Kerk en vrijheid van meningsuiting
Het rumoer dat ontstaan is over het verhinderen van de opvoering van het toneelstuk van Fassbinder, 'Het vuil, de stad en de dood' heeft ons weer scherp gedrukt op de vraag van de vrijheid van meningsuiting in onze samenleving. Om dit stuk gaat het me verder niet, ook niet om de vraag of de inhoud antisemitisch was. Er is echter wel allerwegen gesteld dat met het verhinderen van dit stuk de grondrechten van een (de) democratie waren geschonden.
Feit is dat onze moderne democratie gebaseerd is op ongebreidelde vrijheid van meningsuiting. Sinds de franse revolutie 'vrijheid, gelijkheid en broederschap' als leuze aanhief, hebben moderne (westerse) democratieën het vrijheids- en gelijkheids-beginsel als norm. Over de broederschap moet maar gezwegen worden. Want of de verbroedering van de mensen na de franse revolutie zo is toegenomen is punt twee.
Wanneer dan ook vandaag over rechten in de samenleving gesproken wordt, gaat het om de rechten van de mens, waarin het dan vooral om vrijheid en gelijkheid gaat. Er mag niet gediscrimineerd worden op grond van ras, sexe, godsdienst of geaardheid. En verder moet er vrijheid zijn voor iedere stroming en voor ieder geluid in de samenleving. Wanneer aan die rechten wordt getornd is lieb Vaterland in rep en roer.
De vraag is nu hoe de kérk moet aanzien tegen deze vrijheid van meningsuiting.
De kerk zelf
Het is duidelijk – althans dat wil ik hier poneren – dat er in de kerk zélf van vrije meningsuiting geen sprake kan en mag zijn. Het spreken ván en in de kerk is een gebonden spreken. Als er niet gesproken wordt naar het Woord, zal er geen dageraad zijn, zegt de Schrift zelf.
Juist ook om ervoor te waken dat het in de kerk, in alle spreken en handelen, zal toegaan naar het Woord, zijn er in de eeuwen belijdenissen ontstaan, die naar het Woord verwijzen, en daarom de leer der Schriften verwoorden en datgene wat afwijkt van het Woord afwijzen. Er zal dan ook in de kerk tucht zijn. Niet alles kan en mag gezegd worden. Alles wat in de kerk, in prediking en geschriften, gezegd wordt moet zelfs getoetst worden. Daarom is er (o.a.) het ambt van de ouderling. De ouderling zit op de leer en heeft een bewakende functie naar de prediking toe.
Maar ook wat de kerk in haar geheel naar buiten brengt in geshriften zal getoetst worden. Uiteindelijk is de eerste en de laatste beroepsinstantie voor en binnen de kerk het onfeilbare Woord van God.
Daarom is er in de kerk geen sprake van vrije meningsuiting. Wat weer niet betekent dat ook maar íémand in de kerk monddood is. Er is het ambt aller gelovigen. De Schrift Zelf zegt dat de hand niet kan zeggen tot de voet: ik heb u niet nodig. Het kan zelfs zijn dat gemeenteleden op goede grond menen, dat kerkeraden of voorgangers wegen gaan in prediking of in geschriften, die de toets van het Woord niet kunnen doorstaan. Langs de (kerk)ordelijke weg moet er dan ruimte zijn om over zaken, waarin de Schrift inderdaad in het geding is, te spreken en zonodig te handelen. Ook ambtsdragers zijn gebonden aan het Woord en kunnen dus maar niet zeggen wat ze willen. Juist ook over het ambt ligt de tucht van het Woord Gods. Daarom mag een ambtsdrager zich nooit beroepen op het loutere feit dat hij een ambt draagt om daardoor zonder meer respect te vragen. Het komt ook voor dat kerkeraden de gemeente geheel monddood maken of dat voorgangers hun kerkeraden monddood (willen) maken met een louter beroep op hun ambt, terwijl ze zelf een ongebreidelde vrijheid van meningsuiting menen te hebben, ook in de richting van andere kerkeraden of van colleges in de kerk. Ook en juist in het ambt luistert het nauw.
