Van Calvijn tot Barth (9)
De uitdaging
De Leerregels zouden er wellicht niet zijn gekomen, als Arminius niet ten tonele was verschenen, zeiden wij al voorzichtig. Met grote stelligheid valt te zeggen: geen D.L. zónder de Remonstrantie, waarin de Leer van de Gereformeerden in 5 artikelen wordt weergegeven, waarna in eveneens 5 artikelen het eigen gevoelen wordt vertolkt. Evident is de overheersende invloed van Arminius. Alleen, van zijn rechtvaardigingsleer wordt (wijselijk) niet gerept. De Remonstranten wilden vooral dit wel eens weten: hoe kun je volhouden dat God niet de auteur van de zonde is, als je beweert dat God in zijn praedestinatiebesluit de mens beschouwt als nog niet gevallen of zelfs nog niet geschapen? Besloot Hij dan tot Schepping en zondeval (of zelfs eerst tot de val en dáárom tot de Schepping) om soeverein te kunnen verkiezen en te verwerpen? Werpt zulk een opvatting van Gods soevereiniteit niet een onuitwisbare smet op Gods goedheid en heiligheid? En: als God nu niet om een voorgezien geloof verkiest en evenmin om vooruitgezien ongeloof verwerpt maar het geloof zelf moet werken en schenken, hoe komt het dan dat Hij sommigen wél met geloof begiftigt en anderen niet? Alle Adamskinderen zijn toch even schuldig, onwaardig en verwerpelijk? Van waar dit onderscheid? Is Gods soevereiniteit dan zoiets als willekeur?
Hoe hebben de Contra-Remonstranten hierop nu gereageerd? Hebben ze al deze vragen, die even zovele aantijgingen behelzen, weerlegd door ze te ontzenuwen in een voor het verstand doorzichtig betoog? Nee. Zonder zich aan te matigen de zaak sluitend te kunnen maken, hebben ze enerzijds met kracht ontkend dat de gereformeerde verkiezingsleer tot die consequenties voerde die een streng causale logica er inderdaad uit trekken kon, en als keerzijde daarvan de onophefbare spanning gehandhaafd die – hoe ergerniswekkend ook voor de menselijke rede – aan het geheimenis eigen is.
Het antwoord
De D.L. zetten, anders dan Beza en Perkins, maar in de lijn van Calvijn, niet in met een abstracte praedestinatie van een grillige soeverein die ooit op de gedachte is gekomen om (toekomstige) schepselen voor een deel te verkiezen en voor een deel te verwerpen. Ze zetten in met de zondeval en de schuld van alle Adamskinderen, en met de in het licht van deze algehele afval ondoorgrondelijke liefde Gods die als zeer blijde boodschap opklinkt midden in het oord van Godsvervreemding en verlorenheid, opdat eenieder die gelooft niet verloren ga! Paragraaf 5 ontkent dan categorisch die symmetrie waarvan de Remonstranten hen betichtten: dat de oorzaak van het ongeloofevenzeer in God gelegen is als de oorzaak van het geloof. Daartegenover poneert Dordt: het ongeloof is te wijten aan de mens, het geloof is te danken aan God.
Maar nu dringt zich onmiddelijk die netelige kernvraag op: hoe komt het dat God niet allen met het geloof begiftigt, maar een deel der mensheid die gave (kennelijk) onthoudt? Dat komt voort uit Zijn eeuwig besluit, zeggen de Leerregels dan met een verwijzing naar Hand. 15 : 18 en Efeze 1 : 11.
Ik zou nu op dit punt willen vragen of het nodig is, zelfs geoorloofd is, deze woorden met Graafland zo te interpreteren: 'De verkiezing gaat aan het geloof vooraf zoals de verwerping aan het ongeloof voorafgaat'? Dát Gods (dubbele) praedestinatie hier gezegd wordt vooraf te gaan aan geloof en ongeloof, valt niet te betwisten. Maar is dat woordje 'zoals' hier wel op zijn plaats? Dat suggereert toch weer die symmetrie, alsof de verwerping op gelijke wijze ('eodem modo'!) de oorzaak van de ongelovigheid zou zijn als de verkiezing dat is van het geloof, hetgeen in het Besluit van de D.L. zo uitdrukkelijk en nadrukkelijk 'van ganser harte met verfoeiing' wordt verworpen! Daar komt bij dat ook in III-IV, 9 met zoveel woorden wordt afgewezen, dat de schuld van het ongeloof in God zou liggen. Maar ook onderhavige paragraaf zelf verzet zich o.i. tegen deze opvatting. De parallellie die Graafland erin leest, kan ik er nu juist niet in ontwaren. Er staat immers: 'Naar dit besluit buigt Hij de harten van de uitverkorenen genadig over om te geloven, maar laat Hij degenen die niet verkoren zijn naar zijn rechtvaardig oordeel in hun boosheid en hardheid'. Hier staat toch niet dat de verwerping net zo (oorzakelijk) voorafgaat aan het ongeloof als de verkiezing aan het geloof? Hier staat, veel omzichtiger en ingetogener, dat God mensen laat (liggen, voortgaan) in hun boosheid en hardheid. Deze laatste gaan vooráf aan het niet schenken van het geloof, en daarom is de verwerping geen grondeloze, absolute willekeur, maar daad van rechtvaardigheid. Zijn verkiezing is grondeloos, Zijn verwerping heeft grond.
