De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Kinderen aan het Avondmaal?

In het Centraal Weekblad van 9 oktober gaat de bekende kerkhistoricus prof. dr. D. Nauta, in op de vraag naar de deelname van kinderen aan het Heilig Avondmaal. Nauta is van oordeel dat bij alles wat er over dit onderwerp, ook in de Geref. Kerken, geschreven is, er te weinig bezinning is geweest inzake de vraag op welke gronden kinderen eventueel toegelaten zouden kunnen worden en bij welke instantie de beslissing berust. Aangezien z.i. de Schrift geen rechtstreeks antwoord op de vragen in dit opzicht geeft, gaat hij na hoe er in de begintijd van de Reformatie over deze zaak is gedacht. We zullen, zegt Nauta, goede argumenten moeten aanvoeren om er anders over te gaan denken en tot een andere praktijk te komen dan de Reformatoren. In dit verband brengt Nauta een brief ter sprake uit 1560 van Calvijn en Olevianus, een van de opstellers van de Heidelbergse Catechismus.

'Calvijn begint dan zijn verhaal met de volgende zinsnede: "Aan niemand staat de toegang tot het avondmaal van Christus open voordat hij zijn geloof heeft beleden". Hoe dit in zijn werk gaat geeft hij vervolgens nader aan. Viermaal per jaar wordt het avondmaal gevierd, te weten met Kerstmis, Pasen, Pinksteren en op de eerste zondag van september. De zondag tevoren heeft de aankondiging ervan plaats. Op elk van die zondagen heeft er steeds een onderzoek plaats bij de ervoor in aanmerking komende kinderen, of en in hoeverre zij tot het avondmaal kunnen worden toegelaten. Het is namelijk gewoonte de kinderen op alle zondagen in het jaar te onderrichten. Veronderstelling daarbij was, dat de kinderen ook thuis door de ouders onderwezen worden.
Welnu, viermaal per jaar bestond de gelegenheid dat de predikant een onderzoek instelde, of door de kinderen een getuigenis werd afgelegd dat blijk gaf van voldoende te zijn voortgesch reven in "hoofdzaak der religie" om toe te treden tot de heilige tafel.
Met geen enkel woord wordt gerept over een bepaalde leeftijd welke kinderen bereikt zouden moeten hebben. Ik kan alleen zeggen, dat blijkens andere gegevens het meermalen voorkwam dat kinderen in de leeftijd van twaalf tot veertien jaar werden toegelaten.
De opvattingen van Calvijn vinden we ook verwoord in de kerkorde welke te Genève werd vastgesteld. Daarin staat onder meer, dat viermaal per jaar de aankondiging van het avondmaal geschiedt op de zondag ervoor en wel "opdat geen kind eraan toetreedt alvorens belijdenis van zijn geloof te hebben afgelegd, gelijk dit in de catechismus zal zijn uiteengezet". Verder, dat geen kind kan worden toegelaten dat niet voldoende is onderwezen en dat niet belijdenis doet "van zijn christen-zijn in tegenwoordigheid van de kerk".'

Welke gevolgtrekkingen zijn uit dit standpunt van Calvijn af te leiden die voor ons nu richtinggevend mogen zijn? Nauta wijst er op dat de kwestie 'kinderen al of niet aan het Avondmaal' op zich niet een nieuwe zaak is, vergeleken met de tijd van de Reformatie. Maar wel is die deelname altijd verbonden met het afleggen van een geloofsbelijdenis.

