Van Calvijn tot Barth (7)
Beza
Wanneer wij nu op Dordt aankoersen, houden wij eerst halt bij Beza. De Dordtse Leerregels zijn niet goed te verstaan zonder de ontwikkelingen en verwikkelingen die eraan vooraf zijn gegaan. Heel globaal komt het hierop neer. Bij Beza (leerling, collega en opvolger van Calvijn in Genève) valt inzake de verkiezing een niet onduidelijke radicalisering en verstrakking waar te nemen. Zijn Summa of Tabel van 1555 (een indeling van de oorzaken van de zaligheid der uitverkorenen en van de verdoemenis der verworpenen) ziet er even logicistisch als grimmig uit. Gelukkig kenmerken zijn preken zich door een uitgesproken christologische inhoud (blz. 51), maar zijn leerstellige Tabel is toch wel een massief praedestinatie-systeem te noemen. Wat bij Calvijn achter in de heilsleer staat, komt bij Beza aan het begin van heel de theologie te staan: als vitaal en centraal principe van de hele leer. En de scholastieke manier waarop hij van oorzaken spreekt en ook God de Prima Causa – de Eerste Oorzaak – noemt, brengt een klimaatsverandering teweeg die vergeleken met Calvijn kil en winters aandoet.
Het lijkt er overigens op dat Calvijn zijn collega hierin niet heeft getracht te corrigeren. Hoe het ook zij, Beza heeft de praedestinatie zo' n overheersende positie toegekend, dat zij heel de leer tot in al haar onderdelen bepaald. En niet alleen de leer, maar ook het geloofsleven: zoals er lijn zit in de leer van Gods besluit, zo zit er ook lijn in de weg waarop dit besluit zijn neerslag krijgt in het hart. De uitvoering van Gods voornemen voltrekt zich naar strakke orde, waarin het één oorzakelijk en logisch op het andere volgt. Met name op dit punt acht Graafland het verschil met Calvijn het duidelijkst. 'Omdat Calvijn niet de verkiezing maar Christus centraal stelt, komt hij er ook niet toe om een causale, laat staan chronologische heilsorde te ontwikkelen' (blz. 63). Zeker, er zijn bij Calvijn wel incidentele aanzetten te vinden voor de gedachte van de orde des heils (blz. 34), maar hij heeft het in ieder geval niet beklemtoond, laat staan gesystematiseerd. Voor Calvijn is het geloof hoofdzaak. Dát doet delen in Christus, en dit deelgenootschap brengt rechtvaardiging en heiliging met zich mee. In Beza's Tabel is de rechtvaardiging door het geloof dan ook uit haar centrale positie verdrongen. Zij vormt niet meer het fundament en de pijler waarop de zaligheid rust (Calvijn).
Die spilpositie heeft zij af moeten staan aan de verkiezing. En de vitale plaats van het geloof is overgenomen door de bekering ofwel de wedergeboorte, die beslissend en voorbereidend aan het geloof voorafgaat. De wedergeboorte is de historische tegenhanger van de eeuwige verkiezing: zoals de verkiezing logisch-causaal de orde van de leer als uitgangspunt domineert, zo gaat ook logisch-causaal de wedergeboorte in de orde van het geestelijke leven aan al het overige vooraf! Het klopt als een bus.
'n Soortgelijke verschuiving zien we optreden inzake de zekerheid een verkorene te zijn. Calvijn verwees naar Christus, Die voor het geloof de spiegel van de verkiezing is. De hoofdroute die hij aangaf is niet: onderzoek óf u in Christus gelooft, maar: gelóóf in Hem. Bij Beza ligt de zekerheid van de verkiezing niet in het daadwerkelijk in geloof tot Christus uitgaan, maar in de reflectie, d.i. de overweging en beschouwing van wat men heeft ervaren, en als vrucht daarvan in de (bij het licht van de Heilige Geest getrokken) conclusie dat men gelooft!
