De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Van Calvijn tot Barth (10, slot)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van Calvijn tot Barth (10, slot)

9 minuten leestijd

Hoogtepunten
Graaflands foliant is waard om ook voorts van hoofdstuk tot hoofdstuk zorgvuldig gelezen en doordacht te worden. Graag nodig ik een van de collega's of andere theologanten uit om met het resultaat daarvan de kolommen van dit weekblad te vullen. Ik voor mij moet daar nu van afzien. Liever besteed ik dit slotartikel aan het vermelden van wat voor mij vanaf Dordt hoogtepunten vormden in de bestudering van dit rijkgeladen boek.
Om te beginnen vond ik het onthullend, hoe spoedig na Dordt de Remonstranten in humanistisch-sociniaanse vaarwateren verzeild raakten, en hoe de hele praedestinatieleer verzandde en als een te verwaarlozen memoriepost in het vergeetboek raakte. Moralisme en rationalisme gingen de toon aangeven. Veel minder verhuld dan bij Arminius werd de rechtvaardiging gereduceerd tot de rechtvaardiging van de boetvaardige en deugdzame gelovige, en de verkiezing geminimaliseerd tot de roeping van het Evangelie die dan ook nog weerstaanbaar is. Getroffen werd ik door twee opmerkingen die Graafland in dit verband maakt. De eerste is deze, dat de geest van het Remonstrantisme en Socinianisme in de loop van de 18e eeuw zowel binnen als buiten de kerk algemeen was! De tweede: dat in de Remonstrantse Belijdenis (1622, Episcopius) op het punt van het wezen van het geloof een verregaande overeenkomst bestaat tussen Remonstranten en Nadere Reformatie: de Remonstranten waren evenals vele Nadere Reformatoren van mening dat het verzekerd vertrouwen in de vergeving der zonden niet tot het wezen, maar tot het welwezen van het geloof te rekenen is!
Buitengewoon boeiend en leerrijk is het hoofdstuk over de theologie van Saumur, die een synthese wilde zijn tussen Dordt en het Remonstrantisme. Wat in deze richting op het eerste gezicht althans aanspreekt, is haar pleidooi voor anti-speculatieve eenvoud en voor eerbiediging van de grens der Openbaring.
Wat bij nader inzien evenwel temeer afschrikt is dat het geloof hier toch wel een behoorlijk arminiaans-voorwaardelijk karakter krijgt. De verlossing van Christus noemt Amyraut 'bestemd' voor allen (niet slechts 'genoegzaam', zoals Dordt leert!), máár op voorwaarde van geloof.
Gods heilswil is universeel, maar als de voorwaarde niet wordt vervuld, wil God het niet (hypothetisch universalisme). En omdat Amyraut staande houdt, dat het geloof vrucht van de Heilige Geest is, komt er op deze manier toch wel al te veel spanning te staan op de eenheid van Christus en de Geest. Zou de Geest immers de verzoening niet thuisbrengen op het adres van hem voor wie zij van Christus' wege bestemd is?
Frappant zijn voorts de parallellen met Barth's verkiezingsleer waarop Graafland later attendeert (blz. 526).
Bij Comrie trof ons opnieuw de toch wel extreme abstrahering en 'vereeuwiging' in zijn denken. Terwille van zijn consequente verkiezingsleer komt hij er zelfs toe om afwijkingen van de klassieke christologie op de koop toe te nemen!
'Dit kan – oordeelt Graafland – niet anders verklaard worden dan uit het gegeven dat er in Comrie's theologisch denken een zekere bewustzijnsvernauwing heeft plaatsgevonden, waardoor hij zó gericht was op de handhaving van de gereformeerde praedestinatieleer, dat andere, niet minder en misschien – in het licht van de geschiedenis van de kerk der eeuwen – zelfs nog belangrijkere componenten niet alleen in de schaduw kwamen te staan, maar zelfs voor een deel konden worden verwaarloosd en ervan kon worden afgeweken. Het typeert de versmalling van de orthodoxie in hypercalvinistische zin…' (blz. 247). Het is ook Comrie die ertoe kwam om van een rechtvaardiging van eeuwigheid te spreken. Hij deed dat om het sola gratia veilig te stellen, maar kwam dusdoende toch wel op gespannen voet met het sola fide (alleen door geloof). De Reformatoren hielden in hun rechtvaardigingsleer die twee strak bijeen!
Knap is Graafland's neerslag van zijn ontdekkingsreis door de vorige eeuw. Met een wijde blik overziet hij het veld van de theologie, en telkens houdt hij weer halt om nader toe te zien en diepteboringen te verrichten.
In het voetspoor van het befaamde 'Prediking en Uitverkiezing' van C. Veenhof haalt Graafland opnieuw het aangrijpende gegeven naar voren, dat de verkiezingsleer van Dordt niet alleen een beslissende factor was in het ontstaan van de Afscheidingsbeweging, maar van meet aan ook het voortbestaan ervan heeft begeleid als een bron van twist, tweedracht en verdere opsplitsing.