'Het is van belang aandacht te geven aan de voorwaarde welke er meteen uitdrukkelijk aan is verbonden. De deelname van kinderen wordt afhankelijk gesteld van het afleggen van een geloofsbelijdenis en naar mijn mening gebeurt dit volkomen terecht. Soms wordt erop gewezen dat kinderen toch ook de heilige doop ontvangen als kinderen van het verbond zonder dat van hun kant iets wordt verwacht. Waarom zou datzelfde niet gelden met betrekking tot het avondmaal? Degenen die aldus reageren, verliezen daarbij een ding uit het oog: de kinderdoop wordt onder ons altijd uitgevoerd in het midden van de gemeente, niet slechts in de tegenwoordigheid van enkele getuigen. En hetgeen bovenal van belang is, gebeurt mede op grond van de door de ouders afgelegde belijdenis en belofte. Indien deze zou ontbreken is het uitgesloten dat de doop wordt bediend.
Welnu, eveneens ten opzichte van het deelhebben aan het tweede sacrament behoort er een overeenkomstige belijdenis aan vooraf te gaan. Deze belijdenis moet worden afgelegd door de persoon in kwestie zelf en niet door een ander. Hij of zij moet die daad voor eigen verantwoording nemen en niet slechts voor een paar getuigen, maar voor de gehele gemeente.
De kern van dat belijden bestaat niet uit het blijk geven van grote kennis of het kunnen opzeggen van een reeks catechismusantwoorden. Natuurlijk is een dergelijke kennis nuttig en kan en mag een bepaalde mate ervan niet ontbreken. Hoofdzaak is evenwel het gekozen hebben voor Jezus en de bereidheid om in het leven voor Hem uit te komen, zo nodig ook ondanks achteruitzetting en spotternij. Misschien is het tegenwoordig niet zonder belang juist op dat laatstvermelde element de nadruk te leggen. Slechts wie het verstaat ernst te maken met het geloof, zij in alle eenvoud, en daar belijdenis van aflegt, ontvangt in de gemeente toegang tot het avondmaal.
Het is niet nodig dat de orde geheel eender geregeld wordt als toen in Genève het geval was. De omstandigheden zijn sedert die tijd heel wat gewijzigd. In diverse gemeenten bijvoorbeeld wordt meer dan viermaal per jaar het avondmaal gevierd. Toch verdient het mijns inziens navolging dat meer dan eenmaal de gelegenheid wordt geopend de belijdenis van het geloof af te leggen. En natuurlijk zal dat goed zijn als dat gebeurt de zondag voorafgaande aan de avondmaalsviering.
Nog een enkele opmerking. Van de catechisatie kan men de indruk krijgen dat er een soort van cursus moet worden doorlopen en dat aan het einde van die cursus iemand de toegang krijgt tot de viering van het avondmaal. En deze voorstelling is niet de juiste. Naar mijn mening moet de mogelijkheid bestaan dat een jongen of meisje, van welke leeftijd van ook, belijdenis aflegt en toegang krijgt tot het avondmaal, indien zijn of haar hart hem of haar dringt tot het nemen van die beslissing. Niet de ouders of anderen die in een of andere nauwe relatie staan tot het kind moeten die beslissing nemen. De eigen keuze van het kind moet de doorslag geven.
Voorts is het nodig dat aan de toelating een onderzoek door de kerkeraad voorafgaat. De wijze waarop dit gebeurt kan worden overgelaten aan de desbetreffende kerkeraad. Het behoeft uit de aard van de zaak niet te geschieden ten overstaan van de gehele kerkeraadsvergadering. Voorwaarde is alleen, dat het een serieus karakter draagt en vooral dat van het resultaat ervan op de een of andere wijze in de gemeente mededeling geschiedt op de zondag voorafgaande aan de zondag waarop het avondmaal zal plaatsvinden. Persoonlijk zou ik er de voorkeur aan geven dat het gebeurt in de openbare dienst door middel van de beantwoording van een beknopt gestelde vraag. Ik acht het echter ook mogelijk dat het blijft bij de mededeling van het in en voor de kerkeraad ingestelde onderzoek.
Een of andere kennisgeving aan de gemeente mag in geen geval ontbreken. Zoiets is wellicht niet in overeenstemming met het individualisme dat zich tegenwoordig ook in het kerkelijke leven vertoont. Ieder meent nogal eens geheel voor zichzelf of voor het eigen gezin uit te kunnen maken wat zal gebeuren, ook met betrekking tot het deelnemen aan het avondmaal des Heeren. De kerk vormt nu eenmaal een gemeenschap van belijdende mensen, die het behoren te verstaan samen te leven en wel in vertrouwen op en in gehoorzaamheid en dienst aan de Heer. Het avondmaal is en blijft nu eenmaal de tafel van de Heer en degenen die elkaar ontmoeten aan die tafel, begroeten elkaar er in het samen geloven aan en in die Heer, die voor hen de dood heeft overwonnen.'

