De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

9 minuten leestijd

Dr. W. H. Velema, Het spreken en het preken van de kerk, J. H. Kok, Kampen, 61 blz., ƒ 13,90.
Dit boekje is deel 23 van de 'Apeldoornse Studies', gewijd aan de nagedachtenis van prof. W. Kremer, en een uitwerking van de rede die werd uitgesproken bij de overdracht van het rectoraat aan de Theologische Hogeschool van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, en werd uitgesproken op 12 september 1986.
Velema adstrueert de actualiteit van zijn onderwerp aan de vele, gebundeld verschenen, reacties in het dagblad 'Trouw', waarin doorlopend ook de vermaning tot voorzichtigheid en terughoudendheid van de kerk in haar spreken doorklinkt, en aan soortgelijke geluiden zoals deze komen uit de sociologische hoek, waar men de eenheid van de gemeente op een oneigenlijke wijze door allerlei kerkelijke uitspraken bedreigd ziet en processen op gang ziet komen die de zaak waarover het eigenlijk gaat in de schaduw stellen, en aan vermaningen van politieke zijde die eveneens ten doel hebben de bemoeienis van de kerk met allerlei sociaal-economische en militaire vragen terug te dringen.
Daarnaast komen er geluiden van dezelfde strekking die meer tegen een principiële achtergrond staan. Zo kan men van oordeel zijn (Ridderbos) dat het spreken der kerk vooral tot de gemeente gericht dient te zijn, en niet zozeer tot overheid of samenleving, of dat de kerk geen eigen geluid heeft in een wereld van verstandige mensen waarbinnen de Here God Zich niet onbetuigd laat. (De scherp doorgevoerde leer van de twee rijken van Kuitert).
Wat de ontwikkelingen betreft valt op te merken dat de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Nederlandse Hervormde Kerk elkaar in de praktijk aangaande het spreken der kerk zeer sterk genaderd zijn. Ieder vanuit hun eigen achtergrond. In de G.K.N. heeft vooral de onderscheiding tussen instituut en organisme het spreken der kerk bestempeld. Wanneer de leden de kerk als een levend organisme in de wereld staan, heeft de kerk hen niet voor de voeten te lopen of hun taak over te nemen. Het instituut is dan het instrument voor de wedergeboren mensheid, niet meer. Via de aansluiting bij de Wereldraad van Kerken is er echter verandering opgetreden, een verandering die geleidelijk is gegaan, maar zich wel heeft doorgezet. In 1981 probeert men deze ontwikkeling een weinig in te dammen, maar het argument waarmee men dan werkt is, dat de kerk nu eenmaal wordt beïnvloed door hetgeen in de wereld aan de orde is, een ervaringsfeit dus. Daarnaast wordt gesteld dat het spreken der kerk primair een spreken is tot de gemeente. Dat is dus de oorspronkelijke lijn. Velema acht deze dubbele richtlijn voor het kerkelijk spreken getuigen van een tweesporigheid die de centrale opdracht tot het getuigen vanuit het Woord Gods buiten spel laat.
In de N.H.K. loopt de lijn over de kerkelijke publicaties van 1955, 1975 en het concept van 1986. Spreekt de kerk na de tweede wereldoorlog, en zelfs nog in 1955, vanuit een zekere machtspositie in de samenleving, in 1986 tekent zich in de Hervormde Kerk de kentering duidelijk af. Het apostolair élan is omgevormd: een kerk die van zichzelf weet niet meer in het midden van de samenleving te staan stelt er zich tevreden mee één van de machten te zijn binnen een democratisch proces. Sterker nog: de conflictlijnen in de samenleving ontvangen een hermeneutische functie, omdat zij ons Christus beter doen kennen.
