Uit de pers
Genormeerde hulpverlening
Op de Schooldag van de Theol. Hogeschool van de Geref. Kerken (vrijgem.) sprak de heer G. H. de Leeuw over de normen van het Evangelie waarvan hulpverlening vanuit reformatorische motieven dient te voldoen. De Leeuw noemt als zodanig dat wij het hart op de juiste plaats hebben, voorts dat we oog hebben voor de liefde van God voor zijn wereld, ook als dat betekent datje vuile handen moet maken. Als derde voorwaarde noemt De Leeuw dat hulpverleners leren afstand in acht te nemen. Men moet zich niet vereenzelvigen met de problemen van de ander. Ook stelde de inleider de vraag: waarom zijn beroepskrachten nodig? Hij zegt onder meer:
'Het J.V. of M.V. lid van 50 jaar geleden was goed op de hoogte van het maatschappelijk bestel. Men had ook een gefundeerd oordeel over de gang van zaken. Dat is sindsdien een stuk moeilijker geworden. Er zijn niet veel mensen meer die het hele maatschappelijk bestel in al zijn geledingen en bijpassende regelingen kunnen overzien. En de behoefte daartoe neemt ook af. Sinds de ik-cultuur zo'n 10 jaar geleden inzette, begon de burger zijn belangstelling voor het totale maatschappelijk bestel te verliezen en concentreerde zijn aandacht op zichzelf, zijn ik. Nu, aan het einde van de eeuw gekomen, is het vermoeden uitgesproken dat allerlei ideologieën, zoals bijvoorbeeld het socialisme, hun kracht beginnen te verliezen. Men heeft niet meer het idee de samenleving in zijn totaliteit te kunnen regelen. De aandacht gaat vooral uit naar het eigen veilige plekje. Als dat maar veilig is, is het wel goed. Buiten het eigen veilige plekje ziet men de jungle opdoemen.
We stelden zojuist dat de Overheid de afgelopen honderd jaar steeds meer ging regelen. De laatste jaren wil de Overheid zich echter gaan terugtrekken. Minister Brinkman wijst op de verantwoordelijke samenleving, waarin de burgers weer aandacht voor elkaar moeten krijgen. Op zich is deze stellingname van de Minister volstrekt verdedigbaar. Alleen, wij moeten vragen naar het achterliggende motief van het kabinet. Dan kan er enerzijds waardering zijn voor het op orde brengen van zaken die uit de hand waren gelopen. Anderzijds moet het onze aandacht hebben dat de sociale dienstverlening en de gezondheidszorg worden bekostigd volgens een "economisch model". In dit model gaat het er niet om het werken vanuit Gods openbaring mogelijk te maken, maar over het zodanig verstrekken van subsidiegelden dat een meerderheid van het Nederlandse volk erachter kan staan. En dan zien we het risico dat we als maatschappij hebben gelopen door zoveel werk aan beroepskrachten over te laten. Want nu de Overheid gaat bezuinigen, zien we hele werksoorten wegvallen en worden instellingen voor hoger beroepsonderwijs, instellingen van maatschappelijke zorg en ziekenhuizen ermee geconfronteerd dat alle zgn. franje, of wat daarvoor doorgaat, wordt weggesneden. Tot deze zgn. franje behoren de vakken aan de GSA/HBO-V die centraal stellen hoe we vanuit Gods Woord en de belijdenis het werk moeten ingaan. Tot deze zgn. franje behoren de gesprekken die maatschappelijk werkers van De Driehoek met kerkelijke ambtsdragers dienen te voeren en behoort het hele Gereformeerde Vormingswerk in Internaatsverband. Reeds in 1975 waarschuwde de heer Van der Tol er ons voor dat we ons niet van de Overheid afhankelijk dienden te maken. Juist terwille van de identiteit niet. We zullen als gereformeerden er ernstig rekening mee moeten houden dat voor de opleiding tot het werk en in het werk zelf er van overheidswege struktureel te weinig geld is. Dat wil zeggen, het werk kan wel worden gedaan, maar niet genormeerd naar bijbelse maatstaven. Als wij zo zouden werken, enkel en alleen op de centen lettend, staan we naast Judas. Het rijk dat hij beoogde was van deze aarde. Maar het rijk waarvan wij burgers zijn ligt in de hemelen. En die hemel is open en daar is God Die bewogen is. En dan klemt de vraag: Zijn wij het ook? Dan kunnen wij ons laten verlammen door een Overheid die in het geheel of juist niet genoeg geld geeft. Of door een cultuur die ons doet terugtrekken op ons eigen veilige plekje. Of door allerlei op zich zinnige vragen over ons werk. Maar zolang er nog predikanten aan onze Theologische Universiteit worden opgeleid, die door hun preken ons de juiste richting wijzen door ons hart op de juiste plaats te zetten, zijn we in beweging. Nog een slotopmerking. Nu de vragen over een genormeerde uitvoering van het sociaal werk en de gezondheidszorg vele zijn, nieuwe initiatieven nauwelijks betaalbaar en structurele financiële tekorten onvermijdelijk lijken voor de bestaande instellingen, is het goed dat de gereformeerde organisaties op het gebied van het welzijnswerk en de gezondheidszorg de handen inéén hebben geslagen en gekomen zijn tot een regelmatig overleg. Voor de vruchten van dit overleg vraag ik uw blijvende aandacht.'
