Uit de pers
Milieubeheer
In een themanummer 'Over de schepping gesproken' van het blad Daniël (16 okt. 1987) trof ik een vraaggesprek aan met prof. dr. ir. E. Schuurman, bijzonder hoogleraar in de Reformatorische wijsbegeerte (Delft, Eindhoven, Wageningen). Schuurman ziet de achtergrond van het milieuprobleem in een aantasten van de grondslagen van een gezonde natuur, een aanslag op Gods schepping. Het gaat niet aan om zondebokken te zoeken (bijv. mensen die aan het verkeer deelnemen, of mensen, die landbouw bedrijven), het is veeleer een gegeven dat samenhangt met de crisis in onze kultuur, waarin mensen zich gedragen als autonome heersers. Ook christenen gaan volgens Schuurman niet vrij uit. Zij hebben te weinig weerstand geboden tegen de geest van hen die hun eigen koninkrijk wilden vestigen. De interviewer stelt dan de vraag: Maar hoe is die situatie dan om te buigen? Schuurman:
'Er zullen veel christenen zijn die zeggen: ik ben het met die Schuurman wel eens, maar ja, we kunnen niet terug. De boer kan bijvoorbeeld niet terug achter de kunstmatige inseminatie (KI).
Ik heb begrip voor dit standpunt. Het milieuprobleem is ook eigenlijk een wereldprobleem. Via de politiek, zelfs de nationale politiek, zijn geen definitieve oplossingen te treffen, omdat iedereen zegt dat we onze konkurrentiepositie niet mogen verliezen. Dat is waar, daarom zal er in internationaal verband wat moeten gebeuren. Maar zelfs als dat niet gebeurt, betekent dat voor een christen alleen maar – in Bijbels licht gezien – dat we steeds meer in een kultuur gekomen zijn, die een totaal van God vervreemde kultuur is.
God is vergeten in de kultuur. Als je dat goed tot je door laat dringen dan is belangrijker voor een christen dat hij God niet vergeet, dan dat hij meteen weet welke konkrete maatregel je moet nemen om milieuvervuiling en natuurverwoesting tegen te gaan. De diepste grond van de problemen is namelijk de Godvergetenheid. We moeten vanuit heel andere motieven gaan leven.
Vanuit welke motieven wordt er dan geleefd?
In de wetenschap is het altijd: kennis geeft macht. In de techniek: techniek om de techniek, ofwel het motief van de technische perfektie. In de ekonomie: materieel gewin en de macht van het geld. In de landbouw: onze naam en faam mag er niet aan.
Vanuit welke motieven moet er dan geleefd worden?
In het licht van de Bijbel gezien is het motief in de wetenschap niet macht, maar wijsheid. Dat van de techniek is niet in de eerste plaats bouwen, bouwen, bouwen… maar is bouwen én bewaren. In de landbouw is het niet alleen oogsten, want dat loopt uit op uitbuiting en roofbouw. In de landbouw – daar zie je dat vandaag de dag het milieuprobleem zich erg toespitst – is het oogsten én hoeden en verzorgen van de natuur.
In de ekonomie is het ekonomie bedrijven als rentmeester. Dus als je de Godvergetenheid vaarwel zegt en zegt dat je voor Gods aangezicht moet leven, dan zie je ineens dat we ons in allerlei sektoren van onze kultuur door een ander motief moeten laten leiden.
Waar komen die motieven op neer?
Kort gezegd komen al die motieven samen in het liefhebben van God en het liefhebben van de naaste. Dat betekent dat je andere normen in rekening brengt als je daaruit handelt.
In onze huidige wetenschappelijk-technische kultuur, waar de milieuproblemen aan verbonden zijn, gaat men uit van normen als: het moet van nut zijn voor de mens, de welvaart moet ermee worden bevorderd en er moet zo efficiënt mogelijk geproduceerd worden. Men let alleen maar op het produktieproces, niet op wat er omheen gebeurt.