Ook wat de 20e eeuw aangaat mag Graafland's boek er zijn! Een eerlijk en voor velen onzer waarschijnlijk opwindend exposé wijdt de schrijver aan de Gereformeerd Hervormde stroming: H. Visscher, I. Kievit, J. G. Woelderink en de 'jongere generatie'. Daar kwamen voor mij heel wat verrassingen te voorschijn.
B.v. deze, dat ook bij de (latere) Woelderink het bloed kruipt waar het niet gaan kan, wanneer ook hij per slot van rekening uitkomt bij een onderscheiding die niet weinig weg heeft van de bekende 'tweeërlei kinderen des verbonds': men kan immers in de voorhof, zeg maar op het verbondserf verkeren (en verloren gaan), en men kan ook in het heiligdom ingaan, als vrucht van het werk van de Heilige Geest, zeg maar: ingelijfd worden in het wezen van het verbond! En is niet dit laatste juist precies hetzelfde als wat de klassiek-calvijnse verkiezingsleer wilde onderstrepen? Hoe intens Woelderink's waardering van het verbond ook was, ook bij hem blijkt de overmacht en de vrijmacht van de Heilige Geest, Die de verkiezing 'actualiseert' in de schenking van het geloof, doorslaggevend!
Veel schoons valt te lezen in de uitnemende opstellen over Kohlbrugge en Noordmans. Het is treffend hoezeer de geest van Kohlbrugge juist op het punt van de praesdestinatie Noordmans' geschriften doorwaait! Zo zegt Noordmans: 'Paulus' praedestinatiaanse uitspraak: "Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat" is nog niets vergeleken bij de ergernis die zou moeten ontstaan, wanneer Jezus laat merken, dat Hij tollenaren en zondaren liefheeft en brave mensen haat… Dit ligt zo ver buiten de horizon, dat wij ons vergeten te ergeren!'
Voor Noordmans is de praedestinatie maar geen onderdeel van de dogmatiek, maar de hartslag van het ganse Evangelie: 'Praedestinatie wijst aan die wijde, goddelijke gezindheid, waardoor Hij onze bestemming en toekomst bepaalt, zonder op onze deugden of ondeugden te letten'. Het is duidelijk dat Noordmans de verkiezing heel dicht bij de genade en de rechtvaardiging houdt. 'De praedestinatie leidt ons lot niet uit ons wezen af en onze zaligheid niet uit onze deugden. Zij vindt haar grond in Gods goedheid en wie haar wil leren kennen, moet haar zoeken in de beloften van het Evangelie'. Behartenswaardige woorden geeft Graafland hier door, en verhelderend is de wijze waarop hij de positie van de diepzinnige Noordmans nabij weet te brengen.
Evenzeer van hoog niveau is Graafland's weergave van en kritiek op Barth's verkiezingsleer. Heel eerlijk valt hij C. Vermeulen, die vorig jaar op deze thematiek promoveerde, bij, wanneer deze laat zien dat er heel wat meer pneumatologie in Barth's dogmatiek schuilt dan over 't algemeen wordt ingezien en dat Barth's afwijzing van een goedkoop universalisme geen bagatel is, maar diep in de 'christologisch-pneumatologische structuur' van zijn theologie gegrond is. Maar dat belet Graafland niet om scherpe kritiek te leveren op de uiteindelijke onduidelijkheid in Barth's theologie. En dan gaat het hierbij niet om onduidelijkheid en spanning die voor het strakke denken onverteerbaar zijn – dát is alleen maar kenmerk van het ware –, maar om een onduidelijkheid inzake de zekerheid van het geloof Barth spreekt nl. van een universele (objectieve) verkiezing en verzoening in Christus, èn van een actuele verkiezing door de Geest (zeg maar de subjectieve, particuliere toepassing), maar… deze actuele verkiezing van de universeel verkorene kán achterwege blijven! Enerzijds blijkt dat ook Barth het universalistisch geaarde systeem kennelijk toch niet rond krijgt, – hetgeen te billijken valt. Maar anderzijds worden – op een soortgelijke manier als in het Amyralidisme hier het werk van Christus en dat van de Geest toch wel ver uiteengelegd. Graafland laat zich dunkt me diep in zijn hart zien, als hij in dit verband van de gereformeerde verkiezingsleer schrijft, dat deze niet voor niets ook het toepassend werk van de Geest opgenomen ziet in Gods verkiezing. 'Ze doet niets af aan het christologisch gehalte van het heil, laat staan dat zij ermee concurreert. Ze accentueert juist de volkomenheid van dit heil, doordat ze ook het antwoord van het geloof erbij genomen ziet'. En wanneer Barth spreekt van de onmogelijke mogelijkheid dat een verkoren mens toch verloren kan gaan als een verworpene, acht Graafland 'deze mogelijkheid aan de uiterste rand net genoeg te zijn om de heilszekerheid op losse schroeven te zetten'!
Een geschikt moment om af te voeren. We zien hier niet alleen waar het hart van Graafland's theologie klopt, maar ook waar de slagader van de gereformeerde verkiezingsleer loopt: in de eeuwige trouw van Hem die de Eerste en Laatste is èn Dezelfde blijft (Jes. 48). Van deze verkiezende, verzoenende, toeëigenende en voleindigende God is het rechte verkiezingsgeloof zeker.

