Een herwaardering van het Piëtisme in Nederland (2)
Het Piëttisme (hier natuurlijk niet bedoeld als scheldwoord, maar als historisch verschijnsel) kenmerkt zich door een merkwaardige mildheid en een even merkwaardige hardheid. Naar confessionele grenzen kijkt het niet. Vele Engelse piëtisten, maar ook Nederlandse lazen met smaak de werken van de middeleeuwse mystieken en devoten en ook wel de rooms-katholieke stichtelijke werken uit hun eigen tijd, zelfs al had de schrijver de initialen S. J. (societas Jesu; jezuïeten) achter zijn naam staan. De reformatoren, konsekwenter, zagen de roomse mystiek en devotie niet los van de roomse léér, en stelden zich daarom tegenover beide veel terughoudender of zelfs afwijzender op. De piëtisten waren niet kieskeurig.
Oecumenisch
Op 't Hofs boek geeft daarvan verschillende staaltjes. Eén van zijn stellingen luidt dan ook: 'Het Piëtisme heeft zich internationaal, interconfessioneel en interseculair gemanifesteerd' (Stelling 8). Hij noemt vervolgens de piëtisten binnen het gereformeerd Protestantisme 'het meest katholiek' (stelling 9). En nog krasser! 'Piëtisme geeft gereformeerde protestanten een uiterst interessante, maar door hen helaas vergeten mogelijkheid van oecumene (stelling 10). En dan de allesovertreffende stelling, die mij – ik wil het bekennen – prikkelt tot in mijn nieren: 'Een echte protestant wil liever vandaag dan morgen terug naar de Moederkerk' (Stelling 11).
Wat nu te zeggen van dit alles? Is het alleen maar mildheid? Is het Piëtisme, naar Op 't Hofs mening, zo mild dat zij allen, wie ze ook zijn, of ze nu rooms, remonstrants, luthers of gereformeerd heten, als zij maar tekenen van 'piëtistische vroomheid' vertonen, in haar liefdearmen wil omhelzen? Moet ik in het Piëtisme een zeker heimwee constateren naar de oude 'Moederkerk', waarmee toch niet anders bedoeld kan zijn dan de (roomse) kerk, zoals ze in de middeleeuwen was?
Is dat wérkelijk Op 't Hofs bedoeling? Getuige de stelligheid waarmee hij spreekt, moet ik dat wel aannemen. En toch kán ik het haast niet aannemen.
Grenzen
Ik constateer hier hetzelfde als wat ik al in mijn vorig artikel opmerkte, nl. dat bij Op 't Hof de grenzen zo vaag zijn.
In zijn boek beweert hij: 'Te vaak werd – en wordt soms nog – de breuk tussen Rome en Reformatie als zo radicaal en vergaand beschouwd, dat het Protestantisme op alle fronten een totale vernieuwing zou betekenen' (598). Op het gebied van de vroomheid 'liepen veel onderdelen van de devotie die in het Reformatieconflict niet leergevoelig waren, als lijnen ononderbroken door' (idem).
