De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Positief denken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Positief denken

10 minuten leestijd

Is het nog mogelijk in deze zondige wereld, waarvan we zelf ook deel uitmaken, positief te denken? Enkele jaren geleden verscheen een engelstalig boek over 'de kracht van het positieve denken'. Louter menselijk bezien is er inderdaad kracht gelegen in een zodanige levenshouding dat bij alle narigheid rondom ons en in ons, toch positief gedacht blijft worden. Er zijn altijd nog zoveel mooie dingen, die de moeiten van het leven omkransen. Na regen komt altijd weer zon. Zo hebben mensen zich op de been kunnen houden door de positieve kanten te zien van wat hen overgelaten werd, ook na ernstige, diepgevoelde verliezen. Ze keken naar anderen die het best nog minder hadden dan zij. Soms brengt een kind een mens weer op de been. Wanneer de mens louter in negatief denken vervalt rest uiteindelijk de wanhoop.


Toch mag ook de vraag gesteld worden hoe bij het licht van de Schrift mogelijk positief te denken. Hoe ligt dat bijvoorbeeld in het geheel van het kerkelijk leven? Er kan immers ook sprake zijn van een geest die altijd 'nee' zegt. Zo'n geest kan zelfs toonaangevend zijn in publicaties. Mensen zitten jaren te worstelen om een boek te schrijven en anderen schrijven het direct na lezing weg. Altijd weer negatieve bewoordingen over wat anderen te berde brachten kan toonaangevend zijn voor periodieken. In de titel van de artikelen wordt het licht al op rood gezet. De belichting is altijd negatief Intussen betekent dat, dat de schrijver van het betreffende stuk zichzelf positief beoordeelt. Hij komt er zelf altijd beter af dan de man of vrouw, die onder zijn ontleedmes ligt.
De kracht van positief denken in bijbelse zin is dat we de ander uitnemender achten dan onszelf. Maar daar ligt nu juist het probleem. 'Ik' zit er altijd tussen. En toch zijn er mensen – dat verrast en verwondert me vaak in brieven – die er altijd in slagen op die wijze positief te denken. Niet uit valse bescheidenheid, maar uit oprechte vroomheid achten ze kennelijk altijd de ander uitnemender dan zichzelf.

Ik-tijdperk
Vandaag leven we – zo luidt het allerwegen – in het ik-tijdperk. Dat zal in bepaalde zin wel waar zijn. Maar zolang de mensheid bestaat zijn de tijdperken ik-tijdperken geweest. De mens kan immers niet los zijn van zichzelf. Het is geen wonder dat het 'ik' in de theologie altijd zo'n grote rol heeft gespeeld. De Schrift houdt ons vrijwel op elke bladzijde voor dat de mens gevallen mens is en dat hij daarom op de troon zit, rebelleert tegen God. 'Kom aan laat ons stenen bakken, kom aan laat ons een toren bouwen, waarvan het opperste tot aan de hemel reikt'. Dat is sinds de zondeval de overmoedige taal van de mens tegenover zijn Schepper, taal die hij in daden omzette bij de torenbouw van Babel. En God antwoordde door te zeggen 'kom aan, laat ons neerdalen'. Het gevolg was, dat de spraak op aarde werd verward. De mens is opstandeling tegen God. Dat leert ons de Schrift. En daarom moet het 'ik' sterven. Ons natuurlijke bestaan is immers vlees, vleselijk, verkocht onder de zonde. Daar ben 'ik' met heel mijn bestaan bij betrokken. Maar intussen – en dat is de heilige ironie van ons bestaan – ben ik nooit los van 'ik'.