Deze methode staat bekend onder de naam syllogismus (sluitrede), waarmee dus bedoeld is de weg van het gelovig, door de Geest geleid, tot zichzelf inkerend en concluderend redeneren (blz. 68). De directe verwijzing naar Christus blijft (als lichtvaardig?) achterwege. Meer fiducie heeft Beza in de verwijzing naar de zelfanalyse. Het moet Graafland o.i. worden toegestemd, wanneer hij oordeelt, dat op deze manier de gelovigheid, alsof het een soort 'deugd' was, als ken-grond van het heil gaat functioneren, waarbij nu net het oorspronkelijk belijden van het sola gratia wordt verduisterd.
En dan te bedenken, dat de reformatorische verkiezingsleer van huis uit niets meer wilde zijn dan de krachtigste ondersteuning van dit exclusief genadekarakter!
Het geloof, hoe strikt onontbeerlijk ook, is voor de reformatoren niet meer en niet minder dan het door God geschonken instrument om de enige ken-grond van de zaligheid te omhelzen: Christus in Zijn Evangelie getooid. De zekerheid berust niet op onze gelovigheid, maar ons geloof rust op de zekere beloften van de Belover. Het is diep te betreuren, dat niet weinigen in Beza een betrouwbaarder gids zagen en zien dan in Calvijn! Of is er soms geen betreurenswaardige tragiek in gelegen dat uitgerekend de leer die is opgeweld als het loflied van de verlorene op de verkiezend-genadige God, hier en daar is verbasterd tot een bloedeloos stelsel waarin de verkoren-wedergeboren mens zijn opwachting maakt?
Arminius
Wij gaan nu voorbij aan het inzichtelijke hoofdstuk dat Graafland wijdt aan Perkins, een synthese-figuur die enerzijds de strakke praedestinatiaanse lijn van Beza opneemt en anderzijds een grote plaats voor het verbond inruimt (blz. 71).
Om de overgang naar de Dordtse Leerregels te maken staan we liever even stil bij Arminius, zonder wie de D. L. niet zijn te verstaan en misschien niet eens zouden bestaan.
Arminius begon merkwaardigerwijs als een goed calvinist. Hij was leerling van Beza en heeft zich aanvankelijk ook niet geschaamd, zijn leermeester in bescherming nemen. Maar naarmate hij zich meer verdiepte in Beza's theologische positie, kwam hij er steeds kritischer tegenover te staan. Het duidelijkst heeft Arminius zich over zijn verkiezingsvisie uitgesproken in een geschrift dat tegen Perkins was gericht (na zijn dood uitgegeven in 1612). Graafland heeft dit geschrift aan een zorgvuldig en geduldig onderzoek onderworpen. Daaruit komt een Arminiusportret te voorschijn dat enkele treffende trekken draagt. Het doet weldadig aan, Arminius protest te zien aantekenen tegen de onkritische nevenstelling van Schrift en gezond verstand zoals hij die ontwaarde in de school van Beza. Alleen de Schrift is bron en norm! Dat klinkt goed. Maar het belooft meer dan het waarmaakt. Want ook Arminius blijkt te kunnen redekavelen met een subtiliteit die voor die van zijn tegenstanders niet onderdoet! Wat Arminius ermee bedoelde is in ieder geval duidelijk: hij wilde optornen tegen de Bezaanse- en Calvijnse-gedachte van Gods alleen-werkzaamheid. Want hij was bang – op zichzelf niet ten onrechte –, dat hieraan maar al te gemakkelijk verbonden zou worden de stelling dat God dus ook de zonde had gewerkt en gewild. En waar blijft dan Gods heiligheid, en hoe kan er op deze manier ook nog sprake zijn van menselijke verantwoordelijkheid en schuld?
Hoe is nu Arminius' eigen conceptie?