Is dit waar? Volgens mij: Ja en neen. Néén, als het gaat over de Reformatie, já als het gaat over allerlei stromingen als doperdom en spiritualisme. Als Op 't Hof beweert dat er blijkbaar punten waren die niet 'leergevoelig' waren, dan betwist ik hem dat. Dogma en vroomheid zijn niet op deze wijze te scheiden. De hervorming van de leer der kerk betekende voor de reformatoren ook een hervorming van de vroomheid. Luther heeft welbewust stichtelijke werken geschreven, omdat hij allerlei mystieke en devote werken van de middeleeuwse kerk afwees. De Hervorming omvatte niet alleen de leer, maar ook de vroomheid. Vroomheid is nooit 'los' van de leer verkrijgbaar. Heel de middeleeuwse mystiek heeft alles te maken met het toenmalige dualisme tussen het 'stoffelijke' en het 'geestelijke', dat wil zeggen met de roomse kerkleer van natuur en bovennatuur; zij werd bepaald door de, bijbels gesproken, ónderwaardering van het aardse leven, de lichamelijkheid, de geslachtsgemeenschap; zij stond in directe relatie tot de leer van de transsubstantiatie, want zij was voor een groot deel sacramentsmystiek; zij stond ook niet los van de leer van de verdienstelijkheid der goede werken, en van de heiligen; met name de Maria-verering. Voor de (moderne) devotie geldt in grote lijnen hetzelfde. De piëtisten, en ook Op 't Hof, hebben al te naief met smaak de vruchten van de mystieken gegeten, en niet bemerkt, dat die vruchten aangestoken zijn door de wespen van de oude roomse dwalingen. De reformatie heeft wel degelijk een breuk betekend ook in de vroomheid. Leer en vroomheid, dogma en bevinding waren voor haar een éénheid.
Nieuws?
Wij zeggen niet, dat de Reformatie op het terrein van de vroomheid iets totaal nieuws heeft gebracht. Zij deed ook hier wat zij op ander terrein deed, nl. teruggrijpen naar de schrift en vandaaruit bekritiseren de middeleeuwse vroomheid, en dan herstellen wat God zelf in zijn Woord bevolen en ingezet heeft.
Ik ontken niet wat Op 't Hof zegt met betrekking tol de middeleeuwse devotie, te weten dat zij door het Piëtisme weer aan de oppervlakte is gekomen. Dat deed dus het Piëtisme, niet de Reformatie. De vraag is echter: hoe waarderen wij dat? Is het winst geweest of verlies? Als men zegt: winst, ja dan moet men inderdaad wel komen tot de stelling van Op 't Hof, dat een echte protestant 'liever vandaag dan morgen' terug naar de Moederkerk wil, immers dáár vindt men die mystiek en devotie volop, meer dan ooit ergens elders op protestants erf, ook meer nog dan bij puriteinen en piëtisten. Maar is men dan een 'echte protestant'? Zou dat zo zijn, dan zijn Luther, Calvijn en zovele anderen geen échte protestanten geweest, want bij hen ben ik nog nooit dat 'willen', 'verlangen' of 'heimwee' tegenkomen. En laat ik eerlijk mogen bekennen: ik heb dat heimwee ook niet! Als ik heimwee heb, dan naar een echte voluit reformatorische kerk, waarin het Woord Gods (!) heerschappij heeft.
Het Piëtisme is dus mild. In zeker opzicht té mild. Het stevent teveel af op ervaringen, gevoelens. Het laat – wat niet kán – dogma's buiten beschouwing. Het isoleert de 'bevinding', terwijl in de Reformatie de bevinding is geïntegreerd; het heeft in zich wat onverschillig te staan tegenover confessies, het is te weinig begrensd.
Hard
Dat is de ene kant. De andere is echter, dat datzelfde Piëtisme toch ook hard kan zijn. Zeg ik teveel, als ik beweer, dat Op 't Hof met zijn bovenstaande stellingen toch een (aanzienlijke) stap verder is gegaan dan althans het verreweg grootste deel van de mannen van de Nadere Reformatie? Van een terugwillen naar de Moederkerk heb ik eigenlijk bij hen nooit iets gelezen. Al had Van Lodenstein tegen de Reformatie het bezwaar – ten onrechte – dat zij tevéél had opgeruimd en al kon hij – juist hij – zeer positief spreken over de middeleeuwse mystiek, dat hij de Gereformeerde Kerk van zijn dagen, waarop hij zoveel kritiek had, liever vandaag dan morgen wilde inruilen voor de 'Moederkerk', dat ben ik bij hem niet tegengekomen. Op 't Hof komt dan ook op dit punt bij mij over als een hyper-piëtist. En hyper-piëtisten waren er vroeger ook al. Maar toch niet direct onder de mannen van de Nadere Reformatie. Als het over Rome ging konden ze over het algemeen zeer van leer trekken. Dan waren zij hard. Dan vergaten ze, een gelukkige inconsequentie, al hun devote sympathieën. Het woord 'Moederkerk' kwam hen, althans bij mijn weten, nooit over de lippen, ten minste niet met het oog op de oude kerk van Rome. Dan hadden ze het liever over het 'pausdom', de 'anti-christ' en nog een paar van die uitdrukkingen. We zien: de liefde is 'blind', ik hoop dat Op ' Hof zich eens de ogen wil uitwrijven om dan te zien de ware werkelijkheid van die 'Moederkerk' waarnaar hij nu verlangt. Dan zal voorgoed van de baan zijn het gevaar, dat de Hervormde Kerk van Ouddorp nog ooit zal worden omgedoopt in een kerk, die zeer mystiek en devoot, maar toch rooms is. Bovendien, dat kan toch de bedoeling van Op 't Hof niet zijn!
