De Heilige Geest, Zijn werk, vruchten en gaven (3)
4. De Heilige Geest en Zijn vrucht(en)
De Bijbel spreekt behalve over het werk van de Heilige Geest ook over de vrucht van de Heilige Geest. Dat gebeurt dan in de zin van art. 24 van de N.G.B., waarin wij belijden dat het geloof de mens maakt tot een nieuwe mens en hem doet leven in een nieuw leven en hem vrijmaakt van de slavernij van de zonde.
Over dit leven van de heiliging spreekt de Bijbel geregeld met het beeld van vruchten die groeien. Ik noem in dit verband de gelijkenis van de wijnstok en de ranken uit Joh. 15. Christus is de ware Wijnstok en de discipelen, de gelovigen, worden de ranken genoemd. Aan de ranken groeien de nieuwe druiven, de vruchten van de wijnstok. Zo is het ook in het geloofsleven. In het leven van de gelovigen stuwt de Heilige Geest levenwekkende levengroeiende krachten, die de vruchten van het geloof doen komen. Zonder die vruchten is het geloof een dood geloof, dus geen geloof. Denk aan Jak. 2 : 17: 'Alzo ook het geloof, indien het de werken (de vruchten) niet heeft, is bij zichzelf dood'.
Paulus spreekt over de vrucht(en) van de Geest in Gal. 5 : 22 en noemt daar de liefde, de blijdschap, de vrede, de lankmoedigheid, de goedertierenheid, de goedheid, het geloof, de zachtmoedigheid en de matigheid. In Efeze 5 : 9 noemt hij goedigheid, rechtvaardigheid en waarheid. In Gal. 5 staan de vruchten van de Geest tegenover de werken des vleses (vers 19-21) en in Ef. 5 staan zij tegenover de werken der duisternis (vers 11).
Het zal ons duidelijk zijn dat de Schrift zeer veel nadruk legt op dit leven der heiliging als onlosmakelijk verbonden met de rechtvaardiging. Ook in allerlei andere bewoordingen wordt hierover gesproken, zoals in Ef. 4, waarin over het aandoen van de nieuwe mens wordt gesproken en in Rom. 8 waarin over het wandelen door de Geest wordt gesproken. Paulus eindigt zijn brieven dan ook steeds met een oproep tot levensheiliging en geeft dan verschillende konkrete voorschriften. Dat is het wat onze belijdenis bedoelt in de Heidelbergse Catechismus, vraag en antwoord 86, waarin van de Geest gezegd wordt dat Hij ons, nadat Christus ons heeft vrijgekocht, tot zijn evenbeeld vernieuwt.
Dat geldt voor ons persoonlijk leven. Zodat in onze levenswandel duidelijk mag zijn dat we niet beter zijn dan de wereld, maar wel anders. Dat geldt ook voor het leven van de gemeente als boven-persoonlijk en inter-persoonlijk verband. De gemeente wordt in de Schrift voortdurend aangesproken op haar heilige levenswandel. De gemeente is toch een licht in de wereld, is toch een stad op een berg? (Matth. 5 : 14). Een gemeente is immers een geroepen gemeente, naar haar grondbetekenis; geroepen uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht om te verkondigen de deugden van Degene, die haar riep (1 Petrus 2 : 9). Van de gemeente mag wat verwacht worden. Mag verwacht worden dat Christus in haar woont, dat de Geest in haar werkt, en dat haar naam geen loze pretentie is, maar werkelijkheid, door Gods genade. Gemeenteleden dienen toch levende stenen te zijn van het geestelijk huis, dat God bouwt? (1 Petrus 2 : 5). We dienen dit appèl tot levensheiliging niet naast ons neer te leggen. In de zgn. evangelische groepen wordt daar mogelijk een te exclusief accent op gelegd, maar dat komt misschien, omdat het in de kerk te veel ontbreekt. Mag ik u vragen of er in uw hart een vurig verlangen is naar een levende gemeente? Een gemeente, die biddend, wervend, getuigend, evangeliserend, diakonaal in de wereld staat? Is op dat punt geen reveil nodig in het midden van de kerk? De kerk is instituut, zeker, dat is geen min-punt, maar de kerk dient als instituut ook een levend organisme te zijn. Zijn wij dat? Ook als ambtsdragers?
