en veroordeelt. Daarbij bedoelt hij m.i. te zeggen dat God ook dan in Zijn gelijk staat en rechtvaardig is en blijft. Maar als er één geweest is die beseft en geleerd heeft dat dit goddelijk gelijk juist daar wordt opgeluisterd waar een mens behouden wordt en dit gelijk ook zijn weerklank ontvangt binnen de wanden van het hart, dan is het Calvijn. M.a.w., Calvijn blijft niet staan bij de koele constatering: God hééft (altijd per definitie) gelijk, maar hij vertolkt het diep verlangen dat God gelijk zal krijgen vanuit het gelovig belijden van het menselijk hart. Gods gelijk in de veroordeling van de zondaar staat niet in een gelijkwaardige, evenredige verhouding tot Zijn gelijk in het behoud van de zondaar. Dat blijkt dacht ik ten voeten uit, wanneer Calvijn het nut van de verkiezing omschrijft. Dat nut is tweeërlei: God ontvangt om zijn vóórkomende ontferming de lof en eer van het ganse behoud, en, als pendant daarvan, verootmoedigt de mens zich als totaal onwaardig, strafwaardig en onbeholpen. En omdat deze verootmoedigde aanbidding uitsluitend opwelt in het hart dat van verkiezing en behoud mag weten en niet waar dit geloof ontbreekt, kan er geen sprake zijn van pure parallellie waarbij het met het oog op Gods eer om het even zou zijn of de mens behouden of veroordeeld wordt.

Al zijn er formuleringen in Calvijn's nalatenschap te vinden die in deze richting wijzen, de hele context van zijn theologie maakt duidelijk: God hééft niet alleen gelijk, maar Hij wil dat dit gelijk ook wordt aanbeden en geprezen. En tot dit 'nut' voert niet de verwerping, maar de verkiezing.

