De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Calvijn over Gods beloften (5)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Calvijn over Gods beloften (5)

7 minuten leestijd

Belofte en Christusgemeenschap
Zoals wij reeds zagen, heeft Calvijn het geloof gedefinieerd als kennis (cognitia), gefundeerd op de genadige belofte. Deze nadruk op het kenniselement van het geloof heeft hem meer dan eens het verwijt van intellectualisme opgeleverd. Met name A. Ritschl moet hier genoemd worden. Deze theoloog is van mening, dat Calvijn verantwoordelijk gesteld moet worden voor de intellectualisering van het geloof in de latere reformatorische theologie. Naar onze overtuiging wordt echter met dit oordeel allerminst recht gedaan aan de intenties van de reformator. Hoezeer voor hem geloof belofte-geloof is, nooit en nergens is daarom sprake van een 'simple cognoissance' (simpele kennis) of 'frigida notitia' (koude kennis). De concentratie op de belofte geeft aan Calvijns geloofsbegrip onmiskenbaar een sterke 'Sachtbezogenheit'. Dat wil zeggen: de aandacht is vooral gericht op het object des geloofs en veel minder op het subject. Maar toch komt deze strakke en strikte geloofszakelijkheid niet in mindering op de existentialiteit van Calvijns geloofsbeschouwing. Zijn belofte-geloof kan door en door 'bevindelijk' genoemd worden. Het ging Calvijn bepaald niet om een verstandelijk voor-waar-houden van Gods beloften, maar evenzeer om een toeëigening van datgene, wat ons in die beloften wordt aangeboden. De beloften die God ons laat verkondigen, zijn immers niet krachteloos en leeg, maar levend en tot de rand toe gevuld met Zijn ontferming. Calvijn noemt de beloften 'getuigenissen der goddelijke genade'. Ze komen voort uit Gods goedertierenheid. Ze schenken licht. Ze bieden de genade aan. Ze bewerken geestelijke vernieuwing.

Ja en amen in Christus
Op een ding legt Calvijn alle nadruk: alles, wat de beloften ons toezeggen, wordt ons slechts geschonken in Christus. In Christus zijn alle beloften ingesloten. Hij is het 'onderpand en het fundament' der beloften. In Hem zijn alle beloften Gods ja en amen. ledere belofte is een betuiging van Gods liefde. Maar aangezien niemand door God bemind wordt buiten Christus om, moeten wij onze ogen op Hem vestigen, zo dikwijls ons een belofte wordt aangeboden. In een preek over Psalm 89 : 31-39 wordt opgemerkt, dat wij, om ons op de juiste wijze op Gods beloften te verlaten, altijd het fundament moeten vasthouden, namelijk onze Heere Jezus Christus. Belofte-geloof en Christus-geloof worden door Calvijn blijkbaar onderscheiden. Het voorwerp van het geloof is voor hem weliswaar de belofte van God, maar omdat Christus de inhoud en de vervulling van de belofte is, moet Hij in eigenlijke en diepste zin worden aangemerkt als het voorwerp van het geloof. Ons wordt beloofd de vergeving van de zonden, maar deze is er alleen in het bloed van Christus. Beloofd is het leven, maar dat is slechts te zoeken in de dood en de opstanding van Christus. In de Institutie wordt door de hervormer aangetekend: 'Wij willen slechts deze twee dingen aanwijzen, dat het geloof nooit vaststaat, voordat het gekomen is tot de genadige belofte; en vervolgens dat wij niet anders door het geloof verzoend worden met God dan omdat het ons met Christus verenigt'. Om dit laatste, de verborgen gemeenschap met Christus (unio mystica cum Christo) is het Calvijn te doen. Daarop moet de omhelzing van de beloften uitlopen. Hij noemt deze vereniging met Christus wel het gevolg (effectus) of de vrucht (fructus) van het belofte-geloof.