In de Gereformeerde Kerken is er een tegenbeweging op gang, in de Hervormde Kerk echter niet. Deze tegenbeweging heeft echter weinig kracht omdat zij vooral – de vakgroep Pastorale Theologie aan de Vrije Universiteit! – sociaal is onderbouwd. Het argument is dan dat bij te veel ofte duidelijk spreken een verkeerde polarisatie ontstaat die de zaak die in het geding is verduistert. De keerzijde daarvan is dan dat er gepleit wordt voor het rechte omgaan met het door de Kerken aangesneden probleem terwille van de eenheid van de gemeente. Daarmee komt de gemeente in een leerproces terecht, sterker nog, wordt de gemeente zelf een soort zichzelf evoluerend leerhuis. Dan is het onderscheid met de Hervormde Kerk niet zo groot meer.
Velema is van oordeel dat een drietal factoren deze ontwikkelingen in de hand heeft gewerkt. Allereerst de apostolaatsgedachte. Vervolgens de invloed van de dialectische theologie, met zijn geringe aandacht voor de sociale gestalte van de kerk, en, daarentegen, zijn grote betrokkenheid op de sociale vragen buiten de kerk. Als derde noemt hij de groeiende invloed van de basisgemeente, vooral na 1955. Deze laatste gedachte heeft het gewonnen van de beide eerste, terwijl de beide eerste het klimaat vor deze ontwikkeling hebben geschapen.
Ik veroorloof mij hier een kanttekening. Heeft de apostolaatsgedachte van oorsprong niet heel wat meer Woord-getuigenis in zich dan Velema in zijn boekje verwerkt? Ik vraag dit te meer omdat Velema zelf ook het spreken van de kerk tot de overheid als taak der kerk ziet. Voorts vraag ik; is de basisgemeente nu werkelijk zo invloedrijk, en is deze niet veel meer exponent van een cultureel klimaat dat zowel buiten als binnen de kerk heerst? Exponent van de algemene drang het geloof te vermaatschappelijken? Velema zelfwijst deze tendens trouwens aan (28v). Zelf zie ik deze ontwikkeling dan ookmeer als een verwereldlijking van de apostolaatsgedachte.
Velema wijst ook op het functie-verlies van de confessionele partijen, dat in de kerken – vooral de G.K.N. – de neiging versterkt tot compensatie. Een psychologisch argument dus, dat nauw samenhangt met het voorafgaande.
Voor zijn eigen standpuntbepaling valt de schrijver terug op een tweetal kernteksten: Fil. 1 : 9-11 en Coll. 1 : 9-11, waar we duidelijke toespitsingen vinden van het gebod, onder leiding van de H. Geest. Zo wil hij ook de opdracht van de kerk zien. Deze geboden gelden echter het gemeenteleven. Naar buiten toe ligt het anders, terughoudender: de centrale taak van de prediking is de grondlijnen te trekken voor het maatschappelijkleven, alsonderdeel vanhetkerugma, de evangelieboodschap, die de kerk te brengen heeft in haar prediking. Daarmee is dan ook de titel van dit boekje onderbouwd: het spreken van de kerk is een geconcretiseerd preken. Dit preken is allereerst gericht tot de gemeente. Alleen wanneer het getuigenis van het evangelie niet hoorbaar gemaakt kan worden, of in crisis-situaties, kan er sprake zijn van een aanvullend en plaatsvervangend spreken der kerk naar buiten toe. Deze bescheidenheid in het spreken naar buiten toe is zowel goed voor de kerk als voor de politiek, omdat deze beide onderscheiden dienen te blijven. De kerk spreke slechts wanneer de gelovigen verstek (moeten) laten gaan. De vraag rijst hier o.i. of men de Gereformeerde Kerken dan niet wat te hard is gevallen vanwege hun compensatie van het bovengenoemd functieverlies van de christelijke partijen.
Nochtans wil Velema het spreken der kerk niet overhevelen naar de christelijke partijen. Liever zoekt hij de oplossing in een voortgaande catechese aan de leden der kerk, in het meehelpen te komen tot een voor ieder in zijn eigen situatie relevante ethiek, die ons helpt hoe te handelen. Daar staat dan een prediking achter die ingetogener is, maar niet minder relevant: de kerk mag geen gesloten huis worden.
