De verzoeking van de geschiedenis (5, Slot)
Luthers huwelijk
Voor Luther was het het meest geëigende moment, om juist in een tijd van grote chaos en verwarring, in het huwelijk te treden. Op 3 juni 1525 trouwde hij met de gewezen non Catharina van Bora, met wie hij een heel gelukkig huwelijksleven zou hebben. Waarom juist in deze tijd, in een hoogtepunt van aanvechting? In het huwelijk treden is wel het laatste wat men verwachten zou bij iemand, die naar zijn eigen zeggen elke dag de dood verwachtte te ontmoeten, en die de Jongste Dag zeer nabij wist. En toch trouwde Luther, alle spot van zijn vijanden en onbegrip van zijn vrienden ten spijt. De tegenstanders waren blij met deze 'dwaze daad'. Ze meenden dat Luther het nu wel zo bont gemaakt had, dat het wel spoedig met zijn invloed gedaan zou zijn. Wie zo handelde, kon niet meer serieus genomen worden. Zijn vrienden waren verward en bezorgd. Men begreep hem eenvoudig niet meer. En was het niet een algemeen aanvaarde opinie dat er van een huwelijk van een monnik en een non niets dan duivelsgebroed te verwachten viel? Dat die gedachte ook onder de vrienden van Luther leefde, en wellicht eveneens bij Luther zelf, mag blijken uit het opgeluchte geboortebericht dat Luther stuurt als op 7 juni 1526 zijn eersteling geboren is. Het kind is gezond en zonder gebrek. Luther schrijft een vriend: 'De kleine Johannes is vrolijk en krachtig, een groot eter en drinker!'
Overmann vraagt zich af, wat er van de Reformatie geworden zou zijn, als het eerste kind van Luther werkelijk gehandicapt geweest zou zijn. Zozeer hing het grote gebeuren van de geschiedenis kennelijk samen met het meest persoonlijke en intieme van Luthers leven.
Nog eeuwen na de trouwdag van Luther bleek er nog afkeer en onbegrip te bestaan, zoals de theoloog Ragaz, uit het begin van deze eeuw, het af deed met de volgende woorden: 'En midden tussen brandstapels en bloedstromen viert Luther bruiloft'. Hoe heeft Luther dan zelf zijn huwelijk verstaan? Het was voor hem een hoogst historische daad. Hij trouwde bewust op het moment, waarop de crisis naar een hoogtepunt, of liever gezegd dieptepunt, gelopen was. En hij deed dat om de duivel te tarten, openlijk in het aangezicht. Dat hij dit gedaan had, betekende, naar zijn eigen zeggen, dat hij ervoor gezorgd had 'dat alle engelen in de hemel lachten en alle demonen in de hel huilden'. Wat ook de wereld ervan vinden zou, het heeft hem van de vreugde van Gods instelling, want dat is het huwelijk, niet weerhouden. Hij heeft zijn Käthe ten huwelijk genomen in liefde en gehoorzaamheid, om in de chaos de duivel te trotseren. Het was zijn manier om het hoofd te bieden aan de verzoeking van de geschiedenis. Zo zou God hem op de jongste dag vinden in de stand, waarin Hij hem Zelf geschapen had, die van echtgenoot.
Vooral deze laatste motivatie is hier van belang om op te merken. Hier horen wij meer dan de uiting van een geheiligde humor in het licht van de aanvechting. Het is een belijdenis van geloof, een daad van standvastigheid, om in de chaos te blijven bij het Woord, en bij alles wat door het Woord van God geheiligd is, wat door God nog in stand gelaten wordt in deze bedeling. Omdat de God van de geschiedenis alleen alles eens nieuw maakt, is het een groot geloof om in de maalstroom van de geschiedenis, tegen alle diabolische verwarring in, vast te blijven houden aan Gods ordinanties.
De laatste grond van al wat geschiedt, ligt in Gods verborgen, 'vreemde' werk, ook de persoonlijke levensgeschiedenis van ieder mens. Zo heeft Luther het tenminste verstaan als hij in een uitnodiging voor zijn huwelijksfeest aan Leonhard Koppe, de man die Catharina met andere kloosterzusters naar Wittenberg gesmokkeld had, het volgende schrijft om zijn verrassende daad uit te leggen: 'Gott hat lust zu wundem, mich und die Welt zu närren und äffen' (vertaald: God heeft lust om Zich te verwonderen, om mij en de wereld tot dwazen te maken en beet te nemen). Dat is natuurlijk geen antwoord voor het redenerend verstand, maar wel de ootmoedige belijdenis, dat elke geschiedenis, ook de meest persoonlijke, ten diepste het karakter draagt van de verborgenheid van Gods werk, zelfs in het meest concrete.