Ik bedoel nu niet, dat we in een soort heiligheidsstreven trachten Gode te behagen. Geen mens kan iets laten groeien. Dan vervallen we in een nieuw soort wetticisme en eigengerechtigheid. Ik bedoel dat we de boodschap van de gelijkenis van de wijnstok en de ranken in die zin verstaan, dat het onze grote zorg moet zijn dat we uit de Wijnstok leven, Jezus Christus. Dat we met Hem verbonden zijn, zodat we instrument, rank zijn voor zijn vrucht. Dan is de levensheiliging geen eigen werk, hoewel we voor 100% worden ingezet, net zoals een rank, maar dan is het Christus' werk, het werk van Zijn Geest. Dan staat niet de christen centraal, maar Christus, die ons gegeven is tot wijsheid van God, tot rechtvaardigheid, en ook tot heiligmaking, ja tot volkomen verlossing (1 Cor. 1 : 30). Dan gaat het ook niet om allerlei geboden en verboden, maar veel meer om een gezindheid. 'Laat dat gevoelen in u zijn, hetwelk ook in Christus Jezus was (Fil. 2 : 5). Veelzeggend is dat in Gal. 5 over deze vrucht van de Geest in het enkelvoud gesproken wordt. Niet vruchten, maar vrucht. D.w.z. de éne vrucht hangt aan de andere. De éne kan niet zonder de andere. Omdat het niet om enkele afzonderlijke voorschriften en gedragswijzen gaat, laat staan een casuïstiek van geboden en verboden, nog veel minder om moralisme, maar om de gezindheid van het hart. De vrucht van de Geest is één, omdat het werk van de Geest één is en omdat het hart eenvoudig, ongedeeld is.
Vruchten moeten groeien. Dat is ook met deze vrucht(en) zo. Ze hebben voeding en verzorging nodig. Laat ons leven de voeding van het Woord en de verzorging van de Geest mogen krijgen, laten we in dat licht ook onze ambtelijke taak verstaan, opdat de vruchten mogen rijpen naar de eeuwigheid.
5. De Heilige Geest en zijn gaven
We willen als laatste onderdeel van deze inleiding nog samen stilstaan bij de gaven van de Heilige Geest, in de Schrift meest 'charismata' genoemd. De Heilige Geest beschikt over een onuitputtelijke fontein van deze charismata en wil ze uitdelen in het midden van de gemeente, zoals we daarover kunnen lezen in het N.T. In de goede zin van het Woord zouden we daarom van een 'charismatische gemeente' kunnen spreken. Reeds Joël had over deze rijkdom van Geestes-gaven geprofeteerd en Petrus in zijn prediking op de Pinksterdag grijpt daarop terug en zegt: 'En het zal zijn in het laatst der dagen dat Ik van mijn Geest zal uitstorten op alle vlees en uw zonen en uw dochters zullen profeteren en uw jongelingen zullen gezichten zien en uw ouden zullen dromen dromen' (Hand. 2 : 17). Elders, b.v. in 1 Joh. 2 : 20 vv wordt over de zalving van de Heilige Geest gesproken, waaraan de gelovigen deel hebben, waardoor ze evenals koningen, profeten en priesters in het O.T. begiftigd worden met allerlei bekwaamheden. De Geest neemt in het uitdelen van de gaven mensen in zijn dienst om zijn werk in deze wereld te volbrengen.
