Globaal bekeken
'De hedendaagse verschijnselen van ziekelijke vroomheid, in oorzaken, aard, geneesmiddelen.' Zo luidde het jaarthema opde jaarlijksepredikantenvergaderingder Ned. Herv. Predikantenvereniging op woensdag 27 april 1870 te Utrecht. Aan de bekende Chantepie de la Saussaye was de behandeling van dit thema aangeboden. Met 24 stellingen leidde hij de discussie in. Voor een evenwichtige beoordeling zou men het geheel moeten afdrukken. Hier volgen echter slechts de eerste twee en de stellingen uit het middengedeelte, zonder commentaar onzerzijds.
1. Wanneer gesproken wordt van ziekelijke vroomheid, dient in de eerste plaats de nadruk gelegd te worden op het woord "vroomheid". Wat bezijden de vroomheid staat, ter rechter- of ter linkerzijde, wordt dus uitgesloten, evenminschijnheiligheid ofhuichelarijwordt bedoeld, als onverschilligheid of werelddienst. Er is sprake van kranke ontwikkeling van het levensbeginsel, verkeerde richtingen in den bekeerden toestand.
2. De uitdrukking "ziekelijke vroomheid" stelt de vroomheid voor, niet in zich zelve, maar zoo als zij voorkomt in vromen. "Ziekelijke vroomheid" ware eene contradictio in adjecto. Men spreke dus van "ziekelijke richtingen" of "krankheden des geestes" bij vromen. Bij de bespreking daarvan vergete men niet, dat alle vromen krank zijn, dat eene volkomen gezonde ontwikkeling van het levensbeginsel bij niemand plaats heeft, dat de wedergeboorte niet een op zeker tijdpunt in het aardsche leven voldongen feit is, maar dat het geheele leven der vromen is een geboren worden ten eeuwigen leven. (…)
13. Indien men nu de krankheden, die in de gemeente bestaan, niet als eigene krankheden, althans potentieel, erkend en het lijden ervan ondervonden heeft, zoo loopt men gevaar, als krank te beschouwen, wat gezond, en als gezond, wat krank is; en het "medicijnmeester! genees u zelven" is het woord dat, hier te recht, den onhandigen geneesheer kan worden tegemoet gevoerd.
14. De krankheden in de gemeente zijn te verklaren naar de verschillende trappen van geestelijk leven, ledere krankheid is eene afwijking van de rechte baan der ontwikkeling, eene verkeerde richting uit een goed uitgangspunt Het leven des Christens nu is te beschouwen in zijn oorsprong in het gemoed, in zijne openbaring in den wandel, in zijne betrekking tot de gemeente, in zijne verhouding tot de maatschappij. Uit die verschillende verhoudingen ontstaan onderscheidene krankheden.
15. Het christelijk leven, als leven des gemoeds, een leven met Christus verborgen in God, ontaardt licht in eenzijdig mysticisme, een leven van louter bevindingen en geestelijke oefeningen. Het piëtisme leidt tot egoïstisch quietisme, waarbij de kosmische beteekenis van het Christendom voorbijgezien, en de Heer als bijzonder eigendom van den enkelen Christen beschouwd wordt. Deze krankheid ontstaat het eerst, en velen blijven er in hun leven lang. Hun geloofsleven heeft niets veerkrachtigs; zij komen niet tot eene frissche en blijmoedige levens- en wereldbeschouwing.
16. In een tweede stadium ontstaat de behoefte en wordt de plicht erkend, om van den Heer te getuigen in de wereld, zijn koninkrijk uit te breiden, zielen voor dat koninkrijk te winnen. De christelijke werkzaamheid ontstaat, en met haar het gevaar der werkheiligheid. Het veel doen voor den naam des Heeren wordt hoofdzaak, en door dat men niet in dezelfde mate ontvangt als men geeft of wil geven, kwijnt het inwendige leven. Een valsche, overspannen ijver ontstaat. Even als het piëtisme in het quietisme ontaardt, zoo het krachtige methodisme in de bedrijvigheid van den methodistischen zendingsarbeid.
