Van Calvijn tot Barth (8)
Dordtse Leerregels
Gomarus doorzag dat de kern van Arminius' dwaling in diens rechtvaardigingsleer gelegen was. Hij heeft hem daarover ook fiks aan de tand gevoeld. Maar van meet af aan probeerde Arminius de aandacht te verleggen naar de praedestinatie. Zijn remonstrantse trawanten zijn hem in dat spoor gevolgd. Ze zullen terdege aangevoeld hebben, dat ze, als het aankwam op een bewijs van rechtzinnigheid inzake de rechtvaardiging, al gauw het onderspit moesten delven ten overstaan van de Gereformeerden. Ten aanzien van de praedestinatie voelden zij zich stukken sterker. Hun arsenaal was gevuld met zwaar geschut. En zij lieten niet na om de zwakke plekken van hun tegenstanders te bestoken. Wat dat betreft hadden ze het ook niet zo moeilijk. Het zijn voor een deel de nog steeds bekend vragen: als God nu alles doet, is Hij dan ook bewerker van de zonde; en is de mens dan nog wel verantwoordelijk; en is de nodiging van het Evangelie dan wel te vertrouwen…? Uitdagend stelden ze dit als uiterste consequenties van de gereformeerde leer aan de kaak.
Het resulteerde in de befaamde Remonstrantie van 1610. Op deze uitdaging gingen de Dordtse vaders 9 jaar later in met hun Vijf Artikelen of Dordtse Leerregels. Ik zeg niet dat ze er in óp gingen. Bij lange na niet. Van de D.L. kan men zich niet afmaken als een negatief, afwerend gelegenheidsgeschrift. Daarvoor is de geest te voornaam en de inhoud te positief en pastoraal. Maar tegelijk valt niet te ontkennen dat zij bij een zeer specifieke gelegenheid zijn opgesteld. En de hele opbouw en vraagstelling draagt daarvan zichtbare sporen.
Kohlbrugge's verwijt
Bekend is, hoe Kohlbrugge de Dordtse vaders achteraf heeft verweten dat ze zich door de Remonstranten om de tuin hebben laten leiden. Ze hadden zich niet moeten laten verschalken het geschil toe te spitsen op de verkiezing, maar ze hadden moeten blijven bij de (bestrijding van Arminius') rechtvaardigingsleer. Nu zit hier bij Kohlbrugge eerlijk gezegd méér achter, zoals Graafland in een later hoofdstuk over hem terecht releveert. Achter het formele, zeg maar gesprekstechnische bezwaar, steekt iets dat veel dieper reikt. Wat is dat?
Niet dit, dat Kohlbrugge de gereformeerde voorliefde voor de vrijmacht en vrijwilligheid van Gods genade niet zou delen. Daarvan is geen sprake. Deze is juist voortdurend in al zijn preken aanwezig, en dan niet aan de rand, zelfs niet op de achtergrond, maar veeleer als de ondergrond.
Kohlbrugge's kritiek richtte zich niet op de verkiezingsleer, maar op de verbanden waarin zij door de Gereformeerde orthodoxie en ook door Dordt werd gezet. Zijn grootste bezwaar was, dat de praedestinatieleer zo sterk in verband werd gebracht met de wedergeboorte en de heiliging, i.p.v. met het geloof en de rechtvaardiging. M.a.w.: Kohlbrugge duchtte het gevaar dat de Remonstranten met hun uitgesproken aandacht voor de menselijke vermogens weliswaar door de voordeur werden weggestuurd, maar dat door de achterdeur werden ingehaald degenen die evenzeer de aandacht fixeerden op de menselijke vermogens, zij het nu niet de natuurlijke, maar de bovennatuurlijke kwaliteiten. 'Als de praedestinatie zou gefunctioneerd hebben als de eeuwigheidsgrond onder de rechtvaardiging, dan zou het tot in het hart van de zaak duidelijk geworden zijn, dat Arminius een paap was i.p.v. een gereformeerd mens', zo vat Graafland Kohlbrugge's zienswijze samen (403).
Ik zou hierbij een paar kanttekeningen willen maken.
