De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Calvijn over Gods beloften (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Calvijn over Gods beloften (3)

8 minuten leestijd

Belofte en geloofszekerheid
Met de gerichtheid op de belofte staat en valt voor Calvijn de zekerheid des geloofs. Zonder beloften kan er van zekerheid geen sprake zijn. 'Dit is zeker, het geloof staat niet vast, als het niet gegrond is op de beloften Gods'. Het omgekeerde is echter evenzeer waar. Wanneer het geloof zijn ankers uitwerpt in de bodem van de beloften, dan is de zekerheid gegarandeerd. Aan geloofszekerheid is Calvijn alles gelegen. Zonder zekerheid kan van een waarachtig geloof zelfs niet gesproken worden. Waarlijk gelovig is slechts hij die met een vaste overtuiging op de beloften van Gods goedgunstigheid jegens hem vertrouwend, een ontwijfelbare verwachting der zaligheid heeft. 'Waar geen hoop op de zaligheid bestaat', zo wordt aangetekend bij Lukas 2 : 25, 'wordt God niet recht geëerd en deze hoop hangt af van het geloof in zijn beloften'. En in een van zijn preken houdt hij de gemeente van Geneve voor: 'Wij moeten door Zijn beloften zo bevestigd zijn, dat wij kunnen zeggen: God is voor ons niet verborgen. Hij heeft niet tevergeefs gesproken tot ons, Zijn Woord is niet duister.' Er is alle recht en reden voor de stelling dat voor Calvijn zekerheid tot het wezen van het geloof behoort. Op dit punt zette dan ook zijn fundamentele en radikale kritiek op de scholastieke geloofsopvatting in. Hij miste er de zekerheid in. Fel trok hij van leer tegen de doctrina van de conjecturele zekerheid, die in de Roomse Kerk verkondigd werd en waarin men beweerde, dat de gelovige slechts bij vermoeden en niet absoluut verzekerd kan zijn. Calvijn schroomt niet hier het wood duivels te gebruiken. Op deze wijze worden immers Gods waarachtigheid en betrouwbaarheid aangerand. Het Roomse geloofsbegrip zet ten dieptste een vraagteken achter de waarheid van Gods beloften. En dat is schandelijk, want al wat God barmhartig belooft, volbrengt Hij ook getrouw. De beloften Van God en de trouw waarmee Hij ze vervult noemt de hervormer 'dingen, die door een onverbreekbare band verbonden zijn'. Omdat de God van het verbond betrouwbaar is, daarom kan men zich met een gerust hart verlaten op Zijn beloften. Calvijn houdt niet op zijn geleden daarop te wijzen. In een preek wijst hij op de vaste gang die zon en sterren maken door het heelal. Nog veelmeer vastheid ligt er in hetgeen God eenmaal beloofd heeft. Uit deze standvastigheid hebben wij lering te trekken, 'opdat wij ons des te meer aan Gods beloften zullen vastklemmen. De zekerheid van het geloof is voor Calvijn dus gegeven met de vastheid van het objekt des geloofs, de genadige belofte (promissio gratuita). Met K. Exalto kan gezegd worden: 'Het geloof is zekere omdat God waarachtig is, omdat Zijn Woord betrouwbaar is, omdat Zijn beloften gewis zijn.

Geen bijzondere openbaringen
Het zou dan ook verkeerd zijn, die zekerheid elders te zoeken. De Dopers gingen liever af op bijzondere ervaringen en openbaringen, dan op de eenvoudige beloften. Calvijn ontkent echter, dat God vandaag nog op deze spectaculaire wijze tot ons komt. 'Omdat wij tegenwoordig geen hoorbare stemmen meer uit de hemel ontvangen en God zelf niet meer in visioenen verschijnt, daarom moeten wij Zijn talloze beloften overdenken, welke Hij ons beloofd heeft te zullen nakomen. Evenmin mogen wij graven in ons gevoel, om daar zekerheid te willen vinden. 'Zo dikwijls wij Gods beloften naar ons eigen gevoel afmeten, beledigen wij Hem, al ligt niets van dien aard in onze bedoeling.' Het levende geloof vertrouwt niet op zintuigelijke waarneming, maar uitsluitend op wat ons van Godswege wordt toegezegd. Daar alleen vindt het houvast. Calvijn gebruikt ergens het beeld van een wortel of een fundament. Zoals deze weliswaar niet gezien worden met het blote oog en nochtans de boom of het huis dragen, zo slaat ook het geloof haar wortels diep in de beloften. De 'naakte belofte' moet ons genoeg zijn en nergens anders mogen wij de zekerheid van onze zaligheid zoeken.