Grond van verwerping
Calvijn heeft zoals bekend de dubbele praedestinatie beleden: God verkiest en verwerpt, beide van eeuwigheid. Eén van de klemmendste vragen betreft hierbij de grond, de oorzaak van de verwerping. Wie wat leert verstaan – en daar is een leven lang voor nodig – wat genade is, zal Calvijn zonder slag of stoot bijvallen, wanneer deze de enige grondoorzaak van de verkiezing gelegen ziet in Gods vrijwillige ontferming. Eeuwig, vrijmachtig en vrijwillig welbehagen was het, waarin Hij voor de grondlegging der wereld ons verkoren heeft in Christus, zingt Paulus in Efeziërs I. Hoe zwaar het ook valt nauwkeurig onder woorden te brengen wat de betekenis van dit 'in Christus' is, Calvijn leest er uit af dat, 'aangezien de hemelse Vader in het ganse zaad van Adam niets vond, dat Zijn verkiezing waardig was. Hij Zijn ogen geslagen heeft op Zijn Christus, om als uit Zijn lichaam ledematen te verkiezen die Hij zou aannemen tot het deelgenootschap des levens'.
In ieder geval kan het volgens Calvijn nooit betekenen, dat God verkoos omdat Hij wist dat wij door het geloof in Christus zouden delen (voorgezien geloof!), maar louter, dat Hij verkoos opdat en zodat wij in Christus zouden geloven.
Wij zijn niet uitverkoren om onze geloofsgemeenschap met Christus, maar tot deze gemeenschap des geloofs. Inzake de verkiezing ligt dus geen millimeter grond in de mens: niet in zijn gewilligheid, niet in zijn werken, niet in zijn berouw, en evenmin in zijn geloof.
Hoe staat het nu volgens Calvijn met de verwerping?
Is hier sprake van een zuivere analogie met de verkiezing?
Geldt hier de logisch concluderende redenering: zoals bij de verkiezing Gods soevereiniteit de enige grond vormt, zo is ook de verwerping puur en alleen in deze soevereiniteit gegrond? Nee, antwoordt Calvijn. Spreken wij bij de verkiezing met één woord, nl. Gods soevereine welbehagen, bij de verwérping hebben wij met twéé woorden te spreken: de eerste oorzaak is de schuld van de moedwillig gevallen mens èn de tweede is Gods besluit. De eerste oorzaak noemt Calvijn de naastbijliggende (propingua), de tweede omschrijft hij als de verwijderde, verafgelegen, verborgen oorzaak (causa remota staat er in het Latijn, wat Graafland weergeeft met 'diepste oorzaak', maar het lijkt me voorzichtiger om de letterlijke betekenis aan te houden). Hoewel Calvijn dus enerzijds in huiver Gods soevereiniteit wilde blijven belijden, ook t.a.v. de verwerping, heeft hij er zich anderzijds voor gewacht, het geheim van verkiezing en verwerping in een sluitend systeem doorzichtig te maken, waarbij wel het verstand wordt bevredigd, maar het mysterie wordt geschonden, en de waarachtige vroomheid wordt beschadigd. Uitgerekend in deze context zet Calvijn déze gevarendriehoek neer: 'Laat ons liever in de verdorven natuur van het menselijk geslacht de duidelijke oorzaak van de verdoeming die ons nader bekend is, aanschouwen, dan de verborgen en geheel en al onbegrijpelijke oorzaak in Gods praedestinatie onderzoeken…' En dan volgt deze kostbare zin, die haar gewicht in goud waard is: 'Want ongeleerdheid in de dingen die men niet kan en mag weten, is geleerd. En de lust om ze te weten is een vorm van dwaasheid'! (III, 23, 8, slot).
De logica liet hij heilzaam gebroken en doorkruist worden door de paradox. Er zijn voor hem duidelijke grenzen, waarvoor hij halt houdt. Liever mét spanningen het Woord eerbiedigen, dan spanningsloos de rede volgen! J. Hoek heeft het indertijd (1975, Theologia Reformata, 18e jaargang) zo verwoord: 'Naast de rechtlijnige definitie staat het kruiselings en gekruisigd denken van de paradox'. Hij maakt er opmerkzaam op, dat juist op dit punt een verschuiving plaats vindt in de gereformeerde orthodoxie: 'Als ik mij niet vergis, doet Beza een stap terug van de verwondering naar de redenering'. Graafland's boek toont aan, dat hij zich inderdaad niet heeft vergist, helaas. En was het maar bij Beza gebleven… Hoe vaak is men vanuit de volkomen symmetrische opgebouwde idee van verkiezing en verwerping niet gekomen tot een star en stenen Godsbeeld dat de trekken heeft van een grimmig, harteloos despoot. Dit Godsbeeld dringt dan Gods liefde en beloften van hun plaats, legt de bediening van de verzoening lam, zet het toevluchtnemend geloofsleven op dood spoor en berooft het behoeftig geloof van zijn zekerheid. Want altijd moet men dan eerst bij zichzelf iets constateren alvorens het Woord te mogen geloven. Eerst moet immers eigen verkorenheid vast staan, voordat men zich op de roepende God mag verlaten. Want achter de Roepende doemt onweerstaanbaar de idee van het onberekenbare Besluit op! Calvijns is dit heidens fatalisme niet. Hij is het eens met Augustinus: 'Indien iemand het volk aldus zou toespreken: 'Wanneer gij niet gelooft dan is dat daarom, omdat gij reeds van Godswege tot het verderf verordineerd zijt', dan zou zo iemand niet alleen de traagheid begunstigen, maar ook aan de boosheid vrij spel laten. Indien iemand zijn woorden ook over de toekomende tijd zou uitstrekken en zei, dat zij die (Het Woord) horen niet zullen geloven omdat zij verworpen zijn, dan zal dat meer een vervloeking (!) zijn dan een leer. Laat zulke linkse, onheilspellende 'profeten' zich uit de kerk wegpakken'!

A. de Reuver, Delft

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Van Calvijn tot Barth (5)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's