Als je vanuit bijbelse motieven kijkt naar de normen dan is de allereerste norm dat God een weg gegeven heeft voor ons zondige mensen in een wereld die ook door de zonde gekenmerkt wordt. God heeft richtingwijzers gegeven, niet in de zin dat we van de gevolgen van de zonde (doornen en distels) verlost zullen worden. Nee, niet om de problemen op te lossen, maar om ze binnen de perken te houden. Daarom gelden Gods geboden.
Als we in eigen kracht de problemen en gevolgen van de zondeval te boven willen komen met wetenschap en techniek dan zie je zelfs het omgekeerde: de problemen worden zo groot dat je zelfs spreekt van natuurvernietiging.'
Het is Schuurmans verdriet en zorg dat de christenen de ontwikkelingen te argeloos over zich laten komen en zich teveel aanpassen. Vreemdelingschap betekent overigens voor hem geen wereldmijding, maar een omgaan met techniek en wetenschap vanuit het motief van Gods wet. Dan gaan we andere prioriteiten stellen dan in onze wegwerpkultuur. Over milieu-organisaties merkt hij op:
'Een milieuorganisatie kan signaleren en blinde vlekken aanwijzen. Ik zie ze echter niet als organisaties die een ommekeer in onze kultuur kunnen bewerkstelligen. Ze kunnen ons wel wakker schudden. En wat de manier van optreden betreft: wij zullen nooit gaan demonstreren, want daarbij kunnen dingen uit de hand lopen. Wij kunnen onze visie publiek maken via de christelijke scholen en christelijke politieke partijen. Maar milieu-organisaties doen veel goeds, hoewel je uit moet kijken of een organisatie niet een ideologische grondslag heeft die in strijd is met het christelijk geloof.
Laten christenen het milieuprobleem niet tevee 'links' liggen, zodat ze alleen maar spreken over abortus en euthanasie?
Dat is een groot gevaar. We moeten deze christenen helpen om in te zien dat dezelfde demonische ontwikkeling ook zit in de kernwapentechnologie en in de moderne landbouw. We willen van nature graag allemaal gerechtvaardigd worden omdat we op één punt nog goede werken denken te doen, maar dat is niet gereformeerd!
U hebt even de 'wegwerpkultuur' ter sprake gebracht Ligt in de techniek zelf al besloten dat de schepping geweld aangedaan wordt en we in zo'n kultuur leven?
Vaak wordt gezegd dat de techniek zelf neutraal is, maar dat de mens zondig is en de techniek verkeerd gebruikt. Dat is een heel slechte visie. De techniek heeft in zich een verleidelijke aantrekkingskracht. Ik geloof dat het een duivelse list is om ons als christenen te doen geloven dat techniek neutraal is.
De techniek gaat vaak de weg op van God naar de kroon steken. De filosoof Sprengler heeft daarvan gezegd: "De techniek is eeuwig als God de Vader, ze verlost ons als de Zoon en ze heiligt het leven als de Heilige Geest".
En Heidegger zei dat de techniek de mogelijkheid geeft een wereld te scheppen die we helemaal naar ónze hand kunnen zetten.
Mens en techniek kun je niet uit elkaar halen. Onze zondige geestesgesteldheid projekteert zich in de techniek, met als gevolg ook de milieuvervuiling.'
Dr. A. Kuyper 1837 – 29 oktober – 1987
De herdenking van de 150e geboortedag van Abraham Kuyper, theoloog, politicus, journalist, historicus is door het blad Kerknieuws aangegrepen om de lezers een fraai themanummer te doen toekomen met artikelen van dr. G. Puchinger, prof. dr. K. Runia, dr. P. L. Schram, prof. dr. W. v. 't Spijker en dr. R. H. Bremmer. Wie Kuyper zegt denkt aan de Doleantie, aan zijn politieke loopbaan, aan zijn uitvoerige werken over de algemene genade, verhouding kerk en staat, de eredienst, aan zijn meditaties, waarin volgens sommigen een heel andere Kuyper om de hoek komt kijken dan de theoloog-politicus.
