Boekbesprekingen
James D. G. Dunn, Hoe het Christendom begon; enkele notities bij controversiële thema's, 128 blz., ƒ 20,–, Ten Have, Baarn 1987.
De bekende engelse (evangelicale) nieuwtestamenticus behandelt in dit boekje – een bundeling van voordrachten – de vraag hoe het historisch kritisch onderzoek met het Nieuwe Testament omgaat. Vier onderwerpen komen aan de orde: 1. de historiciteit van de evangeliën; 2. de relatie tussen Johannes en de eerste drie evangeliën; 3. de eerste christenen en de opstanding; 4. eenheid en verscheidenheid in de vroege kerk.
Dunn gaat behoedzaam te werk, is voorzichtig in zijn conclusies. Veel is er hem aan gelegen, om te laten zien dat de wetenschappelijke bestudering van het Nieuwe Testament niet op gespannen voet behoeft te staan met het geloof van de gemeente.
Terecht wijst hij op de eigen aard van de evangeliën, de bedoelingen waarmee elk van de evangelisten geschreven heeft. Vragen heb ik bij zijn kijk op het vierde evangelie. Te weinig komt hier m.i. het apostolisch karakter van dit evangelie naar voren. Ook over zijn uitleg van de titel 'Zoon van God' zijn m.i. vragen te stellen. Ten aanzien van het hoofdstuk over de opstanding moet gezegd worden dat de auteur met zijn betoog de kritische wetenschap de wind uit de zeilen neemt. Anderzijds maakt hij een merkwaardige tegenstelling tussen 'historisch' en 'theologisch'. Is er een tegenstelling tussen Lucas en Paulus ten aanzien van het opstaridingslichaam? Het lijkt me dat Dunn hier te snel concludeert.
Het hoofdstuk over de gemeente verzet zich terecht tegen een romantisch-idealistisch beeld van de vroege kerk. Terecht wijst Dunn op de schakeringen en de verscheidenheid alsmede op de historische ontwikkelingen. Maar onduidelijk blijft m.i. de gezagspositie van de canon ten aanzien van latere ontwikkelingen, alsmede de grond voor het gezag van de canon terwijl ik ook sterker dan Dunn de eenheid in de verscheidenheid zou willen beklemtonen.
Resumerend: een helder geschreven boekje dat een stuk informatie biedt voor wie op de hoogte wil komen van de stand van zaken met betrekkingtot een aantal discussiepunten in de nieuwtestamentische wetenschap – met name voor cursussen theologische vorming lijkt het me een handzaam boekje om kritisch te lezen en te bespreken – dat hier en daar toch tegenspraak oproept.
Soms vroeg ik me af: is de auteur niet te argeloos ten aanzien van de vooronderstellingen van het historisch-kritisch onderzoek. In zijn inleiding zegt Dunn, dat het hem er om ging de demon van het anti-intellectualisme uit te bannen, die er oorzaak van is dat sommige christenen van mening zijn dat alle wetenschap van nature negatief en sceptisch is. Heeft hij voldoende oog voor het andere gevaar, dat de historisch-kritische benadering van de Schrift niet vrij is van vooronderstellingen die geen recht doen aan het zelfgetuigenis van de Bijbel?
A. N., Ede
A. N. Hendriks, Met het oog op de gemeente, populair-theologische bijdragen, 136 blz., ƒ 24,–, Aca Media, Haarlem 1987
Een bundeling van eerder gepubliceerde artikelen (met uitzondering van een bijdrage) over onderwerpen die de geloofsopbouw van de gemeente raken (geloofszekerheid, bevinding en prediking, Christus en de Geest, diaken ambt, pastoraat, liturgie, catechese, Koninkrijk Gods en kerk). Hendriks schrijft helder en overzichtelijk. Duidelijk blijkt uit dit boekje, van hoeveel betekenis het werk van de Heilige Geest is voor de praktisch-theologische vragen. De kritiek die hij uit op het ontwerp van Rebel, blijft niet steken in het negatieve. Positief wijst ook Hendriks de betekenis van de menswetenschappen aan. Hij fundeert dit vanuit de relatie tussen het werk van de Geest en de charismata. Wat mij dan intrigeert, maar waar dit opstel geen antwoord op geeft, is wat het verschil in visie tussen Hendriks en Rebel nu praktisch betekent voor de praktijk van het pastoraat.
Niet overtuigend vond ik het stuk over de diakonia van de vrouw. Ten aanzien van de Heidelbergse Catechismus merkt Hendriks op, dat we de Catechismus niet moeten lezen vanuit de bedoeling van de opstellers, maar in het licht van de Schrift. Dat laatste ontken ik uiteraard niet, maar het lijkt me toe, dat een historische benadering daarom nog niet verkeerd is. Men zal het een doen en het andere niet nalaten.
Wat over liturgie en leven gezegd wordt, is wat erg beknopt en verdient uitwerking. Hetzelfde geldt voor de opmerkingen over de verhouding tussen catechese en gemeente. Hoe die relatie praktisch vorm krijgt, komt nauwelijks aan de orde. Over catecheseteams wordt niet gesproken, evenmin over het voor en tegen van huiscatechese.
In zijn woord vooraf wijst de schrijver erop dat niet elk gemeentelid zijn bijdragen gemakkelijk op te nemen kost zal vinden. De hoop evenwel, dat geïnteresseerde gemeenteleden met de artikelen uit de voeten kunnen, is m.i. niet ongerechtvaardigd. Wie zich de moeite getroost met de schrijver mee te denken, kan met dit goed oriënterende boekje zijn winst doen.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's