Antwoord op vijf vragen
Naar aanleiding van een recensie van dr. Meijers
De aanleiding
Het gebeurt niet zo vaak dat een bespreking uitloopt op vragen aan de auteur van het besproken boek. Dr. S. Meijers is zo vriendelijk geweest om aan mijn rectorale rede 'Het spreken en het preken van de kerk' (Kampen 1987) een uitvoerige bespreking te wijden. Het overzicht van de inhoud en de toon van het betoog waardeer ik in hoge mate. In overleg met de eindredacteur ga ik in op de vijf vragen waarmee dr. Meijers zijn artikel besluit. Dat doe ik ook daarom met genoegen, omdat mijn artikel in 'De Waarheidsvriend' van 2 juli 1987, 'Moet de kerk niet spreken?' slechts inging op het aidsprobleem. De andere bijdragen in dat nummer van de hand van ir. J. van der Graaf en van drs. E. van Middelkoop gingen breder in op het thema dan ik verwacht had dat de bedoeling was. Mede ter aanvulling op dat artikel antwoord ik op de vragen van dr. Meijers. Ik vat nu de eerste vijf vragen samen die aan mij zijn voorgelegd.
Vijf vragen
In de eerste plaats wordt mij gevraagd of ik wel oog heb voor het feit dat de som meer is dan de delen. In feite komt deze vraag neer op de stelling dat 'de Synode als vertegenwoordiger van de kerk op haar breedst, ook vertolkster is van een wijsheid die beloofd is aan de heiligen tezamen'. Zou er dan niet meer plaats moeten zijn voor Herderlijke Brieven?
In de tweede plaats: 'moet niet duidelijker uit de verf komen dat de ambten in de kerk en het overheidsambt iets gemeen hebben, namelijk het ambtelijke-van-Godswegen?' Daardoor zouden de grenzen vloeiender zijn. Wie deze factor niet in rekening brengt, ontneemt zich de mogelijkheid 'tot protest tegen een maatschappelijke ontwikkeling als de onze, die de overheid almeer vermaatschappelijkt'.
In de derde plaats is er de vraag of de invalshoek niet te beperkt is. Wie uitgaat van het hart van het getuigenis, loopt het bijna onvermijdelijke gevaar, dat hij geen rekening houdt met en geen recht doet aan de profetie in het Oude Testament. Hij ziet voorbij aan 'de, ook het maatschappelijke leven aangrijpende, karakter der geboden'.
In de vierde plaats: waarom blijft het Oude Testament zo in de schaduw? Wij leven in een maatschappij waarin kerk en staat eigen wegen gaan. Het natuurlijke pretendeert dat het zichzelf kan regelen buiten de woorden van de kerk om. Maar, zo proef ik als bezwaar tegen deze regels door, zo verliest de kerk het zicht op wat zich in de samenleving voltrekt. De kerk verliest er ook de greep op. Als de kerk de gemeente op zonde wijst, moet ze toch tegelijkertijd spreken over de duisternissen in het volksleven. Beperkt de kerk haar taak niet tot binnenkerkelijke prediking, terwijl ze toch zeker ook geroepen is om de zonden van het volk en in het volksleven aan te wijzen? Met deze laatste zin scherp ik deze vierde vraag van dr. Meijers iets aan. Ik meen echter dat ik niet iets aan zijn vraag toevoeg. Ik haal de intentie er nog wat duidelijker uit naar voren dan hij haar verwoordt.
Tenslotte, ten vijfde, er kan wel voor meer en langduriger catechese gepleit worden zoals ik deed, betekent dat niet dat daarvoor deskundigheid nodig is? Als de kerk die deskundigheid voor de catechese in huis heeft, dan heeft ze die zeker ook in huis om in de samenleving te kunnen spreken. Een argument tegen het spreken van de kerk in de samenleving, dat gebaseerd is op gebrek aan deskundigheid, houdt derhalve geen stand.
De heiliging hoort er ook bij
Tot zover de samenvatting van de vragen. Nogmaals wil ik zeggen dat het me goed doet om over dit belangrijke onderwerp van gedachten te kunnen wisselen in zo'n open, broederlijke en stimulerende sfeer.
Ik begin bij wat in de derde vraag aan de orde komt (in de vierde is er ook iets van te proeven): is mijn methode niet te beperkt? Kom je, als je bij het hart van het evangelie begint, wel aan de geboden en aan de (maatschappij) kritiek van de profeten toe?