Ten eerste, dat het buiten kijf is dat Kohlbrugge's vrees bepaald niet uit de lucht gegrepen is. Heel Graafland's boek getuigt van de vele ontsporingen die de na-Dordtse tijd inzake de praedestinatieleer te zien geeft, waarvan niet de minst heilloze deze is, dat in de prediking het accent wordt verlegd van de genadige, rechtvaardigende God naar de verkoren, wedergeboren mens. Erger nog: van de zekerheid van de belovende en gevende God naar de onzekere vraag wie zich de beloften toe mag eigenen en onder welke voorwaarden men dit mag doen. Kort gezegd: een verschuiving van de grond van het geloof naar de kenmerken ervan. Nog korter: van Christus naar de vrome mens. Ik zou niet durven zeggen dat de D.L. hieraan debet zijn. Maar dat ze deze ontwikkeling een halt hebben kunnen toeroepen valt evenmin te poneren!
Ten tweede wil ik opmerken, dat men Kohlbrugge's kritiek evenwel niet moet hanteren als een stok om de hond te slaan. Graafland schrijft niet voor niets met nadruk, dat Kohlbrugge de gereformeerde praedestinatie-leer niet afwees, maar blijkens 'heel zijn werk' onderschreef! Ik ben de schrijver daar dankbaar voor. Zo blijven we nl. Kohlbrugge's kritiek binnen de juiste proporties zien.
In de derde plaats frappeert het mij bij de bestudering van Kohlbrugge's prediking in toenemende mate, hoe gedurig en intensief zijn aandacht gericht is op de zelfbeproeving en de kenmerken van het geloof! Het is hier niet de gelegenheid om te laten zien dat déze kenmerkenprediking merkwaardigerwijs tóch het accent niet verlegt van de beloofde genade naar de beleefde genade, maar wel merk ik op, dat Kohlbrugge in geen geval blijft steken in het aanzeggen van de beloften, maar bepaald nadrukkelijk en onophoudelijk doorstoot tot de vertolking van de geloofsomgang met deze beloften, met alle weerbarstigheden en verrukkingen van dien. Ik wil maar zeggen: het beloftegeloof bij Kohlbrugge is een door en door bevindelijk geloof. En men zal zijn kritische uitlatingen over Dordt moeten wikken en wegen, alvorens er vlotte conclusies uit te trekken.
In de vierde plaats ben ik zo vrij om Kohlbrugge's bezwaar tegen bepaalde Dordte accenten te lezen in de context van wat hij zelf ontmoette aan gevólgen ervan in latere vereenzijdiging en verenging. Op soortgelijke manier zou het niet zwaar vallen om vereenzijdiging in de 'school' van Kohlbrugge aan te wijzen die hij zelf weliswaar niet heeft bedoeld, maar waar bepaalde formuleringen aanleiding toe konden geven… Geen sterveling is onfeilbaar en nog nooit heeft een mensenkind de waarheid van het Evangelie (en van de verkiezing) zó op formule gebracht dat misbruik uitgesloten is. Calvijn niet. Ook Kohlbrugge niet. En evenmin Dordt.
In de vijfde plaats zal men in de beoordeling van de D.L. rekening dienen te houden met wat ik al noemde de specifieke gelegenheid waarin ze zijn gesproken. Nu kan men deze context bagatelliseren en zeggen: hadden de vaders van Dordt zich maar gehouden aan het kader van de rechtvaardigingsleer! Men kan óók zeggen: jammer, dat ze hun oppositie zo serieus namen, maar ze déden dat nu eenmaal en laten we nu eens kijken hóe ze dat deden en wat er in dit kader te ontdekken valt!
Het is juist het inachtnemen van deze situationele bepaaldheid, dat de D.L. te meer leert waarderen als een kostbaar document van de belijdenis aangaande de vrije en loutere genade Gods, een document dat weliswaar geannexeerd kán worden door extreme, onreformatorische geesten, maar dat met veel meer recht kan worden verstaan als een waardige en evenwichtige vertolking van het reformatorische erfgoed in de confrontatie met romaniserende en humaniserende ketterijen. Voor wie de D.L. onder deze belichting leest, valt het m.i. niet moeilijk om dit met dankbare waardering en instemming te doen.
A. de Reuver, Delft
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's