Ambtsdragers en gemeenteleden sámen zijn in hun spreken gebonden aan het Woord en aan de belijdenis der kerk. En daarom moeten we zeggen dat er in de kerk geen vrijheid van meningsuiting kán bestaan. We zullen er in onze tijd zelfs voor moeten waken dat niet, op grond van een vrijheidsbeginsel zoals dat in de samenleving wordt gepraktiseerd, het ambt aan betekenis inboet doordat, het zelf 'democratiseert', of dat het ambt aller gelovigen op gelijke hoogte komt met moderne democratische inspraak. In de kerk gaat het anders toe dan in de moderne democratie. Als er érgens sprake is van gebondenheid, van genormeerde vrijheid, dan wel in de kerk zelf.
Ten tijde van het Getuigenis (1971) hield ik in Groningen voor groninger 'godgeleerden' (zo dienden ze zich toen aan in hun protest tegen het Getuigenis) een lezing daarover. Het was ook in de tijd dat (wijlen) ds. M. A. Krop, studentenpredikant te Groningen, de geruchtmakende uitspraak had gedaan 'dood is dood'. Tijdens die avond zei mij één der toehoorders dat hij het met ds. Krop eens was en vroeg toen of ik hem nu het recht ontzegde in de kerk te zijn. Ik heb geantwoord dat ik niemand het recht ontzeg om in de kerk te zijn maar dat 'ik' hem wel het recht ontzegde dat in of namens de kerk te zeggen. In de kerk is geen vrije meningsuiting. In de Schrift wordt ook gesproken over mensen waarvan geldt: 'ze zijn van ons uitgegaan omdat ze niet van ons zijn'.
We moeten wel als kerk op het geheel van het volk gericht zijn maar het is uitgesloten om al wat onder het (kerk)volk geleerd of gedacht wordt een wettige plaats te geven.
Moderne samenleving.
Voor wie bij de Schrift leeft kan intussen ook in onze samenleving het menselijk recht (van vrijheid en gelijkheid) niet de eerste en laatste norm zijn. Het goddelijk recht spreekt het eerste en hét laatste woord. Een democratie, die niet gerelateerd is aan dit goddelijk recht, gaat ten gronde. Op vrijheid en gelijkheid alleen kan geen samenleving blijvend bestaan. De dimensie van het recht mag niet ontbreken. En dat is het nu wat onze moderne democratie zo voos, zo inhoudloos maakt. Gelijke behandeling, als het gaat om sexe, ras, godsdienst of geaardheid? Dat is ten déle terecht. Als er niet een duidelijk omschreven en beleden beginsel van recht aan ten grondslag ligt, gebaseerd op het goddelijk recht, dan zal ook voor de samenleving gelden dat echte vrijheid en gelijkheid niet tot hun recht komen. Dat goddelijk recht wordt alleen dan al gehonoreerd wannneer beseft wordt dat de wet Gods ten goede is. Vroeger ging het dan nog om de vraag: alleen de tweede tafel, of ook de eerste? Vandaag raakt echter ook de tweede tafel uit het gezichtsveld weg.
Naar het zich laat aanzien zal in de toekomst de problematiek rondom de vrijheid van meningsuiting steeds groter worden. Elke groep in de samenleving claimt rechten. Dat heeft zeker ook te maken met het feit dat christelijke waarden en overtuigingen in onze samenleving steeds meer marginaal zijn geworden en, als gezegd, ook de tweede tafel van de Tien Geboden uit het bewustzijn is weggezakt. De weerhoudende functie van het Woord Gods, zowel bij wat zich in de samenleving vóórdeed als bij het functioneren van de rechtsregels in onze democratie, was in het verleden, ook toen we al lang moderne democratie waren, veel sterker aanwezig dan nu. Bovendien is de voorbeeldwerking van de kerk in dit opzicht ook veel minder geworden. De stem van het Woord vanuit de kerk(en) is danig verzwakt en verflauwd.
