Uit de pers
Het karakter van de christelijke school
Het begon met een artikel van prof. dr. J. Verkuyl in het Centraal Weekblad van 4 september waarin deze er voor pleitte dat de christelijke school in een multireligieuze samenleving als de onze zich duidelijk profileert: een school met de Bijbel die zonder dwang of geweld wervend en winnend in de samenleving staat. Verkuyl zet zich af tegen de visie van diegenen, die van oordeel zijn dat christelijke schoolbesturen en onderwijsgevenden er niet op uit mogen zijn om op voor wat manier dan ook moslimse kinderen of kinderen van andersdenkenden en andersgelovenden tot christenen te maken. Verkuyl heeft ook moeite met de term 'ontmoetingsschool' als type naast de open christelijke school. Op dit artikel is geantwoord door drs. K. de Jong, voorzitter van de Unie School en Evangelie (CW van 16 oktober). De Jong verzet zich tegen de gedachte van een samenwerkingsschool die als basis heeft meer dan een levensbeschouwelijk uitgangspunt. De Jong heeft tegen een ontmoetingsschool op zich geen bezwaar mits duidelijk blijkt dat men elkaar ontmoet op de basis van het feit dat mensen van welke levenssituatie ook gelijkwaardig zijn, maar de godsdiensten niet. Ontmoeting betekent dan ontdekking van de geloofsbeleving van de ander.
'De christelijke ontmoetingsschool is daarmee en daarom geen samenwerkingsschool, geen interreligieuze school, geen samen-als-gelovigen onderweg school. Maar zij is wel een christelijke school met een moeilijke, maar geweldige uitdaging.
De Unie "School en Evangelie" wil met de navolgende verklaring onduidelijkheid omtrent haar standpunt over de christelijke ontmoetingsschool graag wegnemen. Zij wil scholen die weloverwogen voor zo'n schooltype hebben gekozen bemoedigen. Anderzijds wil zij het van sommige kanten beweerde nietchristelijke karakter van zo'n school weerspreken.
De Unie 'School en Evangelie' constateert dat er protestants-christelijke scholen zijn die hebben gekozen voor een toelatingsbeleid dat ruimte biedt aan leerlingen van andersgelovige ouders. Deze scholen aanvaarden daarmee als consequentie de opdracht deze leerlingen binnen hun etnische, religieuze en culturele identiteit te helpen zich optimaal te ontplooien. Deze opdracht impliceert dat onderwijsgevenden in het totale onderwijsaanbod recht willen doen aan de identiteit van deze leerlingen. Zij voelen hun verantwoordelijkheid des te meer daar waar vele anders-gelovige leerlingen behoren tot maatschappelijk kwetsbare groepen. Zij realiseren zich dat evenals bij het christelijk geloof ook bij andere godsdiensten geloof en leven niet te scheiden zijn.
Deze protestants-christelijke scholen menen dat, zonder zulke omstandigheden, volledige aanpassing aan het door het christelijk geloof bepaalde onderwijsaanbod tekort zou doen aan de anders-gelovige leerling zou kunnen betekenen, een onvoldoende gastvrijheid aan de 'vreemdeling' en gebrek aan naastenliefde. Deze scholen kiezen daarom in zulke omstandigheden voor de ontmoeting met andersgelovige leerlingen. Daarmee willen wij tot uitdrukking brengen hun bereidheid deze leerlingen in hun anders-zijn uiterst serieus te nemen.
De Unie 'School en Evangelie' is van mening dat een christelijke ontmoetingsschool daarbij de volgende uitgangspunten dient te hanteren. Zij is een school:
– met de bijbel, met andere woorden: van een relativeren van de normatieve Godsopenbaring in Jezus Christus is in de ontmoeting geen sprake;
– waar op grond van de bijbel wordt gekozen voor een bewuste ontmoeting met anders-gelovigen (en niet-gelovigen);
– waar men meningen en geloofsopvattingen van anderen respecteert en waar men elkaar aanvaardt zoals men is;
– waar getracht wordt wederzijdse misvattingen geen kans te geven.
