Global bekeken
We ontvingen dezer dagen een boekje getiteld Het kerkje aan de zee en zijn kerkgangers', deel XII in de serie Urker uitgaven. Het gaat over het bekende kerkje aan de zee van de hervormde gemeente te Urk.
In 1931 begaf de klok het. Met vereende financiële inspanning kwam er een nieuwe (de klok werd 'overgegoten'). Willem Ruiten dichtte toen een Vivos Voco.
'Van uit de oude toren
Van 't kerkje bij de zee,
Weerklinkt op vele dagen
Der kerkklok vrome beê;
Zij doet haar stem weergalmen
Tot mijlen ver in 't rond,
En spreekt een taal tot ieder
Die leeft op deze grond.
Zij roept tot avondwijding
Wanneer de rustdag naakt.
Als na een week van zwoegen
De arbeid wordt gestaakt;
't Klinkt plechtig ons dan tegen
Bij 't naad'ren van de nacht:
'Het stofkleed uitgetogen,
De Sabbath ingewacht!'
En is Gods dag gekomen,
Ten dienst gewijd aan Hem,
Zij roept ons weder kerkwaarts
Met vreugdevolle stem.
Dan klept haar bronzen klepel
Een heerlijk, zalig lied:
"De Heiland is u wachtend,
Komt, toeft toch langer niet!"
Maar ook, zij roept de doden,
Wanneer de groeve wacht,
Dan klinkt haar bronzen stemme
slechts als een droeve klacht;
Dan komt tot ons die leven
Haar roep: "Zijt gij bereid?
Ook u geldt eens mijn doodsklok,
Waakt op, nog is het tijd!"
Van uit de oude toren
Van 't kerkje bij de zee,
Weerklinkt op vele dagen
Een vrome klokkenbeê;
Een stem, die spreekt tot ieder
Van lering en vermaan,
O, mocht een ieder onzer
Die klokkenstem verstaan.'
Verder geeft het boekje weer 'een reisje naar Urk', geschreven door dr. J. W. Lieftinck in de Volksalmanak 1875. Hier volgt het stuk in het betreffende boekje, met commentaar van de redacteur.
'In de "Volksalmanak" van 1875 vinden we een beschrijving van de hand van dr. J. W. Lieftinck, die in het jaar daarvoor het eiland Urk bezocht. In dit opstel "Een reisje naar Urk", neemt hij de lezer mee tijdens zijn gang over het eiland. Hij doet dat op humoristische wijze, maar uit zijn beschrijving blijkt dat hij hier en daar het slachtoffer is geworden van de voorliefde van de Urkers om vreemdelingen er tussen te nemen. Zo zouden er 82 toverkollen op het eiland zijn en hij noemt het Urker wapen een kabeljauw op een schotel in plaats van een schelvis op een blauw veld. Maar laten we onze dominee op zijn schreden volgen.
"Wanneer wij de kerk der Hervormden binnentreden, dan richt ons oog zich terstond op het kunstig vervaardigde schip, dat, volledig uitgerust, aan den zolder wiegelt; zeker met het doel, om den heeren predikanten uit den Ring Enkhuizen, die de eer hebben de Urkers maandelijks te mogen komen stichten, ook nog op den preekstoel, de zeeziekte te herinneren, waarmee zij den vorigen dag hadden te worstelen.
Een paar malen heb ik eene godsdienstoefening op Urk bijgewoond. Nooit heb ik kunnen denken, dat het familieleven den eilanders zóó heilig was als toen bleek. Hunne openbare godsdienstige samenkomsten kan men algemeene huiselijke godsdienstoefeningen noemen, want dat zijn ze inderdaad…"
Vervolgens laat hij ons zo'n dienst meemaken en maakt hij ons deelgenoot van zijn hier en daar toch wel wat bizarre ervaringen, gerekend althans naar de huidige opvattingen over de eredienst.