Intussen staat elke moderne democratie voor de vraag hoe vrij vrije menigsuiting is. Het lijkt vandaag zo te zijn dat alles kan en mag.
Onze vorstin of onze minister-president mogen vandaag door het boulevard-journalistieke slijk worden gehaald en altijd weer is er wel een argument te bedenken waarom het niet om krenking van personen gaat.
De meest grove godslasteringen mogen voor de buis of door de ether in het algemeen de huiskamers worden ingebracht maar er is altijd wel een grond te bedenken waarom er geen sprake is van godslastering of het krenken van een bevolkingsgroep.
Maar vroeg of laat wordt ons wel de rekening van de vrijheid (van meningsuiting) gepresenteerd. We zullen niet moeten vergeten dat Hitler, doordat hij de beschikking had over de media, langs democratische weg aan de macht is gekomen en zijn verderfelijke antisemitische en rascistische gevoelens in daden kon omzetten.
Hoe vrij is vrije meningsuiting vandaag? Als een democratie behalve aan vrijheid en gelijkheid ook niet aandacht geeft aan recht dan is ze ten ondergang gedoemd. Men kán niet straffeloos aan alle meningen in de samenleving vrije ruimte geven.
Christelijk handelen
Tenslotte rijst nog wel de vraag welke roeping we als kerk en christenen hebben als het gaat om verschijnselen, die in onze samenleving worden toegestaan, op grond van moderne vrijheidsbepalingen, terwijl ze zich niet verdragen met het Woord Gods; sterker nog: daartégen gekéérd zijn. Moeten christenen dan de straat op om voorstellingen ongedaan of onmogelijk te maken? Dat kan de weg niet zijn. Aan de kerk is slechts het profetisch getuigenis toevertrouwd. En ook de christen afzonderlijk heeft niet meer in zijn bagage dan het getuigend woord.
Ik denk echter dat we ons allereerst diep moeten realiseren hoe ver onze samenleving in godloosheid is weggezonken en hoe weinig weet er nog is van God, laat staan van goddelijke zaken. Dat vraagt om heroriëntering in een kantelende tijd. Laat de kerk allereerst God weer uitroepen in onze samenleving en profetisch zichtbaar maken wat het leven in Zijn dienst en naar Zijn geboden betekent. Dat moet onze eerste hartstocht zijn. voor we met de wet gereed staan moet er het Evangelie zijn.
Nog afgezien van het feit dat, wanneer christenen de weg van sabotage opgaan, ook te verwachten is dat vandaag of morgen zo christelijke samenkomsten, waar het over omstreden onderwerpen gaat, of zelfs kerkdiensten, verstoord kunnen worden, moet het 'niet door kracht, noch door geweld' hier wel zeker gelden. Dat is iets anders dan wanneer het gaat om de vraag of er op een bepaald moment niet vreedzaam gedemonstreerd mag en moet worden. Als het dan ook maar niet bij leuzen blijft maar er echt de kaders geschapen zijn, waarbinnen dan het christelijk getuigenis tot zijn recht komt.
Ik hoorde pas het verhaal van een handelaartje in één van onze steden, die op een andere dag dan christenen zijn religieuze feestdag houdt. Op de zondag was hij, ten ongerieve van de kerkgangers, anders bezig dan op zijn andere werkdagen. Zouden christenen dan op zijn feestdag het tegenovergestelde moeten doen? Het 'oog om oog' geldt niet voor christenen.
Dat betekent in het brede beweeg van onze samenleving vandaag dunkt me dat we de methoden van de wereld niet met dezelfde methoden beantwoorden zullen. Naast het getuigenis van het Woord zijn lijdzaamheid en geduld ook nog een keer specifiek christelijke 'deugden'. Daarvan kan ook een getuigenis uitgaan. Die moeten we maar niet inruilen van anarchistische ondeugden, want daarvan zal géén getuigenis uitgaan.
Als men aan onze échte vrijheid in Christus komt, om Hem naar zijn Woord te dienen, kunnen we elkaar nader spreken.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's