Tenslotte
We hebben in het voorafgaande geluisterd naar de antwoorden, die in een beslissend uur van de geschiedenis gegeven zijn, om de vragen en de verzoeking van de geschiedenis het hoofd te bieden. De tijden en de tonelen kunnen veranderen, eeuwen scheiden ons van Müntzer en Luther, en toch behouden hun antwoorden ook voor ons een hoogste actualiteit. Ook wij beleven de geschiedenis onder een eschatologische spanning. Ook wij worstelen met de vragen van de plaats en verantwoordelijkheid van de mens in het gebeuren van de eindtijd. Bij Müntzer lijkt er voor hem een veel beslissender plaats ingeruimd dan bij Luther. De komst van het heilsrijk hangt van zijn inzet af, een gedachte die in gematigde of extreme vorm ook vandaag veelal gekoesterd wordt. Müntzer ziet de gelovige, als de ware mens, geroepen tot de voltrekking van Gods gericht, om de wereld te zuiveren van alle boze elementen. Hij heeft al zijn invloed aangewend om hoog en laag mensen te werven die het Godsrijk op aarde verwerkelijken zouden. Luther blijft zich ervan bewust dat de geschiedenis niet het toneel is van een strijd die door mensen wordt beslist. Het is ten diepste de strijd tussen God en Satan. Het eigenlijke gebeuren van de geschiedenis ligt op een veel hoger niveau, in de verborgenheid van Gods regering. Daarom wordt er aan de mens geen overspannen verantwoordelijkheid toegekend. De plaats van de mens is bescheiden, en toch niet onbelangrijk. Zijn werk is echter nooit opvallend en spectaculair. Het is meer het werk van de binnenkamer. Wanneer hij van daaruit naar buiten treedt, kent hij zijn plaats voor God en in de wereld. In alle bescheidenheid vult hij trouw zijn roeping op de plaats waar God hem stelt, totdat hij wordt afgelost. De gelovige is geroepen om op het veld van de geschiedenis in nuchtere eenvoud en verwachting uit te zien naar de 'lieve jongste dag'. Zolang God die nog niet doet aanbreken, heeft hij gehoorzaam te leven naar het Woord, in geestelijke en wereldse zaken.
Luther wil deze wereld en deze geschiedenis, hoe donker ook, niet inruilen voor een menselijke fictie van heilsgeschiedenis, die in werkelijkheid niets dan onheil brengt. Hij wil de dijken niet door laten steken, om het land van de geschiedenis te overstromen door een eigengemaakte voleinding der dingen. Luthers eschatologie kent eigenlijk geen echte en volle heilsgeschiedenis vóór het einde der tijden, waarin straks God zal zijn alles en in allen. Toch is er in de geschiedenis wel degelijk sprake van aanwezigheid van heil, in het Regnum Christi, het Rijk van Christus door Woord en Geest. Maar dat is een verborgen rijk. Dit verborgen rijk nu is voor Luther het grote geheim van de geschiedenis. Het wordt als een wonder geheim gekend en bewaard, in het geloof dat zekerder is van wat het niet ziet, dan van de alom relevante werkelijkheid. Omdat het geheim zo kostbaar is, daarom moet de verzoeking met alle macht weerstaan worden, dat men poogt het zichtbaar te maken in de gestalte van een historische, menselijk maakbare realiteit. In de visie van Müntzer is er eigenlijk geen plaats meer voor geloof, als de zekerheid van de dingen die men niet ziet. En dat geloof is voor Luther, zeker waar het gaat om het hart van de rechtvaardiging, van levensbelang, in het aangevochten mensenhart en in het grote gebeuren van deze wereld.
Zo verzet Luther zich tegen elke dadelijkheid van menselijke zelfrechtvaardiging, waar die zich voordoet op het terrein van de geschiedenis. Geloof is niet dat willen doen, wat God Zichzelf uitsluitend heeft voorbehouden, maar alleen wat Hij ons in Zijn Woord heeft geopenbaard. Dat betekent in alle verbanden waarin God de mens stelt een leven van geloof, liefde, gebed, kruisdragen, en trouw bewaren wat God bewaard wil hebben. En dat alles in het verlangen naar het moment waarop het klinken zal: 'Zie, Ik maak alle dingen nieuw'. Müntzers antwoord zal soms wel eens een nodige correctie kunnen zijn, waar er sprake is van een ongelovige, heilloze passiviteit. Maar het voldoet niet, omdat het in de mens blijft steken, die zoveel moet en zoveel doet. Het is een opheffing van de spanning die in de geschiedenis blijven moet, 'totdat Hij komt'. In de lijn van Luthers opvatting kan het misschien wel eens gekomen zijn tot de karikatuur van het geloof, een aangepast, heilloos conservatisme, dat de bestaande werkelijkheid maar al te graag accepteert. Dat neemt echter niet weg, dat het antwoord dat de reformator gaf, ons ook vandaag het beste helpt om de verzoeking van de geschiedenis te wederstaan, om te blijven wandelen in geloof en niet vooruit te grijpen in aanschouwen.
Tussen de overspannen activiteit vaii de realisering van een Godsrijk op aarde, en de verwachtingsloze passiviteit van een vlucht uit de werkelijkheid staat de gelovige in de stroom der tijden, in een verwachtingsvol geloofsactivisme, dat ook heel concrete gestalte kan krijgen (denk aan Luthers huwelijk). In de verzoeking van de geschiedenis leeft de verwachting zoals die verwoord is in de Avondzang:
'Houd ons gemoed voor U bereid
Opdat het blij Uw komst verbeid,
Daar 't in een stil vertrouwen leeft,
Dat Gij ons onze schuld vergeeft.
Bescherm ons in een bange tijd
Van zielsverzoeking en van strijd
Laat nooit de boze vijand toe,
Dat hij ons enig' hinder doe.'
M. A. van den Berg, Harderwijk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's