Kort gezegd zo. God heeft van eeuwigheid besloten zondaren lief te hebben, in deze liefde stelde Hij Zijn Zoon ter beschikking en besloot Hij (een aantal) mensen het geloof in Hem te schenken en deze gelovigen verkiest Hij. God verkiest dan niet tót, maar òm het geloof en niet tot en door middel van Christus, maar om en vanwege Christus. Christus (en het geloof in Hem!) is het fundament, de grond van de verkiezing. Natuurlijk dringt hierbij de vraag waar het geloof vandaan komt, en hoe ernstig Arminius het meent als hij zegt, dat het geloof een Godsgeschenk is. Op dit punt valt met name de diepste beslissing tussen hem en de gereformeerden. De gereformeerden belijden: het geloof komt van God alleen, door de effectieve, krachtdadige, levenwekkende roeping van de Heilige Geest. Arminius stelt: geloven doet een mens door de innerlijke aanrading van de Heilige Geest. En deze 'rading' of medewerking van de Geest is van algemene aard, d.w.z.: zij behoort tot Gods algemene genade die aan ieder mens per definitie is geschonken. Wanneer nu de mens op grond van zijn eigen vrije wil positief van deze algemene genade van de Geest gebruikt maakt, krijgt hij er óók nog een 'daadwerkende', zeg maar effectieve genade-bijstand van de Geest bij, zodat hij daadwerkelijk gelooft. Heel deze spitse redeneertrant kan intussen niet verhelen, dat wanneer Arminius 'verkiezing' en 'genade' gebruikt, bij hem deze woorden vlaggen zijn die een heel andere lading dekken dan in de reformatietijd. Verkiezing is hier geworden tot verkiezing op grond van het (voorgezien) geloof. Dit geloof heet dan weliswaar genadegeschenk, maar deze genade is qua inhoud en effectiviteit ontledigd tot medewerkende bijstand…
Arminius die zo ferm inzette met zijn bezwaren tegen een schools systeem dat aan het sola scriptura afbreuk doet, blijkt uiteindelijk het ene systeem alleen maar door een ander te vervangen: alleen is het ditmaal een constructie waarbij het sola gratia is verraden. Hoe humaan en mild Arminius' theologie hier en daar oogt, het schampt langs de reële, diepe nood van de verloren mens heen. De behoeftige mens kan er niet mee werken, juist omdat hij hier moet kunnen mee-werken.
En dat is teveel gevraagd. Hij heeft genade nodig die als het erop aankomt, niet vráágt, maar gééft; niet een God die zegt hoe het móet maar een God die het dóet. Dat arminiaanse samenwerkingsverband tussen Gods genade en 's mensen vrije wilsbeslissing is bepaald niet zo vriendelijk als het lijkt!
Als de nood aan de man komt is het even troosteloos als krachteloos. Want wat rest het arme geloof nog te geloven, wanneer genade geen enkele en loutere genade is? De proef op de som in dit verband lijkt ons Arminius' rechtvaardigingsleer. Ook hierin wreekt zich dezelfde denkstruktuur die zijn verkiezingsleer beheerst: de genade van God en het geloof van de mens zijn coöperatief! Dat Christus onze gerechtigheid is wordt door Arminius drastisch afgezwakt. Het zou niet meer betekenen dan dat Christus de verdienende oorzaak is die het God mogelijk maakt om de zonden te vergeven. God heeft door Christus' verzoening de mogelijkheid om te rechtvaardigen. Maar de eigenlijke rechtvaardiging is toch niet de toerekening van Christus' gerechtigheid aan de goddeloze, welke toerekening in geloof wordt ontvangen, maar een rechtvaardiging van de mens onder voorwaarde dat hij in Christus gelooft. Zo wordt niet de goddeloze door het geloof gerechtvaardigd, maar de gelovige om zijn geloof. En niet de in het (ontvangende) geloof omhelsde gerechtigheid van Christus wordt hem toegerekend, maar de daad (prestatie!) van zijn geloven is in eigenlijke zin de grond van zijn rechtvaardiging. Dat Arminius niettemin van toerekening blijft spreken motiveert hij door te zeggen: ons geloof is niet volmaakt en moet worden aangevuld door Christus' gerechtigheid…
Een zwak argument! Van toerekening lijkt ons alleen sprake wanneer God Zijn vreemde gerechtigheid op mijn rekening – die diep in het rood staat – overschrijft! Bij Arminius stelt de rechtvaardiging toch eigenlijk niets anders voor dan Gods akkoord en instemming met het (geloofs-) kapitaal dat ik zelf op mijn rekening heb staan en dat Hij aanvult. Dat Dordt deze aparte ketterij inzake de pijler van het christelijk geloof niet rigoreus en resoluut heeft aangepakt, is zoals we zullen zien, door de omstandigheden niet onverklaarbaar, maar wel te betreuren.
A. de Reuver, Delft
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's