Mijn uitgangspunt heb ik genomen in Matth. 28 vers 19. Dat is de opdracht van de Heere Jezus om het evangelie te verkondigen, te dopen en te leren onderhouden wat Hij Zijn discipelen bevolen heeft. Deze opdracht heb ik in mijn rede de 'magnacharta' van de prediking genoemd. Het gaat over het hart van het heil, maar ook over het christelijke leven. Het gaat over rechtvaardiging én over heiliging. Ik meen te mogen zeggen dat de geboden in mijn beschouwing niet tekort komen. Ik durf dat ook daarom te stellen, omdat ik in deze rede een samenvatting heb gegeven van de praktische aanwijzingen, welke in de prediking voor het christelijke leven moeten worden gegeven. In mijn boek 'Wet en evangelie' heb ik deze praktische aanwijzingen nader uitgewerkt. Als ik het goed begrijp, betuigt dr. Meijers bij zijn vijfde vraag met dit deel van mijn betoog zijn instemming.
Ik meen dat er op dit punt tussen dr. Meijers en mij geen verschil bestaat. Dat is er ook niet ten aanzien van de vraag (zie ten vierde) of de kerk de zonden in het volksleven moet aanwijzen. Dat moet gebeuren. De duisternissen in het volksleven mogen niet onbesproken blijven.
De taak van de synode
De kernvraag is echter of de kerk dit alles via haar spreken in boodschappen, verklaringen, verzoeken, standpuntbepalingen, enz. moet doen, zich richtend tot de overheid en de samenleving. Voorzover ik de bedoeling van dr. Meijers begrepen heb, gaat het hem in het bij mij geconstateerde 'te kort, te weinig, te beperkt' vooral om dit spreken van de kerk tot de overheid en de samenleving.
Dr. Meijers voert twee redenen aan voor dit spreken door de synode. Men vindt ze genoemd onder de eerste en de tweede vraag. De synode is de vertegenwoordiger van de kerk op haar breedst, en als zodanig ook vertolkster van een wijsheid die beloofd is aan de heiligen tezamen. Vervolgens: de ambten in de kerk en het overheidsambt hebben iets gemeenschappelijks. Daardoor worden de grenzen vloeiender. Wie dit gemeenschappelijke in het oog vat, kan des te scherper protesteren tegen de huidige ontwikkeling, waardoor de overheid vermaatschappelijkt.
Ik begin met dit tweede argument. Het overheidsambt is er van Godsweg. Ik erken dat ten volle met art. 36 van de NGB. Ik ga hiervoor terug op Rom. 13 : 1-7. De vermaatschappelijking van de overheidstaak acht ik een slechte ontwikkeling. Zie de twee brochures die dit jaar van mijn hand zijn verschenen over het verval van de verzorgingsstaat (Willem de Zwijgerstichting, Apeldoorn). Het is voor mij de vraag of de kerk de overheid moet wijzen op deze onjuiste verbreding van de overheidstaak in de laatste twee decennia. Ik meen dat de politiek en met name christen-politici dat hebben te doen. Als de kerk dat in ons land in concreto zou (moeten) doen, betekent het dat ze de hele ontwikkeling tot en met de verzorgingsstaat van een geduchte en gefundeerde kritische analyse zou moeten voorzien. Het gaat hier om het staatsrecht en het programma van politieke partijen. Als we het heel concreet nemen, dan bespeur ik in officiële publicaties van de zijde van de Nederlandse Hervormde kerk geen spoor van protest tegen de vermaatschappelijking van de overheid. Integendeel, van de overheid wordt eerder nog meer gevraagd en verwacht dan minder.
Niettemin kan ik het toch als een taak van de kerk zien om de overheid op haar eigenlijke taak te wijzen, en zich niet te bemoeien met heel de maatschappelijke uitwaaiering van de zorg voor tal van terreinen, waar niet de overheid maar de burger zelf verantwoordelijkheid heeft. Dit kan de taak van de kerk heten, omdat de grote politieke partijen op dit punt verstek laten gaan, en een ontwikkeling in een verkeerde richting bevorderen. De kerk bedenke echter wel waar ze aan begint en tot hoever ze bij deze waarschuwing kan gaan. Ze zal zich moeten beperken tot het trekken van algemene lijnen. De discussie over de grenzen, taken en details in verband met de verzorgingsstaat ligt niet op haar weg.
Het bovenstaande verdedig ik niet vanwege de gemeenschappelijkheid van het ambt in de kerk en dat van de overheid, maar vanwege de eigenheid van het ambt van de overheid, waarop de kerk haar mag en moet aanspreken in situaties waarin die eigenheid ook door christelijke politiek partijen niet wordt onderkend of gehonoreerd.