Uit het artikel van dr. G. Puchinger, die memoreert wat er met Kuyper in Beesd gebeurd is, nemen we hier een fragment over. Kuyper mag dan in Leiden gestudeerd hebben, de Kuyper die wij kennen stamt, zegt deze historicus, uit Beesd. Puchinger laat zien dat het niet aangaat om te beweren dat Kuyper in Leiden een modern theoloog zou zijn geworden, eerder raakte hij veel kwijt van de 'oude schat' zoals hij het uitdrukte, zonder daar aanvankelijk iets voor terug te ontvangen. Van grote invloed op hem werd de lezing van een Engelse roman. De erfgenaam van Redclyffe. De lezing ervan bracht hem, aldus Puchinger, tot een ethische bekering, bestaande uit het inzicht dat ook hij met al zijn wilskracht een zondig mens was, die genade nodig had.
'Het jeugdgeloof dat hij van thuis had meegekregen, was door de Leidse colleges danig verwoest. Aan zijn verloofde schreef hij op 22 maart 1863: "Eerst was ik een kind, – eenvoudig en vroom, zoo als een kind dat zijn kan. Men liet mij daar te lang in, vormde geen overgang naar de wereld en de jongelingsjaren, – en toen kwam de schok, – dat kinderlijk geloof viel, en 't kostte me geen tranen, – en toch Jo! met dat kinderlijk geloof verdween de eigenlijke godsdienst uit mijn ziel. En toch dat geloof had ik nog lief. Zelf had ik 't niet meer – maar in jou vond ik 't terug. Eens was ik dwaas genoeg, ook in jou dat beeld van mijn kindsche jaren te willen verwoesten. Nog heb ik me bijtijds bedacht. – Nu eerst begreep ik, hoe mijn waanwijsheid je moest gestooten hebben, je godsdienstig hart hebben gegriefd".
En hoe begrijpelijk dat de jonge Abraham Kuyper dit alles zó aan háár schreef want anders dan dr. J. C. Rullmann ons meedeelde was Kuypers verloofde niet "een nog geheel ongeloovig, wereldsch meisje", maar orthodox gebleven, al had ook haar kinderlijk geloof zware schokken doorstaan door Brams vele brieven, waarin hij haar gedurig opwekte haar geloof meer kritisch te beleven, anders dan het orthodox gebleven eenvoudig gelovige volk.
"Van dat oogenblik af was ik orthodox van levensgrond, zonder het zelf te weten", schreef Kuyper op 5 april 1867 in een terugblik aan Groen van Prinsterer, en vervolgde: "De verlichting onbrak mij, 't hart had nog geen lichtstraal geworpen op het intellect".
Geloofsgemeenschap
Zo kwam de jonge Abraham Kuyper, zoals hij zelf in zijn afscheidspreek van 3 november 1867 sprak, "neigende tot het Evangelie" naar Beesd. Zijn intredepreek van 9 augustus 1863 is één roep en vraag om oprechte geloofsgemeenschap met zijn nieuwe gemeenteleden. Zijn hart stond naar hen open, maar hoe anders zou alles gaan dan hij verwachtte!
Want het waren juist de allereenvoudigste boeren en arbeiders waarmee de jonge predikant zijn diepste contacten schiep. Het waren, naar Kuyper in 1873 in zijn Confidentie op pagina 44 vermeldt, malcontenten, over de kerk en het daar verkondigde verontrusten, waarvan sommigen uit protest reeds niet meer ter kerke gingen, die hij op huisbezoek ontmoette, die hem het meest aanspraken, maar op welke wijze!