Het verhaal van de heer De Leeuw is uitsluitend betrokken op organisaties binnen de vrijgemaakte kerken. Dat is uiteraard zijn goed recht, al zou ik zelf liever willen zien, dat het regelmatig overleg waar hij over sprak zich uit zou strekken tot allen die in welzijnsland vanuit een positief belijdende opstelling willen werken, zowel in reformatorische als evangelische kringen. Wij hebben elkaar daarin dringend nodig. De nonnen waarop De Leeuw wijst, zullen ieder die ernst wil maken met de C in hulpverlening en welzijnswerk aanspreken. Terecht signaleert hij het gevaar van een economisch model, dat gehanteerd wordt bij de bezuinigingen. De verantwoordelijke samenleving zal voor alles inderdaad gekenmerkt moeten worden door bewogenheid met de nood van de zwakken. Juist hier hebben kerken en chr. organisaties een belangrijke taak.
Zending en ontwikkelingswerk
In Evangelisch Commentaar vraagt drs. E. W. v. Poll aandacht voor de visie van Jan van Barneveld, jarenlang directeur van het Evangelisch Hulpfonds Tear Fund.
Van Barneveld, evangelical in hart en nieren, is tegelijk heftig geïnteresseerd bij vragen van ontwikkelingswerk. Sociale gerechtigheid, aandacht voor structurele noden en evangelisatie horen naar zijn overtuiging bijeen. Hij bespeurt bij velen in het Westen een soort malaise-stemming ten aanzien van de nood in de Derde Wereld. Wellicht kunnen er vanuit de Derde Wereld zelf impulsen komen als medicijn tegen de malaise in het Westen. Er is voorts een stuk gewenning. De overdosis berichtgeving bevordert de belangstelling niet. De economische teruggang in westerse landen is eveneens een factor die de tanende belangstelling kan verklaren.
'Maar de belangrijkste factor is, wat Van Barneveld noemt, "het geringe succes van het ontwikkelingswerk tot nu toe". Grote ontwikkelingsorganisaties, de zogenaamde "donoren", zijn al blij met 50 procent van de projekten waarin zij deelnemen, aan de gestelde doeleinden beantwoordt. Geen wonder dat mensen zich steeds meer afvragen: heeft het allemaal nog wel zo veel zin, wat haalt het uit?
Wie stelt die doelen? Met andere woorden, wie maakt uit of een projekt geslaagd kan worden genoemd of niet? "De beste donoren betrekken de mensen ter plekke in het vaststellen van de doelen, de slechte maken dat zelf uit."
Tot die slechte horen vooral Noordamerikaanse clubs, hoofdzakelijk van evangelische signatuur. "Ze komen met tassen vol plannen en strooien zakken vol dollars rond, maar vernietigen de plaatselijke cultuur, vooral in Afrika." Maar ook andere donoren en multilaterale organen (zoals bijvoorbeeld VN-onderdelen) moeten het ontgelden. "De Afrikanen zijn de tienduizenden ontwikkelingswerkers zat, de duurbetaalde experts die van hoofdstad naar hoofdstad reizen en geen fluit begrijpen van de cultuur en de plaatselijke omstandigheden, die met de macht van het geld de ontwikkelingen in de arme landen in feite meer afremmen en tegenhouden dan bevorderen. Ze maken meer kapot dan goed. Soms denk ik wel eens aan een moratorium voor ontwikkelingshulp." De goeden niet te na gesproken overigens. En "goed" wil zeggen: "luisteren naar de mensen ter plekke, hen zoveel mogelijk laten deelnemen in het projekt, de doelstellingen zoveel mogelijk laten voortvloeien uit hun eigen cultuur."