Geen twijfel
Wanneer wij Calvijn zo hoog horen, opgeven van de zekerheid des geloofs rijst de vraag of hij dan helemaal geen weet heeft van twijfel. Staan de gelovigen zo stevig in hun schoenen dat zij elke wankeling te boven zijn? In een preek over Psalm 89 : 31-39 geeft de hervormer op deze vraag het antwoord: 'Wanneer God gesproken heeft, wie is de mens eigenlijk dat hij het durft te wagen Hem tegen te spreken of zelfs in twijfel te trekken wat de mond van onze heilige God uitgesproken en beweerd heeft? En toch doen wij dat. Ieder van ons, ongelukkigen, gaat zo ver aan Gods beloften te twijfelen'. Wij hebben ons er diep over te verootmoedigen dat onze natuur zozeer tot ongeloof geneigd is en dat wij de beloften vaak niet vertrouwen. De oorzaak van onze twijfel zoekt Calvijn in ons klein denken van Gods almacht. Zodra zich enige moeilijkheid voordoet rijst de verkeerde gedachte bij ons op: Hoe zal datgene wat God belooft ooit kunnen gebeuren. De hervormer weet er dus alles van hoezeer geloof en twijfel in de gelovige kunnen worstelen op leven en dood. Maar dat neemt toch niet weg, dat ze elkaar principieel uitsluiten. En wel vanwege het belofte-karakter van het geloof. Omdat het geloof moet antwoorden 'op de eenvoudige en genadige belofte', blijft er voor twijfel geen plaats over. 'De onderlinge betrekking tussen de genadige belofte en het geloof laat geen twijfel over', zo wordt aangetekend bij Gen. 15 : 6. De Heilige Geest wil ons daarom genezen van de ziekte van twijfel en ongeloof, opdat God in Zijn beloften het volle geloof bij ons zou verkrijgen.
Het verschil tussen goddelozen en vromen is niet dat de laatsten nooit last van twijfel hebben; zij zoeken er echter wel van af te komen, terwijl de goddelozen er bewust aan toegeven en de beloften laten voor wat ze zijn. Goddelozen stemmen de beloften op geen enkele wijze toe, omdat hun gemoed met verkeerde gedachten vervuld is, maar de vromen, die de beletselen in hun vlees gevoelen, bestrijden deze opdat zij Gods Woord niet de weg versperren en zoeken medicijnen voor hun kwalen, waarvan zij zich bewust zijn.

Met een eed bekrachtigd
Terwille van onze zwakheid geeft God ons niet alleen Zijn beloften, maar bekrachtigt Hij deze bovendien door een eed bij Zijn heilige Naam. In een preek merkt de reformator op: 'God stelt Zich niet tevreden met het doen van een eenvoudige belofte aan de gelovigen, dat Hij hun Vader en Redder zal zijn, maar Hij bekrachtigt met een eed bij Zijn Naam, bij Zijn trouw, ja bij Zijn wezen en betuigt, dat niets van hetgeen Hij beloofd heeft ooit zonder gevolg zal zijn, als wij dat maar met een waar geloof omhelzen.' Hieruit blijkt Gods grote welwillendheid jegens ons. Zo neerbuigend is Hij. 'Hoe groot, vraag ik, hoe groot, zeg ik is deze vriendelijkheid van God, dat Hij hen wier ongelovigheid Hij had moeten straffen zo verdraagt, dat Hij terwijl zij geen geloof hechten aan Zijn eenvoudige Woord, dit zelfs met een eed bevestigt en bekrachtigt.' Daardoor moet ons alle twijfel toch wel ontnomen worden. Als de naakte beloften ons niet genoeg zijn laten we dan tenminste denken aan de eed waarmee Hij ze bekrachtigd heeft. Als we dan nog twijfelen 'zijn wij meer dan ondankbaar jegens God en zondigen wij tegen Zijn heilige Naam'.

Belofte en geloofsgroei
Behalve door een eed aan Zijn beloften toe te voegon komt God ons kleingeloof ook te hulp door Zijn beloften telkens weer te herhalen. Door deze herhaling wil Hij ons doen toenemen en groeien in geloofsvertrouwen. In een preek over Abraham spreekt Calvijn hierover uitvoerig: 'Hier zien wij dat God Zijn belofte herhaalt, om het geloof van Abraham te versterken, om het te voeden en te vermeerderen, totdat het tot zijn volkomenheid gekomen is'. En ter verduidelijking wordt eraan toegevoegd: 'De beloften hebben dit gebruik en dit nut, dat zij ons trekken tot het geloof, dat zij ons op de goede weg houden, wanneer wij tot geloof gekomen zijn; dat zij ons moed geven; dat zij ons opwekken wanneer wij nalatig zijn; dat zij ons de kracht vermeerderen, wanneer die ons zou ontbreken.' Daarom spreekt God maar niet een keer, nee Hij verfrist ons geheugen aangaande Zijn beloften en wil dat wij er door groeien, heel de tijd van ons leven, dat wij erin bevestigd worden totdat wij gekomen zijn in Zijn rijk, waar wij geen Woord meer nodig zullen hebben en waar het geloof overbodig is geworden. Wij bemerken hoezeer het Calvijn te doen is om vordering in het leven des geloofs. Stilstand is achteruitgang. En omdat twijfel ongeloof is, en dus zonde is, hebben wij ons in te spannen onze zwakheid te overwinnen. Dat kan alleen als wij het al meer leren wagen met de beloften Gods. Wij moeten niet traag zijn om te groeien, maar wij moeten 'een stapel en een verzameling maken van al de beloften van God en er altijd de vrucht van gevoelen. En dat niet alleen, wij moeten ook altijd trachten ons geloof te vermeerderen. Dat is nodig, aangezien het geloof altijd zwak zal zijn.'
M. van Campen, Woerden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Calvijn over Gods beloften (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's