Om nu nog even het ik-tijdperk te noemen, 'daarvan' is het kenmerk het verdoorgevoerde individualisme. Mensen denken alleen maar aan zichzelf, zien de ander niet, doen alsof die niet bestaat. Dat denken kan men zelfs al op straat oppakken. Wie zijn ogen de kost geeft in supermarkten of op parkeerterreinen weet hoe mensen vandaag zijn ingesteld. Om over de bejegening van oude mensen maar te zwijgen. Voor het grijze haar zult ge opstaan, zegt het boek Deuteronomium. Laatst zag ik echter een jongeman een oude man letterlijk ondersteboven lopen, waarna hij hem nog durfde toevoegen 'kijk dan ook waar je loopt'. Het ik-tijdperk ten voeten uit.

Schepsel Gods
Is het nog mogelijk positief te denken wanneer we beseffen dat het leven door de zonde is ontwricht en dat ons 'ik' daarom van de troon moet en een toontje lager moet zingen? Anders gezegd, is er vanuit het bijbels perspectief op 'ik' nog ruimte om positief te leven? Of moeten we maar leven bij de gedachte dat het leven niet meer is dan een gestage dood en dat ons 'ik' daarom gewoon ontkend moet worden?
In ieder geval is het zo dat, als we echt belijden dat ons 'ik' nipt deugt, we ons kunnen plaatsen op de hoogte van de ander met wié wij niet deugen. Dat is in de praktijk van het leven overigens niet zo simpel te praktiseren. Zodra er conflicten zijn heb 'ik' toch gelijk. Altijd wordt 'mijn eer' gekrenkt, nooit die van een ander. Het is het bekende verhaal van de twee, die twistten of iets geknipt of gesneden was. Toen de knipper de gracht in werd gegooid en nog eens keer boven kwam maakte hij nog één keer met de vingers de knipbeweging.
Wat we nodig hebben is de luisterhouding. Zou het kunnen zijn dat de Heere God toch aan de ander iets heeft meegegeven waarmee we onze winst kunnen doen?
Als we iets van die houding ook in het kerkelijk beweeg van vandaag zouden kunnen praktiseren dan zouden veel artikelen en beschouwingen een minder negatieve toonzetting krijgen. Dan zou er iets in doorstralen van persoonlijk mild zijn, bij zakelijke scherpte die soms nodig is. Laten we maar eens beginnen met negatieve toonzettingen weg te laten in titels van artikelen, tenzij we ervan overtuigd zijn dat de onderhavige publicaties ketters zijn. Als we van dat laatste niet overtuigd zijn moeten we maar proberen het goede te onderscheiden.
In een tijd van polarisatie als de onze, waarin zich wel heel speciaal ook het iktijdperk manifesteert, lijkt het de hoogste kunst te zijn elkaar verdacht te maken. Als we dan inderdaad overtuigd zijn van de noodzaak dat het ik moet sterven dan geve God ons de genade van het nulpunt. Misschien kan zulk een persoonlijke houding omslaan in een collectieve houding, zonder dat een mens zichzelf de profetenmantel omhangt. Dan vinden we misschien ook de genade om vandaag naast hen te staan, die in de marge van de samenleving leven en tot ondergang gedoemd schijnen te zijn.
Dan wacht ons misschien nog een réveil, dat echt gekenmerkt is door een uittreden uit onszelf, naar de ander toe, in het besef dat ons 'ik' van dezelfde makelij is als het 'ik' van de ander.

Meer te zeggen
Er valt dan intussen ook meer te zeggen. Mijn 'ik' wordt immers in Christus niet vernietigd maar vernieuwd. Juist als ons 'ik' sterft staat het op tot nieuw leven. En dan mag ik er warempel ook nog een keer zijn. Als God een mens op het oog heeft in de schepping van zijn bestaan dan heeft Hij hem zeker op het oog in de herschepping van zijn bestaan. Hoe bestaat het dat de hoge God onder miljoenen mij op het oog had en heeft? Hij hád ons op het oog in Zijn verkiezende liefde. Hij hééft ons op het oog in Zijn verlossende liefde. Wanneer God zo ver gaat met een mens, dat Hij hem twee maal doet geboren worden, dan moet Hij wel heel bijzonder op de mens zijn gesteld. God wil kennelijk, ook na de zondeval, niet zonder de mens God zijn, anders zou Hij zich geen Vader laten noemen. De mens kan niet zonder God echt mens zijn.