Slotopmerkingen
Tenslotte twee slotopmerkingen. De eerste is een formele en wat ondeugend: wat mij hinderlijk opviel is de spanning(!) tussen enerzijds de zorg die aan de voorname band van het boek is besteed en anderzijds de onbekommerdheid waarmee de inhoud is gecorrigeerd op zetfouten. De tweede betreft het nuttig rendement van deze studie. Dat zal nihil zijn wanneer zij functioneren zou als een bron van hernieuwde twist en gelijkhebberij. Maar optimaal zal het zijn wanneer zij als een gevarendriehoek dienen mag: is er in het consequent-logische causaliteitsdenken niet de dreiging van de overmoed gelegen? Het is kennelijk zeer wel mogelijk om in uiterste precisie en zuiverheid van Gods soevereiniteit te dogmatiseren, maar door de al te menselijk-logische invulling daarvan in de grond nu net aan het unieke en geheel eigensoortige karakter van de soevereine God afbreuk te doen. Waar het geheim wordt ontraadseld, raakt de Naam ontluisterd en het geloofsleven beschadigd. 'De Naam mag niet zoekraken in de Raad, zodat die Raad de Naam buitenspel zet en wij niet weten Wie het is die verkiest. God wordt dan lot!
Het gaat immers niet om de triomf van de rede, maar om de triomf van de genade' (L. Kievit).

Het is dacht ik deze theologisch bescheiden attitude waar Graafland in zijn Nabeschouwing voor pleit: 'We zullen ons moeten bezinnen op de theologische en evangelische waarde van het in-consequent mogen zijn in het denken van de dingen en de daden van God'. ledere grensoverschrijding is even verboden als overbodig, en even overbodig als overmoedig. De vrucht van het rechte geloof in de verkiezende God is de deemoed. Wie roemt, roeme in de Heere!

A. de Reuver, Delft

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Van Calvijn tot Barth (10, slot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's