Ik gaf vrij uitvoerig weer omdat dit boekje zo'n goede weergave biedt van de stand van zaken in de discussie rondom het spreken der kerk. Maar ook omdat ik een vijftal vragen heb die even zovele dingen betreffen als er naar mijn inzicht te bekaaid zijn afgekomen.
Hoe denkt Velema over de stelling dat een geheel meer is, dan de optelsom der delen, en dat dit op heel bijzondere wijze van de kerk geldt? Komt Velema niet te weinig boven de kerk-als-organisatie uit? Is een Synode, als vertegenwoordiger van de kerk op haar breedst, niet óók de vertolkster van een wijsheid die beloofd is aan de heiligen-tezámen? Zodat gesproken kan worden van een eigen taak der Synode temidden van het volksleven? Ik weet best dat dit grote woorden zijn, en dat de praktijk in dezen tégen is, maar mogen we daarom deze gedachte iedere functie ontzeggen? En is er dan niet een goed woord te spreken voor Herderlijke Brieven?
Moet voorts niet duidelijker uit de verf komen dat de ambten in de kerk en het overheidsambt iets gemeen hebben, namelijk het ambtelijke-van-Godswegen? En dat daardoor de grenzen vloeiender zijn dan Velema voor waar wil hebben? En ontneemt Velema zich zo niet al te zeer de mogelijkheid tot protest tegen een maatschappelijke ontwikkeling als de onze, die de overheid al meer vermaatschappelijkt?
Voorts vraag ik mij af of Velema's invalshoek niet te beperkt is. Hij wil de vraag naar het (recht van) spreken van de kerk benaderen vanuit het hart van het getuigenis. Ongetwijfeld een legitieme invalshoek. Maar is deze methode niet te beperkt? Moet men niet in meer snaren grijpen? Bijvoorbeeld zich beroepen op het, ook het maatschappelijk leven aangrijpend, karakter der geboden, of op de profetie in het Oude Testament, of op de verantwoordelijkheid van een kerk voor een volk waarvan zij deel uitmaakt?
Dit legt mij de volgende vraag in de mond. Waarom blijft bij Velema het Oude Testament zo in de schaduw? Wij leven in een maatschappij waarbinnen kerk en staat eigen wegen gaan. Het natuuriijke pretendeert in hoge mate dat het zichzelf kan regelen buiten de woorden van de kerk om. Nochtans leeft óók de kerk van het natuurlijke: in het verbond is de natuurlijke lijn van de geslachten ingeschakeld. Hoe kun je dan spreken, zoals Velema bepleit, tot de gemeente en haar wijzen op wat de Schrift zonde noemt, zonder het tegelijkertijd te hebben over de duisternissen in het volksleven? Dat is toch veel meer één zaak dan Velema voor waar wil hebben?
Het pleidooi van de schrijver voor concreet gerichte catechese die verder kan gaan dan de prediking, is mij uit het hart gegrepen. Ook de gedachte dat de prediking zich moet beperken, in alle relevantie voor het dagelijkse leven die zij na moet streven, tot grondlijnen. Elders echter is één van de argumenten van de schrijver dat de kerk niet de kennis in huis heeft om zich al te zeer op het maatschappelijk en politiek vlak te wagen. Maar hoe kan ze dan relevante catechese geven? Ik denk dat een kerk in deze tijd voldoende in huis kan hebben om te durven spreken èn catechiseren.
Samengevat: de schrijver staat mij toch te dicht bij de onderscheiding tussen instituut en organisme, een onderscheiding die als model niet verwerpelijk is. maar wel degelijk de correctie behoeft van het theocratisch model dat de prediking meer publiek ziet en het spreken der kerk daarom, met alle risico van dien, meer als een voortgaande opdracht. Ook al moeten we er zuinig òp en méé zijn, om te voorkomen dat het devalueert.
dr. S. Meijers, Leiden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1987

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1987

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's