De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

6 minuten leestijd

'Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, in degenen die zalig worden, en in degenen die verloren gaan; dezen wel een reuk des doods ten dode, maar genen een reuk des levens ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam?'2 Corinthe 2 : 15, 16

Door ontdekkende genade was de hoogmoedige farizeeër van weleer, een ootmoedige aspostel geworden: Wie is tot deze dingen bekwaam? Hij is er goed achter gekomen, ondanks al zijn liefde en ijver, dat hij het werk der prediking nooit en nooit zelf kon. Hij voelt het, dat zijn onwaardigheid en onbekwaamheid hem geheel en al ongeschikt maken om Evangelie-dienaar te wezen. Wonderlijk rijk, als wij zó dienaar des Woords mogen zijn of zulke dienaren mogen ontvangen. Dan gaan er grote wonderen geschieden – door de hand des Hééren!
Vooral komt het op Paulus af, dat hij zo nietig klein is, wanneer hij twee zaken gaat overdenken namelijk de inhoud van zijn Evangelie en de uitwerking ervan. Beide zaken zijn van zulk een groot gewicht, dat de machtige heidenapostel Paulus onder deze last moet bezwijken.
De Heere immers heeft hem de opdracht gegeven om Gode een goede reuk te zijn. Een goede reuk voor God. Zo, dat de Heere het kan goedkeuren, zodat Hij het aangenaam vindt. Hoe is het mogelijk? Wie zichzelf leert kennen, moet immers belijden een stank voor de heilige God te zijn. Die kan niet anders, dan zich geheel en al afkeuren. Die ligt op dát plekje, waar de Heere hem rechtvaardig uit Zijn dienst kan ontslaan. Al meer gaat zo-een het beseffen, dat er nooit iemand onder zijn bediening gezaligd kan worden. Hij weet maar al te goed, dat de Heere zijn werk moet afkeuren, omdat het niet zonder fouten, gebreken, zonden, zelfbedoelingen geschiedde. Hij komt voor de Heilige Israëls als Jesaja, die belijdt: Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is en mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heerscharen gezien! Daarom kan zo'n dienaar, zo'n vader of moeder het werk voor God maar nooit goedkeuren. Immers moet zelfs een volmaakte prediker of ouder nog belijden met Luc. 17 : 10: Ik ben een onnutte dienstknecht… Hoe zouden wij dan een goede reuk voor God kunnen zijn? Hoe kan mijn werk – dat geschiedt door zulk een onrein persoon met zoveel oneerlijke bedoelingen (waarover de Heere Zijn knechten ook leert wenen en klagen, in 't verborgene) – ooit goed wezen voor Gods Aangezicht?
Het klinkt als overmoed om het de apostel na te spreken: Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus. Toch was hier geen vleugje overmoed bij. De Heere had de snoevende taal der schijnbare ootmoed uit het hoogmoedige hart van de Evangelie-bestrijder omgevormd tot een deemoed, die in ware zielsverbrijzeling geleerd wordt en nu ook bewaarde voor hoogmoed. De apostel kon niets meer van zichzelf verwachten. Hij wist maar al te goed, hoe waardeloos hij was. Nochtans blijft het staan, wat al Gods kinderen en knechten moeten en mogen naspreken, met vreze in het hart: Er gaat een goede reuk van mij uit! O nee, niet van mij, maar van Christus door mij. Van Hem, Die als het rookwerk is fijn gestampt in de vijzel door Gods stamper nu een zoete geur verspreidt door Zijns Zelfs Offerande op het hout, waar Hij is geworden als een zoete en welaangename geur, gelijk het reukwerk op het gouden wierookaltaar. Daar is niets van Paulus bij. Hij verdwijnt geheel en al, maar omdat zijn mond – die vol was van vervloeking – vervuld mag zijn van die gezegende Naam, dáárom is Paulus een goede reuk. Niet in zichzelf dus, maar in zijn Borg, Wiens Naam en eer hij draagt onder de heidenen. Waar de apostel ook komt: hij predikt die Naam. De noodzakelijkheid van het Offer en de heerlijkheid van deze gekruisigde Borg. O, de apostel had zelf die heerlijke geur opgesnoven! De Heere was gekomen in zijn leven en had plaats gemaakt voor Zijn Naam. Hij mocht nu deze Naam proefondervindelijk kennen. Daarom had hij deze Naam zozeer lief, dat hij er niet van zwijgen kon. Hij wenst maar één ding: Een verbreider van die reuk te zijn.
Wat ruikt de wereld aan ons. Evangeliebelijders? Gaat er een lijklucht van ons uit, omdat we nog omgaan met een dode wereld, een kreng dus? Gaat er een lijklucht van ons uit, omdat we nog dode werken hebben en er niet in onze consciëntie gereinigd van zijn? Omdat we het houden bij de letter, die doodt? Omdat we gaarne geuren met onze naam en qualiteiten? We beledigen de reuk van dit welriekende Offer des Lams, Dat Zichzelf liet verbrijzelen en tot reukoffer liet bereiden, opdat verzoening bewerkt werd.
Is ons leven reeds door genade schoongebrand van al die vuile luchtjes? Mag onze buurman aan ons ruiken? En ruikt hij dan aan ons de goede reuk van Christus? Wensen we Hèm te verheerlijken? Hebben wij in ons hart – en dat is de andere kant! – ook reeds iets geroken van deze goede reuk? Of vinden ook wij de reuk van het Evangelie maar een nare lucht, omdat er niets afsnijdender is dan de prediking van de eeuwige verkiezende Liefde des Vaders en de eenzijdige kracht des Geestes en de onverdiende genade des Zoons?
Laat ons onszelf niet bedriegen: het Evangelie is en blijft een goede reuk, want God Zelf heeft deze wierook samengesteld en bereid, maar het is dat voor u en mij alleen in het geloof. Dus als wij onszelf hebben leren afkeuren.
De apostel heeft zich vroeger gruwelijk gestoten aan deze zoete reuk van Christus. En dat was niet per ongeluk, maar dat was omdat het zozeer tegen alles van de farizeeër ingaat. Dat is heden ten dage nog niet anders. Het 16e vers spreekt er nader van, wat we in de laatste meditatie hopen te overdenken.
Nu dienen we allen tot onszelf in te keren en ons eerlijk af te vragen: Ben ik ontledigd van mezelf, zodat ik waarlijk geen andere Naam wens te prediken, geen andere reuk wens te verbreiden, dan die van mijn gezegende Borg? Of ben ik bezig om het Evangelie te vermengen met menselijke zaken, zodat ik helemaal niet een goede reuk ben, maar een gifmenger? Slechts dat Evangelie, dat de mens op het diepst vernedert, verhoogt God op het hoogst en verheerlijkt de Naam van het Lam, waarom ook alleen dát Evangelie en die prediking Gode een goede reuk van Christus zijn.

W. Pieters, Genemuiden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's