In Psalm 8 worden alle registers over het mens-zijn uitgetrokken. God heeft de mens bijna goddelijk gemaakt, hem met eer en heerlijkheid gekroond. Hij doet hem heersen over de werken van Zijn handen. Alle dingen zijn onder zijn voeten gesteld. Als het maar uitloopt op de eer van Zijn Naam: 'Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde'. Mag de mens er zijn of niet? Met psalm 8 belijden we dat de mens voor Gods Aangezicht er helemaal zijn mag. Ik wil wel bekennen, dat ik dat leerde van Van Ruler, de langzamerhand vergeten theoloog onder ons.

Knippen
Nu dreigt intussen het gevaar dat we opnieuw gaan knippen. Want wie mag er zijn voor Gods Aangezicht? Alleen zij immers, die de tweede geboorte kennen? Alleen zij toch, die onder het zegel van de verkiezing liggen? Daarbij kunnen we echter ook louter verstandelijk, logisch gaan redeneren. Hoe God dat bedoelt laten we aan Zijn liefde over. Dat is het mysterie dat bij hem ligt. Maar waarom zou 'ik' alleen me de verkorene wanen? Waarom zou 'ik' de ander uitsluiten? Dat zou, wat het christelijk getuigenis betreft, het ik-tijdperk ten top zijn.
Als het dan over verkiezing gaat spreekt de Schrift boekdelen, namelijk over zijn trouw aan Israël; een volk, dat Hem verwierp. Rechteloze mensen worden burgers van Zijn Rijk. Me dunkt, dat het de diepste bevrijding van ons 'ik' is, wanneer we beseffen dat God Zijn trouw betoont aan rechtelozen en daarom Zijn trouw aan Israël nooit heeft gekrenkt. Wanneer Hij Israël genadig is zal Hij het de wereld ook zijn. De ouden spraken over 'gunnende mensen'. Welnu, dat is het wanneer we echt buiten het 'ik' treden.

Positief
We weten uit de Schrift dat de mens onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Ooit schreef mr. W. Aantjes een artikel, waarin hij opmerkte dat hij het laatste beamen kon maar het eerste niet kon onderschrijven. Nu staat echter dat eerste ook onverbloemd in onze belijdenis. In principe is dat ook zo. 'Ik' ben onbekwaam tot enig goed. Goede gedachten, woorden en daden komen in mij niet op.
Maar de Schrift legt mij wel op de lippen, dat ik in God grote daden zal en kan doen. Juist na ontvangen genade is de meng geen wegwerpartikel. Het werk Gods in deze wereld vindt immers plaats door hand, mond en hart van gebrekkige mensen.
Het Koninkrijk van God is niet van deze wereld en nochtans is het binnen in ons. Wat een gedachte. Als dat zo is zullen ook de tekenen van het Koninkrijk in ons zijn. Dan mogen we beseffen dat we er zijn mogen tot eer van Zijn Naam.
Maar zoals Christus dan ook in Zijn leven dienende liefde uitstraalde, zo zal het leven van de christen gekenmerkt zijn door dienende liefde naar de ander toe. Dat wil dunkt me zeggen, positief denken over de gaven die God aan de ander gaf. En is de grondhouding voor positief denken.

De zonde
En de zonde dan? Die komen we te-'boven'. Niet in dit leven. Dat leren de secten en bepaalde evangelische stromingen. Maar we kómen de zonde teboven. En omdat we wéten, dat we de zonde teboven komen kunnen we ook staan naast hen, die in de zonde leven.
’Wij' worden hier geen zondeloze mensen. 'Ik' dus ook niet. Maar omdat Christus voor de zonde heeft geboet durf 'ik' het aan om met mijn door de zonde bezoedelde leven 'nochtans' door te leven en te denken. Alleen kinderen Gods kunnen als het er echt op aankomt positief denken.

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Positief denken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's