We vinden in de brieven van het N.T. verschillende lijsten met vermelding van de gaven. We vinden die in Rom. 12 : 7-8, in 1 Cor. 12 : 8-10, in 1 Cor. 12 : 28 en in Ef. 4 : 11. Daar worden gaven genoemd als wijsheid, kennis, profetie, gezondmaking, tongentaal, dienen, enz. Je zou kunnen zeggen: de gaven van de Heilige Geest zijn dié bekwaamheden die de Heilige Geest aan de gelovigen schenkt, met het doel om de gemeente te bouwen. Prof. Berkhof zegt daarvan, dat de gave het eigene van de gelovige is, voorzover het door de Heilige Geest wordt geheiligd. Tussen de gaven van de Heilige Geest en de vruchten van de Heilige Geest is verschil. Vruchten van de Heilige Geest worden in het leven van iedere gelovige gevonden als het goed is. maar gaven niet. Die zijn zeer onderscheiden en de Heilige Geest deelt uit naar dat Hij nodig vindt. We mogen het zo zien dat de vruchten van de Heilige Geest de voedingsbodem vormen voor de gaven van de Heilige Geest. Op de vruchtbare bodem van de vruchten gedijen de gaven.
Het lichaam
In 1 Cor. 12 gebruikt Paulus voor de gemeente het prachtige beeld van het menselijk lichaam. Hij laat zien dat de een de ander niet kan missen. Maar in dat beeld wordt dan meteen duidelijk dat niet iedereen dezelfde gaven heeft gekregen en dat we de ene gave ook niet moeten verheffen boven de andere. Wij zijn geneigd om bepaalde in het oog lopende gaven voorrang te verlenen en belangrijker te vinden dan andere, maar dat is, gezien het beeld van het menselijk lichaam, onjuist. Juist dié gaven die niet opvallen, zijn onmisbaar. Bovendien kan de ene gave niet zonder de andere gave. De voet kan niet zeggen tot de hand, ik heb u niet nodig. In onze situatie: de stille moeder, die biddend bezig is voor haar kinderen in het gezin, en die helemaal niet opvalt, is van even grote betekenis als haar aktieve man, die begiftigd met wijsheid, alle mogelijke bestuursfuncties vervult en wiens foto nog al eens in de kerkelijke bladen te zien is. Juist die stille moeder is onmisbaar. Die aktieve mensen zijn niets zonder die stille gaven.
In datzelfde hoofdstuk (1 Cor. 12) en in het volgende, 1 Cor. 13, waarschuwt Paulus ervoor om met de gaven te pronken. Hoogmoedig te zijn vanwege de gaven. Dat is eigenlijk diefstal. Dan doe je net alsof de gaven van de Geest van jezelf zijn en je voelt je ver verheven boven anderen, die die gaven niet hebben. Paulus zegt heel scherp, dat het criterium voor de gaven de liefde is. 'Al ware het, dat ik de gave der profetie had en wist al de verborgenheden en al de wetenschap en al ware het dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette en de liefde niet had, zo ware ik niets' (vers 2). Dat is ook ons bezwaar tegen bepaalde groepen, die in het oog lopende gaven overaccentueren, ten koste van anderen.
Laten we er bovendien erg in hebben dat in de verschillende lijsten niet steeds dezelfde gaven worden genoemd. In 1 Cor. 12 wordt wel over tongentaal gesproken, maar in Rom. 12 niet. Daar kunnen we van leren dat er geen wettische maatstaf mag zijn ten aanzien van de gaven, alsof in iedere gemeente alle gaven gevonden moeten worden. Anderzijds moeten we ook zeggen dat we veel te weinig oog kunnen hebben voor de gaven van de Heilige Geest. Dat we niet bereid zijn onszelf te onderzoeken wanneer er van de gaven van de Heilige Geest zo weinig gezien wordt in de gemeente. Er is toch een volheid van genadegaven bij de Heilige Geest. Leven we dan niet te veel van onze eigen armoede en beneden de maat? Zijn de gaven ook niet hard nodig als tegenwicht tegen de krachten die de vorst der duisternis in stelling brengt? Laten we bidden, om begaafde mannen en vrouwen in het midden der gemeente, waardoor de gemeente weerbaar mag zijn in haar strijd in het laatst der dagen.