"Luistert eens, hoe men op het eiland kerk houdt. De klok heeft gebengeld en de leeraar is binnengegaan. Langzaam treedt de schare het kerkgebouw binnen; mannen zoowel als vrouwen, een iegelijk in zijne nationale kleederdracht. De mannen hebben natuurlijk niet vergeten, om hunne zilveren gespen en twee dito platen – de laatsten ter grootte van een rijksdaalder; soms zijn het echte rijksdaalders – op de lage schoenen en aan den pofbroek te bevestigen. De jonge knapen dragen niet zelden kwartjes aan hun wambuis. Ook de vrouwen zijn niet verstoken van wereldsche pracht, ofschoon zij zich, naar 't mij voorkwam, in bescheidener mate tooien dan de mannen. Onderscheidene moeders hebben hare zuigelingen, gedurende de predikatie, op den schoot. Als hun dwingen en hunne kribbigheid wat al te erg wordt, worden ze eenvoudig aan de moederborst gelegd. Hier en daar in de kerk spreiden de mama's of de Urker bonnes den slaperigen kleinen een geïmproviseerd kinderbedje, waartoe een mantel of doek goeden dienst doet. Menigmalen ziet men een wijsvinger omhoog gaan, als teeken der moederlijke verantwoording; de mannen doen meer, alsof zij luisteren naar het gesproken woord. Wie van de aanwezigen eens een frisch luchtje wil scheppen, gaat bedaarlijk heen en komt na eenigen tijd, liefst even voor de "toepassing" terug, daar men, door de tijdelijke absentie, het verband der eigenlijke leerrede toch wel niet meer vatten zal. Niet het minst wordt door de houding die men het lichaam laat aannemen de huiselijkheid gedurende de preek bevordert. Sommigen van het achtbaar auditorium laten zich in hunne volle lengte op de bank uitgestrekt inspireeren; anderen ontvangen liever het woord, plat op den buik met de beide handen onder de kin liggende; nóg anderen geraken door al te strenge contemplatie in een zoeten dut; toch zijn er ook kerkgangers, die met een weinig bezieling naar huis gaan…"
Vervolgens laat dr. Lieftinck "eene brave moeder" die ook was "opgegaan", aan haar jongentje (haar beste ventje, natuurlijk, want hij "hiet ook Paulus") de gelijkenis van de verloren zoon vertellen die de predikant als tekst had gediend. Zij doet dat in het Urker dialekt: "Daar was er een zieker man, die twie zuuns adde…" Heel mooi natuurlijk, maar intussen legt de schrijver woorden in de mond van de vrouw, die Klaas Ide Koffeman gebruikte voor zijn versie van dezelfde gelijkenis.
Ik heb de indruk dat de hooggeleerde schrijver van zijn kerkbezoek weliswaar een mooi verhaal heeft willen maken, maar daarbij niet gehinderd werd door een gebrek aan fantasie of zorgvuldige waarneming.'
Uit een kerkblad nemen we het volgende gedicht over, getiteld 'Hij moet wassen, ik minder worden'.
Eens waart Gij niets,
Ik was toen al.
Ik leefde in de zonde,
Maar sinds Uw Woord mij wondde
en mij de zielerust ontstal,
vond ik mijzelf belogen,
mijn Ik had mij bedrogen.
Gij werd toen iets,
maar Ik bleef veel;
'k Zou zelf mijn heil doen dagen,
voor niets zou ik versagen.
Ik droeg vol moed het zwaar gareel
der wet; maar al mijn strijden
kon niet mijn ziel bevrijden.
Toen werd Gij veel,
maar ik bleef iets;
Ik zou dan door mijn smeken
U wel het harte breken.
Maar – o mijn ziel – het baatte niets.
De hemel ging niet open,
bij al mijn worst'lend hopen.
Toen werd ik niets,
en Gij werd 't Al;
O grondeloos erbarmen,
daar zonk ik in Uw armen;
Geen hel die U mij roven zal!
God Die oneindig groot is,
hoort hem, die gans ontbloot is!'
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's