De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een herwaardering van het Piëtisme in Nederland (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een herwaardering van het Piëtisme in Nederland (1)

10 minuten leestijd

Een proefschrift van meer dan 700 bladzijden is een unicum en zal dat ook wel blijven. Het is maar goed dat het boek, waar het in dit geval over gaat, verpakt is in een stevig jasje, dat wil zeggen een forse band, die er bovendien ook nog zeer fraai uitziet.
Wij beginnen daarom met een dubbele felicitatie. Een felicitatie aan het adres van de man, die het gepresteerd heeft zo'n formidabel boek te schrijven, en dan nog wel van zulk een gehalte, dat er een doctorstitel op volgen kon, ds. W. J. op 't Hof, predikant te Ouddorp. Hoeveel uren hij hierin geïnvesteerd heeft is zelfs niet bij benadering te schatten. Alleen al het lezen vereist, wat tijd betreft, een grote inspanning, laat staan het schrijven, om maar te zwijgen over het onderzoek, dat eraan voorafgegaan is. Wij spreken graag daar ons respect voor uit.
Maar een felicitatie ook voor de uitgever, de ons zo bekende 'Lindenberg' te Rotterdam, die aan dit boek een vorm gaf, die er geheel bij past. Het zou al te zeer met de omgeving detoneren, wanneer in een boekenkast van een liefhebber van 'oude schrijvers', met al die statige kwartijnen of zelfs folianten, een slap en dus al te 'bewegelijk' ingenaaid libel een plekje zou moeten zoeken. Dit boek heeft althans benen om te staan, en men kan op de rug al zien dat het werkelijk thuishoort zelfs in de meest degelijke bibliotheek. Het is nog wel niet van perkament, het bli/jft, of de auteur het betreurt of niet, toch een boek van déze tijd, dat wel, over de oudvaders gaat maar niet zelf tot die oudvaders behoort, maar het past tenminste – in ieder geval uiterlijk – enigszins in hun gezelschap.

Plaatjes
Er is over dit boek heel veel goeds te zeggen – en ik wil dat ook doen –. Neen, echt het is toch niet een 'plaatjesboek', ook al komen er zo'n kleine honderd bladzijden van – saaie – boekentitelpagina's in voor. Ik beschouw deze plaatjes als functioneel. Het is alsof Op 't Hof wil zeggen: zie je wel, dat deze boeken écht bestaan, ik heb ze zelf gezien en gezorgd voor een fotocopy. Hij wil hiermee bijkans dwingend bewijzen dat er waarlijk een enorme invloed uitgegaan is van de oude piëtistischpuriteinse geschriften, oorspronkelijk in het Engels geschreven, op het Nederlandse geestesleven in het begin van de 17e eeuw, door middel van vertalingen. Het is niet altijd zo gezien en zo gezegd, er waren er in het verleden die ter verklaring van het Nederlandse Piëtisme al te uitsluitend wezen in de richting van Genève. Maar dat zal nu wel voorbij zijn. De plaatjes en de feiten in Op 't Hofs boek liegen er niet om.

Cijfers
Grote bewondering heb ik ook voor Op 't Hofs belezenheid. Hij heeft al die boeken niet alleen opgespeurd, wat op zichzelf een hele prestatie is, maar ze ook gelezen. En nog meer dan dat. Want – merkwaardigerwijs – men komt in dit boek ook heel wat getallen tegen. Op 't Hofs hoofd lijkt wel een computer te zjn. Alle vergelijkingen worden omgezet in cijfers. Ik heb ze niet allen gecontroleerd, daar heb ik de tijd niet voor, maar ik ervoer ze als indrukwekkend. Toch, ongezocht, kwam ik ergens iet tegen dat aan de hooggaande precisie van Op 't Hof ontgaan moet zijn. Met een zeker, overigens gemoedelijk, leedvermaak' (want ik voel me door al die cijfers overrompeld) kan ik niet nalaten dit ene foutje dat ik vond toch te releveren. Op blz. 584 staat dat Jacob Cats in 1603 te Cambridge onder het gehoor van Perkins zat. De werkelijkheid daarvan kan ik me moeilijk voorstellen, want in 1603 lag de goede man al ongeveer een jaar in zijn graf. Men begrijpe: bij een boek van deze omvang is zo'n foutje maar een kleinigheid.