Wel onderscheid, geen scheiding
Hoewel er dus een onderscheid is tussen de belofte en Christus, als inhoud der belofte, laat niemand menen die twee ook van elkaar te kunnen scheiden. Heel bekend is Calvijns uitspraak, dat wij Christus niet anders kunnen genieten, dan voorzover wij Hem omhelzen, 'omkleed met Zijn beloften'. Het is waar, dat wij aan geen enkele genadegave deel kunnen hebben, tenzij wij leden zijn van onze Heere Jezus Christus. Daartoe kunnen wij echter alleen geraken, doordat Hij Zich aan ons aanbiedt en ons tot Zich roept met de belofte, dat wij waarlijk met Hem verenigd zullen zijn en dat Hij in ons woont. Al vallen Christus en de belofte niet geheel en al samen, ze gaan wel hand in hand. Van een of andere tijdsorde of rangorde is hier geen sprake. Hooguit kan worden gesproken van een logische orde. Waar het om gaat, is, dat wij niet bij de belofte op zichzelf blijven staan, maar in en met haar Christus omhelzen. 'De beloften bieden Hem aan, niet opdat wij alleen bij het aanschouwen en de blote kennis zouden blijven staan, maar opdat wij Zijn ware gemeenschap zouden genieten.' In het beloftegeloof blijft Christus ons niet ver en vreemd, maar wil Hij zich allerinnigst met ons verenigen. Aldus krijgen wij deel aan alles, wat Hij verworven heeft. 'Dit alles wordt ons door God aangeboden en gegeven in Christus onze Heere, namelijk de vergeving der zonden om niet, om vrede en verzoening met God, alle genadegaven van de Heilige Geest, als wij ze maar met een vast geloof aangrijpen en aannemen… niet twijfelend of alwat Hij ons belooft, waarheid is.

Belofte en verzegeling
Niet ten onrechte is Calvijn door iemand genoemd de theoloog van de Heilige Geest. De pneumatologische dimensie neemt een belangrijke plaats in het denken van de reformator in. Het wekt dan ook geen verbazing, dat hij ook bij de toeëigening van de beloften de Heilige Geest nadrukkelijk ter sprake brengt. Om dit specifieke Geesteswerk met betrekking tot de belofte aan te duiden, hanteert Calvijn heel vaak de term verzegelen (obsignare). De Heere verzegelt door Zijn Geest de belofte, de Hij gegeven heeft in het hart van de gelovigen. In de Institutie wordt opgemerkt, dat de Geest de dienst doet van een zegel, (sigillum) om de beloften in ons hart te verzegelen, waarvan Hij de zekerheid eerst in ons verstand heeft ingedrukt. De Geest is tot een onderpand om de beloften Gods te bevestigen en vast te maken. Herhaaldelijk wijst Calvijn op de absolute noodzakelijkheid van deze verzegeling der beloften. De Heilige Geest wordt door hem getekend als een inwendig leraar (doctor intemus), door wiens werkzaamheid de belofte der zaligheid in onze harten doordringt, welke anders slechts de lucht of onze oren zou treffen.' Hij verlicht ons, 'opdat wij de dingen verstaan, die anders voor ons verborgen zouden blijven, zodat wij Gods beloften in gehoorzaamheid ontvangen. De pausgezinden wordt verweten, dat zij dit verzegelende werk van de Geest over het hoofd zien. 'Alsof een algemene belofte genoeg zou zijn, zonder Zijn Geest, die terecht de Geest der aanneming wordt genoemd, die God als een zegel in onze harten geeft'. Willen wij werkelijk houvast aan de beloften hebben, dan is het nodig, dat Gods Geest die in ons hart vastmaakt. Voor alle duidelijkheid onderstreept Calvijn daarbij, dat de oorzaak daarvan niet in de beloften ligt, maar in ons. Niet de beloften zijn zwak, maar ons geloof is zo gering. Gods waarheid staat voor ons al niet vast in dingen, die wij met de ogen zien. Hoe zou Gods waarheid dan zeker en standvastig zijn, zo vraagt de hervormer, wanneer de Heere dingen belooft, die het oog niet ziet en het verstand niet begrijpt? Dus is de steun van de Heilige Geest nodig, of liever gezegd, hier is Zijn kracht het enige. Gods beloften zijn in zichzelf krachtig genoeg. Niets is zo betrouwbaar als wat God eenmaal heeft toegezegd.
Maar wil het ook voor ons vast en zeker zijn, daartoe is nodig, dat God Zijn beloften verzegelt.
De Geest wordt de Geest der belofte genoemd (Efeze 1 : 13, 14), omdat Hij ervoor zorgt, dat de belofte van het Heil ons niet tevergeefs wordt aangeboden. De beloften worden geldig voor ons door de kracht van de Geest, 'niet omdat de belofte Gods in zichzelf zwak zou zijn, maar omdat wij nimmermeer gerust daarop steunen, tenzij wij door het getuigenis van de Geest bevestigd zijn'. In de verzegeling maakt God, naar de opvatting van Calvijn aan onze kant vast, wat van Gods kant reeds onwankelbaar vastligt. De beloften der barmhartigheid, die God ons in Zijn Woord aanbiedt en die buiten ons waar zijn, doet de Heilige Geest in ons aanvaarden en tot de onze maken.

M. van Campen, Woerden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Calvijn over Gods beloften (5)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's