Vorm en inhoud
Met opzet heb ik dit heldere artikel grotendeels in zijn geheel overgenomen, om de auteur in zijn gedachtengang niet te onderbreken. Jaren geleden verdedigde ook dr. Bolkestein in Kerk en Theologie als de koppeling van de toelating tot de Tafel des Heeren en het afleggen van een geloofsbelijdenis, op grond van argumenten, ontleend aan het bijbels getuigenis. Nauta laat de stem van de historie spreken. Het is duidelijk dat het belijdend antwoord dat Nauta als weg tot de Tafel des Heeren vereist acht, de belijdenis van het geloof, niet per definitie vereenzelvigd mag worden met de vorm die het afleggen van de openbare belijdenis onder ons gekregen heeft, nl. op of rondom Palmzondag. Dit kerkelijk gebruik dateert bepaald niet vanaf de Reformatietijd. Begrijp ik Nauta goed, dan wil hij de gelegenheid tot het afleggen van dit belijdend antwoord meerdere malen in het jaar open stellen. Als maar de verbinding van belijdenis en avondmaalsviering gehandhaafd blijft. Terecht signaleert Nauta de individualistische trend van onze tijd, die een helder zicht op orde en gemeenschappelijkheid in de gemeente van Christus vaak belemmert. Een punt dat in Nauta's artikel niet naar voren komt is de aard van de geloofskennis, als zaak van verstand, hart en gevoel. Soms krijgt men in de discussies rondom deze vraag, en met name in allerlei pleidooien voor kinderen aan het Avondmaal de indruk dat men uit reaktie tegen een te verstandelijke benadering het geloof laat opgaan in het gevoelmatig erbij-willen-horen, en dat lijkt me toch een ingrijpende verschraling en vermagering van het bijbels geloven.

Het doel van de Bijbel
In het Hervormd Weekblad schrijft drs. J. J. C. Dee een serie artikelen over de betekenis van de Bijbel voor ons leven. In zijn zesde bijdrage in het nummer van 1 oktober maakt hij naar aanleiding van 2 Timotheüs 3 : 16 en 17 enkele opmerkingen over functie en doel van de Heilige Schrift. Uit zijn artikel het volgende:

'Tenslotte geeft Paulus in 2 Tim. 3 : 17 aan wat het doel is van de Bijbel: "opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust". Wat is dat een prachtige omschrijving: mens Gods. De mens kan geen mooiere naam krijgen, dan dat hij mens Gods genoemd wordt. Dat betekent, dat hij de Heere God toebehoort. Hij is van de Heere en staat in Zijn dienst. Willen we zo heten: mens Gods?! Het is de grote zonde, dat we geen mens Gods willen zijn. We willen eigen baas zijn en het zelf voor het zeggen hebben. Gods genade brengt daarin verandering. Hij maakt van zondaren weer mensen van God. Dat wordt in de Bijbel verteld. En als we dan weer mensen van God zijn, dan wordt ons leven gekenmerkt door twee dingen.
1. We zijn volkomen, volmaakt. Dat betekent niet dat we een heleboel presteren en een hoog cijfer krijgen. Volkomen, volmaakt betekent: het leven is een eenheid; het hart is gericht op één ding; we hebben één richting van hart. Het leven is vaak ontzettend verward en chaotisch; er is een veelheid van dingen. We zitten met duizend kabels aan wel duizend dingen vast. Het is vaak heel moeilijk om precies te weten hoe we over van alles moeten denken en hoe we moeten handelen. Maar een christen heeft één richtpunt, één middelpunt. In de Bijbel is herhaaldelijk sprake van één ding:
– Eén ding ontbreekt u – zei Jezus tegen de rijke jongeling (Mk. 10 : 21). Het ene dat hem in de weg stond en waarmee hij breken moest was zijn rijkdom. Wat staat ons in de weg en waarmee moeten wij breken?
– Eén ding is nodig – zei Jezus tegen Martha (Lk. 10 : 11-12). Wij jagen en jachten; we draaien door en zoeken rusteloos. Eén ding is nodig: te zitten aan de voeten van Jezus, d.w.z.: de concentratie van hart en leven om dat ene middelpunt: Jezus Christus.
– Eén ding weet ik – zei die blinde (Joh. 9 : 25) – dat ik blind was en nu zie, en dat dank ik aan Jezus. Redding en behoud, leven en toekomst is er slechts te vinden bij Eén!
– Eén troost ken ik (Heid. Cat. Zondag 1): in leven en sterven het eigendom van Jezus Christus. Het leven ligt veilig in machtige, krachtige handen.
– Eén ding doe ik – zei Paulus (Filipp. 3 : 14). Hij had de eenheid in zijn leven gevonden en hij liep zijn loop naar het ene doel.
2. Zo zijn we volkomen toegerust. Daar komt het op aan: dat we goed toegerust zijn, dat onze uitrusting compleet is. Als gelovige zijn we soldaat van Christus en dragen we de geestelijke wapenrusting (Ef. 6). Eén van de onderdelen van onze geestelijke wapenrusting is: het zwaard van de Geest, dat is het Woord van God. Het wapen dat iedere christen in zijn hand moet hebben. Een soldaat droeg in zijn linkerhand het schild en in zijn rechterhand het zwaard. Met dat zwaard kon de soldaat aanvallen en zich verdedigen. Paulus zegt: neem dat zwaard in de hand. Wat voor zwaard is het? Het Woord van God. Dat wapen is onmisbaar. Kijk maar naar Jezus zelf. Hij gebruikte het in Zijn strijd met de satan tijdens de verzoeking in de woestijn. Telkens als de satan een aanval deed, nam Jezus het zwaard van het Woord en vol van de Geest sloeg Hij de aanval af. Als nu Jezus Zelf dit wapen hanteert, zullen Zijn soldaten het dan niet doen? Waar blijven we zonder dit zwaard?; verdedigingswapen èn aanvalswapen. Maar dan komt het er wèl op aan dat we ons wapen goed moeten kennen. Om volkomen toegerust te zijn, moeten we persoonlijk uit het Woord van God leven. De Bijbel moet wèl open in ons leven. We dienen aandachtig naar de Bijbel te luisteren; er helemaal bij zijn en ons er helemaal aan wijden. Willen opvangen wat het Woord zegt. Zoals een dokter met zijn stethoskoop een kind beklopt en beluistert. De twee slangetjes in zijn oren en de aandacht gespannen voor elk bijgeluid – dat treft ons in het bijzonder. Hij is een en al aandacht voor wat hij bij het kind hoort, of niet hoort. Zo moeten we de Bijbel lezen, zo moeten we acht slaan op het Woord van God – gespannen aandacht. De Deens filosoof Kierkegaard zegt over de Bijbel: Kinderen van de Vader lezen de brief van hun Vader. "Ik neem aan", zegt Kierkegaard, "dat Gods Woord ons even dierbaar is als de minnaar zijn brief; en dat wij Gods Woord met dezelfde aandacht lezen als waarmee de minnaar zijn brief leest." Want het verhaal van de Bijbel, Gods verhaal, is ons verhaal. De Bijbel en wij: het verhaal van God en de mens. God reikt ons Zijn Woord aan om ons te voeden. Neem het aan. Gebruik de bijbel als uw dagelijks brood. "Hoe goed is het, dat men de Bijbel veel leest en hoort lezen, opdat men in tijd van nood voorraad heeft" (Brakel). Neem de Bijbel tot u als uw dagelijks (geestelijk) voedsel. Leg een voorraad aan, opdat u niet zonder zit in tijd van nood. "Een huis zonder Bijbel is een schip zonder roer, een christen zonder Bijbel is een soldaat zonder zwaard" (Brakel). Het zwaard van de Geest, Gods Woord. Als soldaat van Christus ons wapen ter hand nemen, en ons oefenen om het goed te hanteren.'

Het is noodzakelijk dat we bij alle gesprekken over het gezag van de Bijbel en kwesties als uitleg en vertaling, vertolking en verklaring – hoe belangrijk ook – deze spirituele kant van de omgang met de Bijbel niet uit het oog verliezen, maar de hoogste aandacht geven. Concentratie en toerusting, wapen en kompas – in deze woorden kun je samenvatten waartoe we Gods Woord hebben te lezen. We lopen gevaar in onze tijd van verwarring en onzekerheid verstrooid te raken door allerlei kwesties en geschilpunten. Juist daarom is het zaak ons te concentreren op het ene nodige, opdat we als mensen Gods, mensen uit één stuk onze weg moeten gaan in het spoor van Hem Die ons wil leiden in Zijn Waarheid.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's