Calvijn over Gods beloften (4)
Belofte en boetvaardigheid
De vraag of en wanneer wij Gods beloften mogen aangrijpen is voor Calvijn waarschijnlijk minder problematisch geweest. Althans, hij brengt haar niet ter sprake op de wijze, waarop dat vandaag in de Gereformeerde Gezindte doorgaans pleegt te gebeuren. De reformator gaat principieel uit van de onvoorwaardelijkheid van de beloften. Tegenover de scholastieke theologie heeft hij benadrukt dat de beloften niet afhankelijk zijn van onze goede werken. Zij zijn evenmin afhankelijk van onze boetvaardigheid. Onze tranen over de schuld en onze verslagenheid vanwege de zonde, vormen niet de basis, op grond waarvan wij ons de beloften mogen toeëigenen. Dat betekent ondertussen niet, dat Calvijn geen weet zou hebben van de noodzaak van verbrijzeling en zondekennis.
In dit verband valt te wijzen op de indrukwekkende preken over het leven van Abraham. Als een telkens weer terugkerend refrein wijst Calvijn er zijn gemeenteleden op, hoe zij een voorbeeld hebben te nemen aan deze vader der gelovigen, door net als deze het enkel en alleen met Gods beloften te wagen. Deze constante en consequente verwijzing naar de promissio, die ons om niet wordt aangeboden, belet Calvijn evenwel niet om ook voortdurend de bóetvaardigheid ter sprake te brengen. Hij is er diep van overtuigd, dat alleen lege handen door God worden gevuld en dat slechts zij verzadigd worden, die werkelijk hongeren. Het is nodig, dat wij om gunst en genade van God te verkrijgen, goed ingezien hebben, wie wij zijn en hoe ellendig onze toestand is. Het is niet voldoende een zondekennis te hebben die 'ergens in onze hersenen rondfladdert', wat wij nodig hebben, is dat wij in onze harten dodelijk verslagen zijn. Wat heb je aan voedsel, als er geen honger is? Wie dik en zat is, verlangt niet naar brood. Wie niet ziek is, vraagt niet om een geneesmiddel. Men zal Calvijn in dit opzicht echter niet mogen misverstaan. Nimmer mag over het hoofd gezien worden, dat de reformator de zondekennis niet verzelfstandigt, maar altijd laat opkomen vanuit het Woord. Wij leren onze schuld slechts kennen in de spiegel van het Woord, met name door het Woord van Gods wet. Bovendien moet het ons opvallen dat Calvijn nergens zegt: een mens moet eerst zijn ellende leren kennen, alvorens hem de beloften van het Evangelie gepredikt mogen worden. Terecht merkt drs. K Exalto in een bespreking van deze Abrahampreken op, dat een dergelijke zienswijze niet stamt uit de Reformatie, maar uit het Piëtisme. Calvijn stelt de ontdekking aan de schuld niet als voorwaarde voor de aanbieding of effectuering van de beloften. Hij preekt het Woord Gods, als een onthullend en ontdekkend woord. 'God heeft ons in Zijn Woord levendig willen treffen, zegt hij, en wil dat het volk antwoordt: amen, dat wil zeggen, dat ieder belijdt, dat het vonnis dat God uitgesproken heeft, rechtvaardig en billijk is.' De Geneefse hervormer kan en mag niet gespannen worden voor de kar van hen, die een verzelfstandigde wetsprediking, los van de belofte voorstaan. Er is geen sprake van een systeem, een bekeringsschema waarin wet en Evangelie, gebod en belofte niet naast elkaar, maar na elkaar verkondigd worden. Wet en belofte worden in een levendige en indringende verkondiging bijeen gehouden, waarbij de wetsprediking niet op zichzelf staat, maar louter erop gericht is de zondaar uit te drijven naar de promissio gratuita (genadige belofte, ons woord gratis klinkt erin mee!), die als een reddingsboei hem onverdiend en onvoorwaardelijk wordt toegeworpen. De enige voorwaarde, die aan de aanbieding der beloften verbonden wordt, is, dat wij deze in geloof en gehoorzaamheid omhelzen. Op geen enkele wijze zijn deze afhankelijk van enige verdienste of hoedanigheid onzerzijds.