Inhoud
Anders wordt het als we het gaan hebben over de eigenlijke inhoud en strekking van dit boek. Op 't Hof heeft, wat zeer wijs is, zijn onderwerp beperkt gehouden. Zijn onderzoek strekt zich niet verder uit dan tot het jaar 1622. Alleen aan het einde van zijn proefschrift blikt hij wat verder in de 17e eeuw. Betekent dit dat wij een vervolg op dit werk hebben te verwachten? Er ligt dan nog heel wat werk te wachten, maar gezien de onvoorstelbare ijver van de auteur kan ik nauwelijks denken, dat hij het bij zijn proefschrift alleen zal laten. Ik meen opgemerkt te hebben, dat er in zijn studie een zekere 'gedrevenheid' zit, en waarom zou dat ook niet mogen? Er zal dus nog wel meer komen. En wat er komt, dat zal – dat durven wij gerust te profeteren – van kwaliteit zijn. Ongeacht of men het met de schrijver eens is of niet (en wat mij betreft: ik ben het niet in alles met hem eens), het is onmiskenbaar, dat hetgeen hij schrijft ook van eigen onderzoek getuigt.
En nu wij het toch daarover hebben: het eigen onderzoek – ik hoop van harte dat Op 't Hof daar dan ook de 'Reformatie' in zal betrekken. Nu, in zijn proefschrift, ontbreekt dat. Wat over de reformatoren beweerd wordt is uit de werken van anderen, her en der, weggeplukt. Ik meen geen woord teveel te zeggen als ik beweer dat Op 't Hof Calvijn nauwelijks kent, en dat Luther een totaal 'vreemde' voor hem is. Begrijpelijk, als men zovele jaren lang zich met één thema, het Piëtisme, heeft moeten bezighouden. Men kan niet alles tegelijk omvatten. Bovendien, en dat is de grote kwaal, waaraan ieder die zich op één thema concentreert lijdt, dat éne thema wordt de bril waardoor men verder alles gaat zien. Een thema kan een onderzoeker gaan obsederen. Hij ziet overal dat ene thema, of hij ziet overal die ene man. Schimmen worden werkelijkheden. Alles wordt getrokken binnen de kring van het ene thema.

Beneveling
Bij Op 't Hof bespeur ik daar ook iets van. Hij ruikt overal Piëtisme. De wijn van de Nadere Reformatie, die volgens stelling 6 van zijn proefschrift, op diverse punten te prefereren is boven de Reformatie, is hem zozeer naar heit hoofd gestegen, dat hij het onderscheid, dat er tussen beide is, zo goed als niet meer ziet. Hoe goed de Nadere Reformatie ook is – ik noemde haar 'wijn', ze moet ons toch niet benevelen.
Dat ik niet teveel heb beweerd, wordt bewezen onder andere uit het feit, dat Op 't Hof, ondanks zijn stelling, hier en daar in zijn boek toch ook wel andere, bétere geluiden laat horen. Op blz. 176, waar Op 't Hof het heeft over de puritein Lewis Bayly, stelt hij 'calvinistisch' en 'piëtistisch' tegenover elkaar, en naar ik meen niet ten onrechte. Nog verder gaat hij echter op blz. 223. Het gaat daar over de puritein William Cowper. Cowper leerde, dat een christen via de kenmerken kan komen tot de zekerheid des geloofs. Maar, zegt Op 't Hof, daarbij is hij niet blijven staan. En nu citeer ik: 'Niet in de gelovige, maar in Christus ligt de grond van de zaligheid en ook van de zekerheid. Cowper gaat hierin zo ver, dat hij nadrukkelijk stelt, dat de gelovige uiteindelijk slechts dan is verzekerd, wanneer hij het anker van zijn ziel werpt op de steenrots, die hoger is dan hijzelf: Jezus Christus. Reformatorischer kan dit gedeelte, dat piëtistisch begint, niet eindigen.' Tot zover dit citaat. Het is mij uit het hart gegrepen, maar daar gaat het nu niet om. Waar ik de vinger bij wil leggen is, dat Op 't Hof hier heel duidelijk – en terecht – een diepgaand onderscheid constateert tussen reformatorisch en piëtistisch, en nog wel op een zo wezenlijk punt als de zekerheid des geloofs. Gelukkig spreekt hier, ondanks zijn Piëtisme, toch ook Op 't Hofs eigen reformatorisch hart, want dat hij hier 'reformatorisch' stelt boven 'piëtistisch' is zonder meer duidelijk. Alleen: ik kan dit niet in overeenstemming brengen met Op 't Hofs stellingen, zeker niet met stelling 5: 'Reformatie en Nadere Reformatie verschilden niet wezenlijk van elkaar'. O neen? Is dat zómar te poneren? Maar waarom stelt Op 't Hof dan zélf beide tegenover elkaar? Ik zou liever zeggen: Zij verschilden niet in alle opzichten van elkaar, gelukkig niet, maar verschillen waren er, en zelfs diepgaande.

