De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

’Tot zinken gereed!’

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

’Tot zinken gereed!’

6 minuten leestijd

'Zeg verder tot hen: o zegt de HEERE: Zal men vallen, en niet weer opstaan? Zal men afkeren, en niet weerkeren?'Jeremia 8 : 4

'Want, o HEER, ik ben aan 't zinken en tot hinken ieder ogenblik gereed;' Hinken en zinken, vallen en afdwalen! Ben ik ver mis, als ik beweer dat menig kind des Heeren hierop moet zeggen: 'Dat is mijn leven!, want het goede dat ik wil, doe ik niet en het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik!' Leeft dan ook in uw hart niet de vurige begeerte, het heftige verlangen om het anders te willen? Wat zou dat een bijzondere zegen zijn, om nu nooit meer te hoeven struikelen, nooit meer te vallen, nooit meer te hoeven zondigen, maar met opgeheven hoofd te bewandelen het pad des levens. Nee, laat nu niemand meteen zeggen, dat toch geen mens volmaakt is en dat wij mensen niet beter kunnen en niet meer kunnen, dan we nu doen. En zegt u ook niet dat al Gods kinderen toch eigenlijk maar wat stumperig hinken en dat het zelfs bij de meest vromen toch nog gaat met vallen en opstaan. Wij zijn zo geneigd zulke 'verontschuldigingen' aan te voeren. Maar worden ze niet daarom aangevoerd, om onszelf toch in ieder geval wel wat vrij te pleiten? En is het vermoeden onjuist, dat wij door zo te spreken wij ons eigenlijk nog niet zo heel diep schamen over ons hinken en zinken, ons vallen en afdwalen? Weet u dat u geroepen bent tot een wandelen in de wegen van de Heere, waar geen mens onderuit komt! En áls u meent er wel onderuit te kunnen, dan is uw levenshouding gelijk aan die van hen, aan vde de profeet Jeremia de veroordelende woorden van onze tekst moest spreken. 'Zal men vallen en niet weder opstaan? Zal men afkeren en niet wederkeren?' De Heere wil hiermee zeggen tot Israël, maar ook tot u en mij: 'Kijk, als iemand langs de weg wandelt en ten val komt omdat hij niet wel ter been is of omdat hij in een kuil stapt, dan zal hij niet maar lijdelijk blijven liggen langs de kant van de weg, maar in ieder geval proberen om op te staan en zijn weg te gaan vervolgen. En als iemand verdwaald is, gaat hij toch niet bij de pakken neerzitten aan de kant van de weg, maar zal hij niet rusten. Voor hij weer op de goede weg is. Dat is toch duidelijk, dat spreekt toch vanzelf! Maar zie nu het volk van Juda. Ze waren in grote zonden gevallen, ze lagen teneer in goten van ongerechtigheid, maar ze probeerden niet weer op te staan op de roepstem van de Heere, ze waren van het pad van de geboden van de Heere afgedwaald, maar ze probeerden niet weer op de rechte weg terecht te komen. Ze bleven voortgaan op hun dwaalwegen en de roepstemmen die van de kant van de Heere tot hen kwamen gaven ze geen gehoor. Ze bleven in hun zonden liggen, ja, zonken al dieper weg in de diepte van zonde en ongerechtigheid. Wat ligt hier voor ons allen een ernstige waarschuvidng in deze tekst! Tot hinken en tot zinken is Gods liefste kind ieder ogenblik gereed! Niet waar? Denken we hier allen niet onviillekeurig aan de man naar Gods hart, David? Hoe diep, hoe ontzaglijk diep is deze psalmdichter, herder en koning gevallen. Het mag wel onze dagelijkse bede zijn, dat de Heere ons bewaart voor zo'n zware val, want zijn wij beter dan David? De zonde, die in David's leven openbaar kwam, woont in ons aller hart. En het is enkel en alleen de genade, de bewarende genade van de Heere, als een mensenkind voor uitbrekende zonden bewaard blijft. Ik denk in dit verband oook nog aan een ander lief kind van de Heere, Simon Petrus. Hoe is het mogelijk, dat deze 'rots', deze Petra, zo diep kon vallen en kon komen tot de verloochening van zijn geliefde Meester! O, één ding wordt ons meer dan duidelijk: ook 'eikenbomen' kunnen vallen. En hoewel voor de wereld de zonde van David veel ernstiger schijnt te zijn en zij de beschuldigende vinger menigmaal naar David uitsteekt, doet de verloochening van Petrus, een zonde die voor minder zwaar wordt gezien, hem niet minder schuldig staan voor het aangezicht van de Heere. Van beiden geldt: 'De helden, hoe zijn ze gevallen!' Maar laten we nu eens letten op hun diepe berouw over hun zondige vallen. Nee, we horen David niet zeggen: 'geen mens is nu eenmaal volmaakt, ik ook niet. Nee, in Psalm 51 klaagt hij het uit in een innige, diepe klacht: 'Tegen U, U alléén heb ik gezondigd en gedaan dat kwaad is in Uw ogen'. Hij belijdt het, dat er een bloedschuld op hem rust. Nee, we horen Petrus niet zeggen: 'het zijn de omstandigheden, die mij drongen tot het verloochenen van Christus'. Nee, toen de Heere Jezus hem aanzag met ogen vol mededogen en ontferming, strompelde de 'rotsman' naar buiten en in de eenzaamheid van de stille nacht weent hij bitter en iedere traan die hij schreit is een traan van berouw over zijn bedreven kwaad. En zou het niet zo zijn, dat Petrus staande is gebleven in die nacht, omdat hij wist van de belofte van de Heere Jezus: 'Petrus, Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude!' Vallen… zinken… hinken… Gods kerk op aarde weet ervan tot haar schande en droefheid. O, wat kan veel ons doen vallen op de weg des levens. Dat hart van ons is geneigd tot alle kwaad en vaak is het zo, dat je gevallen bent voordat je het weet. Hoe sluw is ook de duivel, die op alle mogelijke manieren Gods kind ten val probeert te brengen. Vallen… zinken… hinken… Gods kerk weet ervan! Maar blijft zij in haar val liggen, als eenmaal in Jeremia's tijd het volk van Juda? O, ik bid, dat niet eens het woord van onze tekst u of mij zal gelden of reeds geldt. Als u gevallen bent, als u dwaalwegen gaat, kom toch met uw zonde en schuld tot de Heere Jezus. Hij strekt Zijn doorboorde, genadige handen uit naar een ware boeteling om hem te doen opstaan uit zijn val. Zijn milde handen ondersteunen en dragen een David, een Petrus, u, jou en mij als wij als een kind leren vragen: 'Vader, om Christus' wil en om Zijn wil alleen: Houdt Gij mijn beide handen, met kracht omvat en wil mij zo voor struikelen behoeden en bewaren voor de val. Amen.

ds. J. H. Daalen, Oud-Alblas

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

’Tot zinken gereed!’

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's