Excurs
Nadat wij Calvijns visie op de verhouding belofte en geloof van een aantal zijden belicht hebben, maken we even pas op de plaats om een vergelijking te maken met de opvattingen, die in later tijd over deze zaak opgang deden. Hierbij kan in het bijzonder gedacht worden aan de vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie. Ik realiseer me, dat zo'n vergelijking tamelijk gewaagd is, vanwege het gevaar van generalisering. In feite is het onmogelijk te spreken van dé Nadere Reformatie. Ook binnen deze stroming in het Gereformeerd Protestantisme waren er nuances en accentsverschillen. Bij iedere 'oude schrijver' liggen de zaken weer anders. Niettemin kunnen wel bepaalde tendensen aangewezen worden, die min of meer typerend zijn voor de beweging als geheel. Bij voorbaat zij ook opgemerkt, dat ik niet behoor tot degenen die de Nadere Reformatie afschrijven en alleen maar als ontsporing ten opzichte van de Reformatie beschouwen.
Naar mijn diepste overtuiging ligt er in de geschriften van de oudvaders een geestelijke goudmijn, die het ook in de twintigste eeuw nog volop waard is opgedolven te worden. Ik denk met name aan de grote kennis van de hoogten en diepten, die zich in het leven met God kunnen voordoen, het diepe inzicht in de roerselen van de menselijke ziel, de grote nadruk op de verborgen omgang met God, de aandacht voor de huigodsdienst en het belang van de opvoeding in de vreze des Heeren, de gespannen toekomstverwachting, waarbij Israël niet over het hoofd gezien wordt. Zo zou er meer genoemd kunnen worden.
Niettemin meen ik, dat zich in de Nadere Reformatie met name op het punt van het leven uit Grods beloften ingrijpende verschuivingen hebben voorgedaan ten opzichte van de reformatorische theologie. Kort en bondig kan men deze ontwikkeling typeren als een verlegging van de aandacht van het object naar het subject van het geloof. Niet de beloften Gods staan meer in het middelpunt, maar de gelovige mens. Een van de oorzaken daarvan is gelegen in het feit, dat de beloften door sommige oudvaders, anders dan Calvijn, als conditioneel gezien worden. Men mag niet zomaar geloven en steunen op de promissio Dei, maar men moet daarvoor aan enkele voorwaarden voldoen. Deze theologen vrezen voor het gevaar van 'een ingebeeld, gestolen geloof en gestolen goed gedijt niet. Eerst moet het recht en de vrijmoedigheid om te geloven door God worden geschonken. Ook aan het gelovig omhelzen van Gods beloften behoort dus allerlei geestelijke werkzaamheid vooraf te gaan' (H. Bavinck).
Zo stelde W. Teellinck (1579-1629), dat de beloften alleen gelden voor hen, die bekeerd zijn. Pas wanneer wij in onszelf enigermate de kenmerken bespeuren van een waarachtige bekering mogen wij concluderen, dat de algemene beloften van de Schrift ook voor ons persoonlijk bestemd zijn.
In zijn 'Huysboeck' spreekt Teellinck over 'conditien' van de Evangeliebelofte en verklaart daarbij dat wij aan deze voorwaarden moeten voldoen, alvorens wij de beloften ons mogen toeëigenen. Want alleen aan hen 'die over hun zonden verslagen en bedroefd zijn, allen die zich van hun zonden bekeren en hun zaligheid alleen in Christus zoeken, aan die is Christus beloofd, die behoort Hij toe en hun Zaligmaker is Hij'. Dit vernomen hebbend uit het Woord van God gaat de gelovige ziel bij zichzelf te rade, of hij bedroefd en verslagen is over de zonde, zich van zijn zonden bekeerd heeft tot God en zijn zaligheid alleen in Christus zoekt. 'Dit dan door de oprechte onderzoekingen der gelegenheid des harten vastgesteld zijnde, zo besluit ten lesten de gelovige ziel, steunend op het Woord en de belofte van God, die niet bedriegen kan, aldus: Zo is dan de Heere Christus met al Zijn verdiensten ook mij beloofd, zo is Hij dan gewisselijk mijn, ja, mijn eigen Zaligmaker.'