Daarom betrekt men bijvoorbeeld waar nodig de geestelijke (pandit of imam) bij de voorbereiding van de les;
– waar op het toekomstperspectief van Jesaja 2 (alle volkeren zullen optrekken naar Jeruzalem) en Openbaring 22 (En de troon van God en van het Lam zal daarin zijn en zijn dienstknechten zullen Hem vereren) als het ware wordt vooruitgelopen;
– waar als regel alle leerlingen deelnemen aan het totale onderwijsaanbod, inclusief godsdienstige vorming. Dit betekent dat deze christelijke school van de anders-gelovigen mag vragen dat zij de identiteit van de school respecteren;
– waar in het totale onderwijsaanbod rekening wordt gehouden met de anders-gelovigen;
– waar men ervan overtuigd is dat dwang en geloofsbeleving elkaar niet verdragen en daarom deze anders-gelovige leerlingen niet aan zet tot deelname aan die christelijke geloofsuitingen (bijvoorbeeld het zingen van geestelijke liederen en bidden) die een persoonlijke relatie met God in Christus veronderstellen. Zulk respect mag er uiteraard niet toe leiden dat men deze christelijke geloofsuitingen achterwege laat;
– waar de ontmoeting niet afhankelijk mag zijn van de toevallige interesse en betrokkenheid van een onderwijsgevende, maar waar deze keuze in het Schoolwerkplan ligt verankerd;
– waar men ervan uitgaat dat deze ontmoeting een wederzijdse verrijking kan betekenen.'
De Unie spreekt voorts uit dat men zich op een weg bevindt die bijna onbetreden is gezien de vele nieuwe vragen en waar men zeer behoedzaam zijn weg moet gaan, lettend op de ontwikkelingsfasen waarin leerlingen zich bevinden. Discussie over geloofsovertuigingen past dan ook beter binnen voortgezet onderwijs dan binnen het basisonderwijs.
Graag nemen we goede nota van het feit dat de Unie heel duideijk een samenwerkingsschool afwijst en nadrukkelijk stelt dat voor heel het christelijk onderwijs in Nederland de openbaring van God in Jezus Christus normatief is.
Toch blijft de vraag klemmen – en de verklaring van de Unie maakt dat niet duidelijk; in hoeverre een dergelijk schooltype spoort met het eenvoudige Bijbelwoord dat toch altijd sterk heeft doorgewerkt in het onderwijs: 'Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze niet'. Is men niet te optimistisch ten aanzien van het effect van de ontmoeting? Zal het effect op jonge kinderen toch niet zijn, dat het kennelijk allemaal niet zoveel verschil maakt, te meer als naast de christenonderwijzer ook de pandit of imam op school zijn intrede doet. Hoe is voorts de verwijzing naar Jesaja 2 en Openbaring 22 te verstaan? Het universele perspectief van Jesaja 2 is meer dan een ontmoetingsgebeuren, maar staat onder het voorteken: Uit Sion zal de Wet uitgaan. De volken trekken op naar en onderwerpen zich aan de heilzame openbaring van de God van Israel die in Jezus Christus dit beloftewoord vervult. Met andere woorden Jesaja 2 staat niet los van de opdracht van Matth. 28. Over deze dingen blijft de verklaring toch uiterst vaag.
Geen uitholling
Verkuyl komt daarom in het nummer van 20 november nogmaals terug op deze zaak in een artikel dat als kop heeft: Uitholling van het christelijk onderwijs gaat allen aan. Terecht wijst hij op het tweeslachtige karakter van de verklaring van de Unie.
'De Raad van Beheer van de Unie School en Evangelie heeft een verklaring gepubliceerd die ten doel heeft helderheid te brengen in de verwarde discussies over de christelijke ontmoetingsschool. Uit die verklaring blijkt, dat de Unie positief staat ten opzichte van de christelijke ontmoetingsschool, op voorwaarde dat de tien in deze verklaring vermelde uitgangspunten door die ontmoetingsschool worden aanvaard en toegepast in zulke scholen.
Het verheugt me dat in deze verklaring bij het eerste uitgangspunt de nadruk wordt gelegd op de "normativiteit van Gods openbaring in Jezus Christus", maar de verdere uitwerking van deze tien punten draagt het karakter van een compromis.
Men kan met deze verklaring alle kanten uit. Degenen die er de nadruk op leggen, dat de christelijke school haar identiteit niet inlevert kunnen zich er op beroepen en degenen die onder de vlag van christelijk onderwijs toch in feite een multi-religieuze of samenwerkingsschool willen, kunnen met bepaalde formuleringen aan de haal gaan. Dat laatste is niet denkbeeldig, want in feite wordt door deze verklaring een onderscheid gelegitimeerd en gestimuleerd tussen het type van de "open christelijke school" en een nieuwe type, namelijk "de ontmoetingsschool".