Oordelen
Ik noemde het Piëtisme hard. Hárd is het in haar oordeel ook over de concrete gemeente. Het zoekt wel de verre mysticus en de verre devoot, maar de massa van de zeer nabije en concrete gemeente wordt zwaar gekastijd. Het woord 'onbegenadigden', in het meervoud (!) komt men nergens zoveel tegen als in de piëtistische geschriften. Mondchristenen, schijnchristenen, naamchristenen, zelfbedriegers, onherborenen, onbekeerden – het zijn allen namen, die zomaar op het gros der gemeenteleden worden toegepast. Niemand kan zeggen dat zij regelrecht aan het Nieuwe Testament ontleend zijn, zeker niet als wij lezen hoe de apostelen hun gemeenten aanspraken. Bovendien, waarop berust dit oordeel? Is het 'oordelen' de dienaren van het Woord soms van Godswege toevertrouwd? Ik weet het: onder de piëtisten waren er ook, die voorzichtig waren. Perkins onder andere. Op 't Hof heeft het niet verzwegen.
Toch: Op 't Hofs duidelijke sympathieën liggen toch wel bij dat oordelen. Daarom haalt hij er Calvijn bij aan als kroongetuige. Heeft niet Calvijn bij tijden gezegd: één op de honderd, of: één op de tien, of: twintig op de honderd? Een piëtistische tendens al bij de grote hervormer van Genève, zo weet Op 't Hof ons te verhalen. Maar, zo'n conclusie is mij toch te vlot. Maar al te zeer laat Op 't Hof het voorkomen alsof Calvijn, evenals de piëtisten, hiermee een exact oordeel over zijn gemeente heeft willen geven. Niets is echter minder waar dan dat. Niet voor niets heeft Calvijn ons zelf geleerd, dat wij allen, die het christelijke geloof belijden en ernaar leven, hebben te houden voor gelovigen. Bij de piëtisten kom ik dat (een enkele uitgezonderd) zo niet tegen, want die zeiden: ik moet eerst je bekering(sverhaal) horen. Dat is heel wat anders. Calvijn ging af op belijdenis en wandel. En dan zag hij in Genève zóveel gebreken, dat hij in paranetische (vermanende) contekst zei: één op de zoveel! Niet omdat hij de hoofden geteld had, maar omdat hij zag dat er velen een onchristelijk leven leidden.
Neen, niet bij Calvijn is het Piëtisme begonnen. Trouwens dat zou in strijd zijn met Op 't Hofs eigen, al genoemde, hoofdstelling, nl. dat het Piëtisme de reformatorische vroomheid in ons land heeft afgewisseld. Er woei uit Engeland een toch wel wat andere wind dan er lange tijd uit Genève en Zürich gewaaid had. Voor welk van beide winden wij kiezen, dat is vers twee. Maar de zaken lagen wel zo.
Onderscheiden is een eerste vereiste in historisch onderzoek.
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's