17. De behoefte aan gemeenschap met de kerk wordt, in een derde stadium, gevoeld. Het individueele Christendom moet zich aansluiten aan een algemeen. Men zoekt het in de kerk; maar, de kerk altijd min afmeer krank zijnde, zoo vindt men zich niet of niet genoegzaam bevredigd. Men zoekt een vasten grond voor de schijnbaar zoo geschokte en wankelende kerk. Nu loopt men gevaar, van dien grondslag niet diep genoeg te zoeken, niet in het blijvende en eeuwige fondament, den levenden Heer, maar in de getuigenissen, door de gemeente van vroegere eeuwen van Hem afgelegd. De persoonlijke belijdenis lost zich op in den ijver tot handhaving der geschrevene. Het confessionalisme, wel te onderscheiden van de zelfstandige adhaesie, door persoonlijk belijdenis gegeven aan de belijdenis der vaderen, is eene derde, hoogstgevaarlijke krankheid, die op dit punt van ontwikkeling kan ontstaan. De kerk wordt dan niet meer als het lichaam van Christus, maar als een door hem gefundeerd instituut beschouwd, en de kerkleer als de grondwet, waarnaar dat instituut moet worden geregeerd; en zoowel het leven des Heiligen Geestes in de gemeente als de persoonlijke regering van haar verheerlijkt Hoofd wordt voorbijgezien.
18. Deze krankheid heeft twee vertakkingen. De eene is deze dat in de kerkleer meer gelet wordt op het bijzondere, kenmerkende leerstuk, waardoor de kerk, waartoe men behoort, zich van andere afdeelingen der christelijke kerk onderscheidt, dan op den algemeenen christelijken grondslag, dien zij met die andere afdeelingen gemeen heeft. Het confessionalisme in de gereformeerde kerk wordt bij velen tot praedestinatianisme, een eenzijdig vooropstellen van de leerstukken der verkiezing en voorbeschikking.
19. De andere krankheid, waartoe het confessionalisme lichtelijk aanleiding geeft, is het separatisme. Men wanhoopt aan het herstel der kerk naar het model, dat men er zich van gevormd heeft, en men zoekt naar dat model kleinere genootschappen op te richten. Men maakt eene nieuwe gereformeerde kerk, omdat de bestaande niet meer worden kan, wat men meent dat zij wezen moest. (…)'
Uit De Stem, zoals reeds eerder, enkele kernachtige gezegden.
'• Hoewel God een heel hart begeert, neemt Hij toch graag een gebroken hart aan als men Hem alle stukken uitlevert.
• Als het geloof een mens niet naar de gemeente leidt, is het twijfelachtig of het hem naar de hemel leidt.
• Tegenslagen zijn pillen die men slikken moet, niet kauwen.
• Wie alleen maar zonneschijn wil, leeft in de woestijn.
• Volhardt een gemeente in nietsdoen, dan begint zij te sterven.
• Misschien lijdt de kerk niet zozeer aan de zonden van de wereld als de wereld aan de zonden van de kerk.
Als we in deze rubriek een steekje laten vallen moeten we dat ook herstellen. Ds. G. H. Plantinga te Lekkerkerk herkende zich niet helemaal in onze, overigens uitvoerige weergave, van het stuk, dat hij over de vrijzinnigen schreef ten behoeve van de Lekkerkerkse gereformeerden.
1. Ds. Plantinga is niet aangesloten bij de Ver. voor Vrijzinnige Hervormden en 'wil de gemeente van Christus dienen zonder tot een modaliteit te behoren'.
2. De uitspraak 'ds. Plantinga ziet hen (de vrijzinnigen) kennelijk ook in de Gereformeerde Kerken van vandaag' doet geen recht aan de achtergrond van zijn artikel. Hij heeft slechts willen uitleggen wat vrijzinnigen zijn en constateert, dat de vraagstellingen, waar de vrijzinnigen antwoord op trachten te geven ook in de Gereformeerde Kerken aan de orde zijn. 'Bezig zijn met dezelfde vraagstelling kan je wel zinvol met elkaar in gesprek brengen', aldus ds. Plantinga in zijn brief.
Ik hoop hem met deze enkele regels recht gedaan te hebben.
Nu ik toch aan correctie bezig ben, een aardige lezer maakte me erop attent dat Bommel in het gedicht van Martinus Nijhoff (in het stukje over dr. H. Bout en Theologia Reformata vorige week) niet Den Bommel op Flakkee is maar Zaltbommel. Waarvan acte.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's