Drs. J. H. Gerritsen en drs. J. D. Kraan leggen er in hun publicaties de nadruk op, dat er een duidelijk onderscheid is en moet zijn tussen de 'open christelijke school' en dit nieuwe schooltype, de ontmoetingsschool. De schoolontwikkelaars zijn al bezig dit "schooltype" een eigen plaats te geven. De handboeken voor de ontmoeting in het protestants-christelijk basis- en voortgezet onderwijs worden al verspreid en aanbevolen.
Hoewel de Unie en de voorzitter van de Unie waarschuwen tegen stigmatisatie van diverse christelijke schooltypen, is die stigmatisatie al in volle gang, met alle school-organisatorische consequenties van dien.
Ik blijf er bij dat het nodig noch wenselijk is een nieuw type christelijke school te introduceren en dat we alles moeten doen wat we kunnen om aan de open christelijke school gestalte te geven. Het spreekt vanzelf dat een open christelijke school rekening moet houden met het leerlingenbestand, dat in Vroomshoop nu eenmaal anders is dan in De Pijp in Amsterdam of in de Schilderswijk van Den Haag. Onderwijsgevenden moeten op de hoogte zijn van de achtergrond en het milieu waaruit leerlingen komen. En het spreekt vanzelf dat de deugd der gastvrijheid behoort te worden beoefend en dat de onderwijsgevenden moeten meeleven met de leerlingen en de gezinnen waaruit ze komen. Natuurlijk mag er geen geestelijke dwang worden uitgeoefend op open christelijke scholen. Niemand mag worden gedwongen om mee te bidden, mee te zingen enzovoort, maar als ouders bewust hun kinderen toevertrouwen aan christelijke scholen, zouden dan de kinderen uit anders-gelovige of niet-gelovige milieus 'gespaard' moeten worden voor een duidelijke vertolking van de bijbelse boodschap, voor het horen van christelijke gebeden, voor de kennismaking met christelijke liederen en voor alles wat te maken heeft met een persoonlijke relatie met God in Christus?'
Verkuyl's pleidooi voor de open christelijke school bedoelt een pleidooi te zijn voor een christelijke school die haar deuren openzet voor elke ouder en elk kind dat christelijk onderwijs begeert, maar die niettemin heel duidelijk is in haar doelstelling als christelijke, school. Gastvrijheid eist dat de boodschap zo duidelijk mogelijk wordt doorgegeven. Christelijke scholen mogen in Nederland zichzelf zijn. Laten zij dat dan ook zijn. En laten zij zich vooral niet schamen voor de Boodschap die men meegeeft maar daarin duidelijk kleur bekennen tegenover elke leerling. Het is te hopen dat dit geluid in de kringen van het christelijk onderwijs gehoord zal worden. De problemen zijn niet eenvoudig. Dat moet ons voorzichtig maken in ons oordeel met betrekking tot een verklaring als de onderhavige. Maar de Unie is m.i. ook gediend met opbouwende kritiek, die voortkomt uit zorg om de identiteit van de christelijke school en het geestelijk welzijn van het kind dat aan de school wordt toevertrouwd.
Belijdenis en leven
De Duitse theoloog Ulrich Duchrow heeft onlangs gepleit voor een nieuwe Belijdende kerk, ditmaal tegen de machten van onze economische orde waarvan zoveel miljoenen slachtoffer zijn. Nu gaat het me niet om dit pleidooi, maar om enkele beschouwingen van dr. A. A. Spijkerboer en Evangelisch Commentaar van 20 november. Spijkerboer meent dat een belijdende kerk niet valt op te richten. Wel heeft het belijden van Christus konsekwenties.
'Wanneer wij nadenken over de vraag welke konsekwenties het belijden van Jezus Christus voor ons meebrengt stuiten we wel op het door Duchrow aangewezen probleem van de pervertering van onze economie. Maar ik denk dat we de spade nog wat dieper aan moeten zetten: hoort het niet bij het geloof van onze tijd om anderen aan jezelf op te offeren? Mensen hebben natuurlijk altijd anderen aan zichzelf opgeofferd, maar vroeger wisten ze nog wel dat dat zonde was, en nu wordt deze zonde door de ideologie van zelfontplooiing en zelfverwerkelijking, of door de vulgaire leuze "Gewoon fijn jezelf zijn!" gemaskerd, en zelfs gestimuleerd. Vraag niet wat voor ravage daardoor ontstaan is in de verhouding tussen mannen en vrouwen, en ouders en kinderen.