Gods beloften worden volgens Teellinck weliswaar algemeen aangeboden, maar wij mogen deze beloften ons eerst persoonlijk toeëigenen, wanneer wij er door sluitrede (syllogismus) achtergekomen zijn, dat wij aan de door de Schrift gestelde voorwaarde voldoen, dat wil zeggen, wanneer wij een bepaalde innerlijke gesteldheid bij onszelf constateren.
Ook W. à Brakel (1635-1711) ontkent, dat de beloften van God onvoorwaardelijk zijn. In zijn bekende 'Redelyke Godtsdienst' poneert hij onomwonden, dat er voor een onbekeerde geen beloften zijn in de Bijbel. Wanneer deze zich toch beloften toeëigent, bedriegt hij zichzelf. De 'hekkesluiter' van de Nadere Reformatie, Th. van der Groe (1705-1784) heeft met name de boetvaardigheid tot voorwaarde gemaakt voor het aannemen van de beloften. Alvorens de Evangeliebeloften te omhelzen, moet men zich eerst door de prediking van de Wet verslagen en verloren weten. Hij dringt aan op zelfonderzoek, waarbij wij onszelf afvragen, of wij de beloften van Christus wel eerlijk en op de juiste tijd hebben aangenomen. 'Dat is of gij ook een waar boetvaardig en verslagen zondaar voor God geworden zijt? Want dezulken alleen kunnen de beloften op deze wijze aannemen.' De tollenaar, van wie wij in het Evangelie lezen, nam de belofte der genade eerlijk en op het juiste ogenblik aan, zodra zijn hart wegens zijn zonden voor de hoge God geheel gewond en verslagen was. Daarom ging hij ook gerechtvaardigd naar zijn huis. Als hij de belofte anders of eerder had aangenomen, zou ze hem naar de mening van Van de Groe zeker tot verdoemenis gestrekt hebben.
Net als het de dwaze maagden tot verdoemenis strekte, dat zij hun lampen ontstoken hadden aan het licht van de evangelische beloften, alvorens zij enige olie van ware boetvaardigheid en van ongeveinsd geloof hadden ontvangen in hun vaten.
Wij bevinden ons hier zonneklaar in een ander klimaat dan bij Calvijn. De kenmerken in de gelovige zijn van doorslaggevende betekenis geworden voor het al of niet mogen aanvaarden van de beloften. Terecht kon door dr. T. Brienen vastgesteld worden, dat de gerichtheid op de beloften Gods in de Nadere Reformatie wordt overwoekerd door een overmatige bekommernis om de subjectieve gesteldheid Van de mens.
Het gevolg van deze verschuiving van object naar subject des geloofs is vooral geweest een ondergraving van de geloofszekerheid. Van een rechtstreekse zekerheid, gebaseerd op de betrouwbare beloften Gods, is geen sprake meer. De zekerheid van het geloof kan alleen verkregen worden op indirecte wijze, namelijk langs de weg van een syllogisme. 'In feite wordt de mens hier verwezen naar zijn ervaring, om daaruit zekerheid te verwerven. Daarmee is de concentratie van de mens op zichzelf gegeven, gevoed door een prediking, die zielsgestalten breed uitmeet, maar niet meer vanuit de beloften Gods, de heilsfeiten, de openbaring appelleert' (W. Balke).
M. van Campen, Woerden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's