Terwijl hij in Leiden door zijn hoogleraren aanhoudend geprezen was vanwege zijn voorbeeldige ijver en opmerkelijke studieresultaten, werd hij door deze eenvoudigen scherp berispt, omdat hij naar hun overtuiging de eenvoudigste en diepste waarheden des geloofs aangaande zonde en genade niet begreep of ook maar kende. "Ik kon mij met mijn povere bijbelkennis, die ik aan de Academie opdeed, niet met deze eenvoudige lieden meten", schreef Kuyper later in zijn Confidentie.
Er deden zich dramatische tonelen voor, als het weigeren van een hand aan de dominee door de toen nog jonge, arme arbeidersdochter Pietje Baltus. Het grote, het mijns inziens zeer grote van de jonge Abraham Kuyper is geweest, dat hij, de zeer geleerde jonge doctor uit Leiden, zich na het weigeren van die hand en de stugge ontvangst door menig orthodox gemeentelid, zich niet beledigd afwendde van deze ook in die dagen wat uitzonderlijke gemeenteleden, en verhalen verspreidde over onheuse bejegening, maar dat hij deze reactie religieus begreep en aanvaardde als een binnen de kerk rechtmatige daad, ook nu deze tégen hem gekeerd was; dat hij bleef aandringen op contact, en dat het tussen hem en die allereenvoudigsten tot diepgaande gesprekken is gekomen.
Brood voor het hart
Leiden had hem – wat waarlijk niet weinig was – tot een bekwaam theoloog opgevoed, maar wat het hem onthouden had was "Brood voor het hart". Dat hebben die allereenvoudigsten in Beesd hem geschonken, waarover hij later zou schrijven: "Ik heb mij niet tegen hen gesteld, en ik dank nog mijnen God dat ik die keuze deed. Hun taaie volharding is mij de zegen voor mijn hart, het opgaan van de morgenster voor mijn leven geworden".'
Puchinger ziet Kuyper als een voorbeeld van het feit dat eerst een gemeente een jonge dominee moet opvoeden, aleer een kersverse academicus een gemeente kan bouwen. Over de betekenis van Kuyper denken wij, zo laat Runia in zijn artikel zien, genuanceerder dan zo'n vijftig/zestig jaar geleden, toen Kuyperherdenkingen één triomfantelijk loflied waren. Runia omschrijft de betekenis van Kuyper voor de ontwikkeling van de Gereformeerde kerken maar registreert ook schaduwkanten: De kerk heeft bij Kuyper toch sterk autoritaire trekken; zijn visie op de wedergeboorte kan snel leiden tot oppervlakkigheid, terwijl zijn kultuurvisie, hoe groots ook, ook verzoekingen in zich borg om te verwereldlijken. Schram schetst Kuyper als 'roerganger van de Doleantie'. Wie zijn revolutionaire optreden tijdens de Doleantie – met alle tragische kanten – naar voren haalt loopt gevaar waardevolle elementen uit zijn erfenis te vergeten. Kuyper is meer dan de – mislukte – Doleantie. Van 't Spijker poogt in een fraai opstel Kuypers betekenis voor het gereformeerde kerkelijk leven te schetsen en meent dat we ten overstaan van de moderne theologie met haar visie op de Schrift, de genade en vooral de belijdenis van de Christus Gods veel van Kuyper kunnen leren. Ook Bremmer schetst met betrekking tot de charismatische leider, die Kuyper was, een portret waarin kritiek en waardering voorkomen. Er is z.i. reden tot herwaardering van Kuyper. Hij moge met tal van zijn ideeën de Bijbel en de gereformeerde belijdenis overvraagd hebben (te denken valt aan zijn gemeene gratie-leer), anderzijds bevat bijv. zijn Catechismusverklaring E. Voto tal van elementen die ook in onze tijd van waarde blijven. Als één van de 'erflaters van onze beschaving' (Jan en Annie Romein-Verschoor) blijft Kuyper een figuur zonder wie het huidige kerkelijke en politieke leven niet denkbaar is.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's