Ook de toename van de corruptie en de gewelddadigheid hangen hiermee mijns inziens samen. Er wordt natuurlijk gezegd dat ons land vroeger ook een corrupte bende was, maar dat dat niet in de openbaarheid kwam, dat het nu wel in de openbaarheid komt, en dat dat dan weer zo mooi is. Ik ben bang dat de feiten een andere taal spreken. Iemand die bij de belasting werkt vertelde me dat oudere mensen nog wel de moeite nemen hun inkomsten nauwkeurig op te geven, maar dat jongeren er een sport van maken de belasting te ontduiken. Op en rondom deze voetbalvelden spelen zich tonelen af die zich veertig jaar geleden in Zuid-Amerika afspeelden.
Toen tot onze verbazing, en we zeiden dat het hier niet kon gebeuren, maar het gebeurt hier nu wél. Het is nogal goedkoop het zgn. "Voetbalvandalisme" aan een stel losgeslagen jongens te verwijten: die jongens doen iets dat in de hele samenleving zit.
Zie je het aan jezelf opofferen van anderen, gestimuleerd door ideologieën en leuzen, als een uiting van wat onze tijd gelooft, dan is het ook niet moeilijk te begrijpen dat in onze economie gebeurt wat Duchrow zo scherp onder woorden brengt. We verkopen wapens aan wie ze maar kopen wil (Muiden-chemie, Philips!), we gaan over de ruggen van de armen in de Derde Wereld, we gaan met het milieu om op een manier die ons nog zwaar op zal breken, en in onze samenleving ontstaat een scheuring tussen hen die wel een positie hebben weten te bemachtigen, en hen die voorgoed buitenspel zijn komen te staan.
Moeten wij dan niet beginnen bij het grote gebod, dat we de Heere God alléén liefhebben, en dat we onze naaste liefhebben als onszelf? (Waarbij het dan zaak is goed duidelijk te maken dat je jezelf inderdaad op een bepaalde manier lief mag hebben. Die ideologie van zelfontplooiing en zelfverwerkelijking komt niet zomaar uit de lucht vallen: ze is óók een reactie van door een strakke, patriarchale orde verkreukelde mensen).
Het lijkt mij dan ook nodig te zeggen dat het bij het geloof in Jezus Christus hoort in persoonlijke verhoudingen trouw te zijn, de belasting niet te ontduiken, het openbaar vervoer niet te "nemen", en in de maatschappij eerlijk te zijn. Al lijkt dat laatste me voor een dominee gemakkelijker dan voor iemand die bijvoorbeeld in de bouw werkt!
Het moet tenslotte ook mogelijk zijn om vanuit de kerk tegenbewegingen in onze door Duchrow terecht geperverteerd genoemde economie op gang te brengen. Je ziet dat de bereidheid in de kerk om aan zulke tegenbewegingen mee te doen toeneemt, je ziet dat er hier en daar ook aanloopjes genomen worden, maar het zou allemaal nog op een veel bredere schaal en efficiënter aangepakt moeten worden.
Al deze dingen zijn nodig, en toch zijn ze niet het waarmerk van het geloof in Jezus Christus. Dat geloof leeft van de verbazing dat God zich met ons inlaat, dat Hij zich in Jezus Christus over ons verdraaide, verblindde en soms goed eigenwijze mensen ontfermt, en dat Hij ons in Jezus Christus de weg ten leven wijst.
Die weg ten leven wil dan ook wel begaan worden, maar die weg ga je incognito.'
Het stuk spreekt voor zichzelf en zij ieder ter overweging aanbevolen. Ik hoor in deze vertolking van de verhouding van 'geloof en leven' de puntige woorden van J. Koopmans die eens schreef: 'Leven zonder geloof is geen leven, geloof zonder Ieven is geen geloof. Men leze, ook zondag 23 en 24 van de Heidelbergse Catechismus. Wat Spijkerboer schrijft is m.i. een eigentijdse verwoording van wat onze vaderen bedoelden met de 'vruchten der dankbaarheid'. Geen opzienbare staaltjes van geloofsvirtuositeit, maar de nuchtere praktijk der Godzaligheid in het leven van elke dag.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's