Dit is het, dunkt me, wat volgende de Leerregels omtrent Gods Besluit te belijden valt. Achter dit belijden van Gods beslissing valt niet door te dringen, ook niet door die allerlaatste vraag te stellen, waaróm God besloot, sommigen in hun boosheid te laten en anderen daaruit weg te trekken. De nieuwsgierige réde is hier de toegang ontzegd; het gelóóf vindt hier uitsluitend stof tot diepe ootmoed, verbazing en aanbidding; het heilbegerig hárt wordt zonder talmen en restrictie naar Gods hoorbare roeping verwezen.
Want in ieder geval betrekt Dordt vastberaden de wacht bij de betrouwbaarheid van Gods gepredikte bevel. God is niet dubbelhartig of tweetongig: 'Zovelen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden in ernst (welgemeend) geroepen. Want God betoont ernstig en waarachtig (!) in Zijn Woord wat Hem aangenaam (!) is, nl. dat de geroepenen tot Hem komen' 'III,IV,8). Wie dan niet komt, heeft dit te wijten aan eigen zorgeloosheid, oppervlakkigheid en boosheid (9). Wie wel komt, heeft dit louter te danken aan de krachtdadige roeping van de verkiezend-genadige God. Deze uitspraken staan in hun volle spanning naast elkaar. En is het niet juist de kracht van de D.L., dat ze zó kwetsbaar durven zijn, dat ze deze spanning niet pogen op te heffen door een consequent-logische redeneertrant?
Ik kan eerlijk gezegd dan ook beter de interpretatie volgen die Berkouwer (althans aanvankelijk in zijn De verkiezing Gods, 1955) geeft van de D.L.
Het betoog van Graafland op blz. 339 v. heeft mij niet overtuigd. Hij zegt: de Epiloog ontkent wel dat de verwerping de oorzaak is van het ongeloof, maar dat betekent niets meer dan dat God niet de bewerker van het ongeloof is, – terwijl in I,6 evenwel de verwerping wél de oorzaak wordt genoemd van het niet – schenken van het geloof, en dit laatste betreft het eigenlijke Besluit! Ik vraag, of hij hier voldoende ernst maakt met twee opmerkelijke dingen: a. dat I,6 niet van 'oorzaak' spreekt, b. dat er létterlijk staat, dat God de niet-verkorenen naar Zijn rechtvaardig oordeel in hun boosheid laat. Hierin lees ik geen causale verklaring van het ongeoof, noch van de zondige boosheid, maar wel, dat God bepaalde mensen niet verkiest, door ze rechtvaardig in hun (schuldige) boosheid te laten. En als in I,15 behoedzaam wordt geformuleerd dat 'sommigen niet zijn verkoren, of in Gods eeuwige verkiezing zijn voorbijgegaan, nl. diegenen die God besloten heeft in hun schuldige ellende te laten liggen en met het zaligmakend geloof en de genade der bekering niet te begiftigen, maar op hun eigen wegen te laten' kan ik niet inzien dat hier 'met zoveel woorden' wordt gesteld dat de verwerping er is tot ongeloof (blz. 151). Er staat nu juist met zoveel woorden dat God hen op hun eigen wegen laat laat!
Wij breken hier onze bespreking van het hoofdstuk over de D.L. af. Wel beseffend dat wij hiermee een heel stuk boeiend bedreven theologie onbesproken laten. Wellicht gaan anderen hierop eens in. Ten besluite van dit onderdeel geef ik Graaflands conclusie door die een opmerkelijke tweeledigheid bevat: 'Met K. Exalto menen wij te kunnen vaststellen, dat de vaderen van Dordt de praedestinatieleer niet op de spits hebben willen drijven'. Wel is het zo, dat (mede) door de toenemende bestrijding de Gereformeerden de verkiezing steeds meer in het centrum hebben geplaatst en ook in methodisch opzicht voorop hébben gesteld. Als gevolg daarvan hebben vooral de D.L. ertoe bijgedragen, dat in de gereformeerde traditie niet meer de rechtvaardiging, maar gaande meer de verkiezing – annex de wedergeboorte als realisering ervan – het beslissende geloofsartikel is geworden' (blz. 163).
A. de Reuver, Delft
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's