Contradictie
Maar er is nog meer. De zojuist genoemde vijfde stelling, waarin beweerd wordt dat Reformatie en Nadere Reformatie niet wezenlijk van elkaar verschilden, kan ik onmogelijk op één lijn brengen met datgene wat Op 't Hof juist in heel zijn boek tracht aan te tonen. De hóófdstelling van dit boek is immers, dat omstreeks 1600 er in de Nederlanden in het geestesleven een verandering is opgetreden. De oude stichtelijke werken, als Calvijns Institutie en Bullingers Huisboek, deden het niet meer zo goed. Men begeerde wat anders dan de oude Reformatorische lectuur. Er ontstond een openheid naar de kant van de puriteinen. Hun 'Piëtisme' kwam aan de behoeften, die er toen leefden, tegemoet. Teellinck introduceerde onder ons de piëtistische lectuur uit Engeland, anderen volgden. Weldra overstroomde ons een hele vloed van piëtische boeken, zowel vanuit het buitenland (Engeland) als ook uit eigen land.
Gezien nu deze hoofdstelling van Op 't Hofs boek is de zojuist genoemde stelling 5 een zeer wonderlijke, ja tegenstrijdige. Was het inderdaad waar, dat Reformatie en Nadere Reformatie niet wezenlijk van elkaar verschillen, waarom was men dan, circa 1600, met de reformatorische geschriften niet meer tevreden; waarom ging men dan om iets anders vragen; waarom greep men dan voortaan naar de piëtistische lectuur? Hier klopt iets niet in de redenering van Op 't Hof. Stelling 5 is in directe tegenspraak met de strekking van heel zijn boek.
Natuurlijk begrijp ik wel, hoe Op 't Hof tot deze contradictie gekomen is. Bij hemzelf is, getuige zijn boek en zijn stellingen, aanwezig dezelfde tweesporigheid, zelfs tweepoligheid, die hij in zijn studie meer dan eens geconstateerd heeft bij de gereformeerde piëtisten, wier inzichten hij beschreef. Zij stonden in de traditie van de Reformatie, met name van het Calvinisme, zij waren reformatorisch, gereformeerd en wilden dat – gewoonlijk – ook welbewust zijn en blijven, en tóch waren zij anders, anders dan de reformatoren en was hun 'theologie' bepaald niet die van Luther, Calvijn, Bucer en vele anderen. Zij hinkten in zekere zin op twee gedachten. Zij liepen op een reformatorisch en op een 'piëtistisch' been, waarbij de een zwaarder rustte op het ene en de ander op het andere. Zij konden soms, zoals Op 't Hof zegt met betrekking tot Cowper, piëtistisch beginnen en reformatorisch eindigen. En wannéér?, vraag ik dan. Als zij dan met hun Piëtisme niet 'uit'kwamen, zelf gingen beseffen, dat het toch niet de eigenlijke oplossing bood. Dan zwenkten ze haastig om, en stonden zij ineens op het reformatorisch been. Want met de 'kenmerken' alleen – om me hiertoe te beperken – komt men er niet. Die grond is te zwak om waarlijk in het gericht van God te kunnen bestaan. Het anker der hoop ligt dan in het schip en niet buiten het schip. Vandaar dat Cowper, aan het einde, maar hij had ermee moeten beginnen en dat geldt voor zovele piëtisten, zegt dat het anker 'hoger' (men kan ook zeggen 'dieper') moet worden geworpen, te weten in de steenrots Christus. Dát is reformatorisch!
Op 't Hofs proefschrift, waarvoor – het zij nogmaals gezegd – ik veel waardering heb, wankelt teveel. Wat 'reformatorisch' is, blijft teveel in de schaduw. En daar is – de volgende keer – nog wel wat meer over te zeggen.

K. Exalto

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een herwaardering van het Piëtisme in Nederland (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's