Ambtelijk
Nu zijn er ook gaven die van bijzondere aard zijn en dat zijn de ambtelijke gaven. Reeds in de gemeente in het N.T. kristalliseerden bepaalde gaven zich duidelijk uit tot ambtelijke gaven. Trouwens, van meet af aan was er het apostelambt temidden van de gaven. Het onderscheid tussen het ambt en de andere gaven is dat de drager van het ambt tot dit dragen geroepen wordt, hetgeen zichtbaar wordt in de verkiezing door de gemeente, soms ook door handoplegging van de apostel of anderen. In het ambt zit een stuk gezag, gezag van Christuswege. Christus is het Hoofd van Zijn gemeente. Gezeten aan Gods rechterhand regeert Hij Zijn gemeente door Zijn Woord en Geest en maakt daarbij gebruik van het ambt. Die gezagsvolle regering vanuit Christus geeft het verschil aan tussen het ambt en de andere gaven. In het ambt zit een tegenover t.o.v. de gemeente. Het ambt bewaart de gemeente bij Christus, bij Zijn Woord en bij haar roeping. Van Ruler noemde de ambten het gebinte van de gemeente. Evenmin als een huis zonder gebinte kan, kan de gemeente zonder de ambten van ouderling, diaken en dienaar van het Woord.
Tegenover allerlei vormen van laagkerkelijk denken is het goed de grote waarde van het ambt te onderstrepen. Devaluatie van het ambt is onschriftuurlijk en tot grote schade van het gemeenteleven. Maar werkt een nadruk op het ambt niet concurrerend t.o.v. de gaven? Is het niet de praktijk dat waar de nadruk valt op de ambten, de gaven weggedrukt worden en dat daar waar de ambten minder centraal staan, de gaven openbloeien. Het is niet mijn ervaring en ook niet mijn overtuiging. Tussen ambt en gaven bestaat geen concurrentie.
Veel meer correlatie en coöperatie. Als het goed is stimuleert het ambt de ontplooiing van de gaven. Prof. Versteeg zei het zo: de ambten kunnen als pezen de gaven binden en voeden. De gemeente is als een tuin, waarin vele schone bloemen bloeien. Maar er moet een tuinman zijn, die de groei en bloei leidt, bestuurt en waar nodig corrigeert. Anders wordt het een wildernis. Zo wordt het in de gemeente een geestelijke wildernis, wanneer de ambten ontbreken en daardoor de ordening van de gaven. De meest begaafde in de gemeente heeft het gezag van het ambt, van het Woord, elke dag nodig.
Dat wijst ons ambtsdragers ondertussen wel op onze grote verantwoordelijkheid. Wat hebben we de leiding van de Heilige Geest nodig om de teugels te kunnen dragen, waarmee Christus zijn kerk regeert.
Daar staat tegenover dat Christus ons ook een bijzondere belofte heeft gegeven, evenals aan de discipelen: 'De Trooster, de Heilige Geest, welke de Vader zenden zal in Mijn naam, Die zal u alles leren en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb' (Joh. 14 : 26).
Spanningsveld
We hebben mogen zien dat de Geest aan de gemeente is geschonken. Dat gegeven plaatst ons in een spanningsveld. Laten we beseffen dat we zonder de Heilige Geest geesteloze mensen zijn, maar door de Heilige Geest bekwaamheden verkrijgen, die ook voor het komende winterseizoen toereikend zijn in alles wat we mogen doen. Laten we daarom de Geest niet bedroeven (Ef. 4 : 30), veel minder uitblussen (1 Thess. 5 : 19). Laten we veel meer bidden:
'Dat wij ons ambt en plicht o Heer
Getrouw verrichten tot uw eer
Dat uwe gunst ons werk bekroon
Uw Geest ons leid' en in ons woon.'
(Morgenzang 3)
W. Verboom
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's