En nu het eerste argument voor het spreken van de kerk: de synode als vertegenwoordiger van de kerk op haar breedst en als vertolkster van de wijsheid die aan al de heiligen samen is beloofd. Ik weet niet precies wat de reikwijdte van dit argument is. Naar mijn oordeel heeft een synode niet het recht om iets te doen, wat niet aan de kerken is opgedragen. De synode is geen superorgaan, geen directie, geen clericaal college boven de plaatselijke gemeenten. (Dr. Meijers zal het met deze uitspraken stellig eens zijn). De synode is de breedste vergadering van kerken. Al wat op de minder brede vergaderingen niet afgehandeld kan worden en al wat tot de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de kerken behoort, mag en moet door de synode behandeld worden. Een plaatselijke kerk kan zich tot de plaatselijke overheid wenden; een provinciale kerkvergadering kan zich tot de provinciale overheid wenden. Als het gaat om de overheid in het land, dan ligt het voor de hand dat de breedste vergadering der kerk – met name als het zaken betreft die heel het volk aangaan – zich tot de overheid wendt, hetzij in een rechtstreekse boodschap, hetzij via door haar benoemde en haar verantwoording schuldige deputaten. Dat verwacht mag worden dat in die breedste vergadering de wijsheid die aan de heüigen samen beloofd is, gevonden wordt, stem ik toe. In elk geval mag en moet om de vervulling van die belofte met het oog op het werk van een synode gebeden worden. Ik volg dr. Meijers voor een belangrijk deel, maar deel zijn argumentatie, met name bij de eerste en de tweede vraag niet.
De kerk is geroepen tot getuigen
De vraag blijft over: moet de kerk getuigenis geven van de waarheid, ook van de geldigheid van de geboden aan de overheid en de samenleving? Moet de kerk zonden als werken der duisternis onthullen en wegen wijzen, waarop de gehoorzaamheid aan het gebod zich beweegt?
Hierop zeg ik volmondig ja. Dit ja is gemotiveerd door de opdracht die de kerk heeft om de beloften en geboden van God, om wet en evangelie te verkondigen. In de uitvoering van deze opdracht zal de kerk als kerk moeten handelen; niet als pressiegroep, niet als de zoveelste stroming in de samenleving die samen met allerlei andere groeperingen probeert een politiek of sociaal item erdoor te krijgen. De kerk zal in haar spreken moeten (kunnen) zeggen: alzo spreekt de Heere! Dit vraagt God of dat verbiedt God! Dit geldt niet alleen vragen uit de personele maar evenzeer vragen uit de sociale ethiek. Daarbij heeft de kerk zich echter niet als een politieke partij met een bepaald programma in de discussie begeven. De kerk heeft op fundamentele gegevens te wijzen, die óf niet in acht genomen, óf overtreden worden, terwijl er nauwelijks andere stemmen klinken die deze zonden aanwijzen of tot gehoorzame liefde en tot betoning van gerechtigheid oproepen.
Als de kerk spreekt, dan doet ze dat prekend! Wat in een preek niet thuishoort, dient door de kerk in dit spreken nagelaten te worden. Hierbij besef ik dat zulk een verkondiging van het Woord Gods aan overheid en samenleving een geconcretiseerde en geactualiseerde manier van preken is. Het blijve echter een vorm van preken. Hier zoek ik ook het onderscheid met wat tot de taak van de politieke partijen, politici en politiek geëngageerde burgers behoort. Zij geven, als ze dat als christenen doen, uitvoering aan wat in de prediking wordt gezegd. Zij trekken consequenties uit Gods geboden voor het praktische, politieke en sociale leven. Met het bovenstaande heb ik ook geantwoord op de opmerking over het verschil tussen de catechese en het spreken van de kerk. Voor beide is dezelfde fundamentele kennis van de Schrift en van het (maatschappelijke en politieke) leven nodig. De door mij bedoelde catechese is niet een pendant of concurrent van politieke partijvorming. Het is onderricht en toerusting vanuit de kerk met het oog op het christen-zijn in deze wereld. Daarvoor is geen gespecialiseerde kennis nodig, wel fundamentele kennis. Ik ben het met dr. Meijers eens, dat voor de catechese van de kerk niet meer nodig is dan voor haar spreken in de samenleving. Er is niet die deskundigheid voor nodig die in politieke of maatschappelijke organisaties vereist is. Uiteraard doen ambtsdragers er goed aan zich door deze mensen te laten voorlichten.
Het zal geen tegenspraak ontmoeten dat de catechese op een andere manier plaats vindt dan het (s)preken. Bij de catechese kan op vragen en bezwaren worden ingegaan.
Ik zie een ruimer plaats voor Herderlijke Schrijvens dan in de kerken waartoe ik behoor gepraktiseerd wordt. Wel is het adres van zo'n schrijven de gemeente en niet in de eerste plaats de overheid of de samenleving. Een Herderlijk Schrijven valt onder de pastorale taak die de kerk jegens haar leden heeft te oefenen.
Ik hoop dat het antwoord de lezer duidelijk maakt, dat een eventueel verschil meer schuilt in de manier waarop en in de argumentatie waarmee dr. Meijers mijn betoog ondervraagt en van een vraagteken voorziet dan in de zaak zelf. Wij beiden nemen het op voor het getuigenis van de kerk – maar dan op kerkelijke en niet op partij-politieke wijze. Dan is dat getuigenis een gestalte van de prediking. Deze centrale stelling uit mijn rede heeft dr. Meijers – tot mijn vreugde – niet in twijfel getrokken.
J. H. Velema
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's