Een probleem hierbij is dat je voor dergelijke projekten vooral die mensen meekrijgt, die zelf al wisten hoe ze zich uit het moeras omhoog moeten zien te krijgen. Wat je in het groot ziet gebeuren met de economische opkomst van de zogenaamde "nieuwe industrialiserende landen" zoals Korea, Singapore en Taiwan, zie je overal in de Derde Wereld ook in het klein. De mensen met de meeste invloed, het meeste élan, de meeste geestelijke motivatie zijn de beste "doelgroepen" voor ontwikkelingsprojekten. Met zulke mensen heb je de meeste kansen van slagen.
Een interessant gegeven, want als je nagaat wie die doelgroep dan wel zijn, kom je terecht bij de basisgemeenten in Latijns-Amerika en de onafhankelijke ("independent") kerken in Afrika. "Doordat zij worden gevoed vanuit de bijbel, ontdekken zij nieuwe dingen, worden zij op een nieuw spoor gezet, ontwikkelen zij een nieuwe ethiek. Dat is een vruchtbare voedingsbodem voor ontwikkeling en bestrijding van armoede." Dit wordt in oecumenische kring veel meer erkend dan onder evangelischen, al begint er ook onder de laatsten een kentering te komen. Van Barneveld heeft goede contacten met de top van de Afrikaanse Evangelische Alliantie, de AEAM, en droeg er mede toe bij dat deze een bewustwordingsprogramma onder haar leden in heel Afrika is begonnen. "Geweldig belangrijk, dat programma van ethiek, samenleving en ontwikkeling. Want de snelgroeiende onafhankelijke en evangelische kerken in dit continent vormen een enorm ontwikkelingspotentieel."'
Ontwikkeling is geen eenvoudige zaak. De situaties wijzigen zich steeds weer. Zelfhulp is niet altijd de oplossing. Je kunt niet zweren bij één model. Op het ogenblik aldus Van Barneveld, zijn er drie stromingen: 'De eerste vraagt aandacht voor de eigen culturele context van het ontwikkelingsland. De tweede benadrukt de rol van de vrouw. De derde trend is die van de nieuwe zakelijkheid, waarbij bedrijven via marktgericht denken orders plaatsen in de Derde Wereld. Van Barneveld zelf bekijkt deze trends kritisch. Hij heeft meer verwachting van de partnerschapgedachte, waarbij men samen verantwoordelijk is voor de bestrijding van de armoede. Het zou z.i. van belang zijn als er partnerrelaties ontstaan tussen gemeenten in Nederland en kerken in de Derde Wereld. Ook in dit opzicht biedt de bijbelse vergelijking van het ene lichaam en de vele leden belangrijke perspectieven.
Gods verduistering
Deze van Buber afkomstige term (Gottes-finsternis) is volgens prof. dr. H. Berkhof veroorzaakt door een grondbeslissing die in de achttiende eeuw gevallen is: God wordt weggedrukt naar de rand van het menselijk bestaan. De mens wordt tot de maat van alle dingen. In een gesprek in Rondom het Woord wijst hij er op dat we het verschijnsel van de secularisatie niet of onvoldoende peilen als we blijven staan bij het teruglopen van de invloed van de kerken. Het gaat veel dieper, nl. om de verdwijning van het Godsbesef uit de samenleving. Op de vraag wat dit voor de agenda van de kerk betekent zegt Berkhof:
'Het zou ermee moeten beginnen, dat het onderwerp in elk geval op de agenda terecht kwam. Natuurlijk wordt er dan meteen gevraagd wat er precies moet gebeuren – zo aktivistisch zijn we, we willen dan meteen iets op ons bord hebben met punt één, twee, drie, dat gaan we nu doen en we maken meteen een programma voor het volgend jaar – maar zo eenvoudig gaat het niet. Het gaat om een mentaliteitsverandering. Zoiets kost jaren, daarbij komt dat we eigenlijk eerst nog moeten leren hoe we er over moeten spreken, zoals zo mooi in het vers van Jan Wit staat: "Geef ons de woorden in de mond die wijs zijn en die winnen", dat is niet eenvoudig. Er zijn maar weinigen die dat kunnen.
Eén van de taken van de kerk – zo is het verwoord in de hervormde kerkorde van 1951 – is God in ons leven en in de samenleving ter sprake brengen. Het evangelie prediken met de bedoeling dat mensen kiezen voor Jezus Christus. Heeft de kerk dat goed opgepakt?
De kerk heeft dat in het geheel niet opgepakt, maar ook daar moet ik weer iets aan toevoegen. Ik heb indertijd bij Kerk en Wereld ook meer dan vijf jaar meegewerkt aan het Instituut voor het Apostolaat zoals dat in de hervormde kerk heet. Wij hadden het eerst vooral over de buitenkerkelijken, zeker in de oorlog. Dat kon ook heel goed, want de buitenkerkelijken stroomden de kerk binnen. Ze hadden het gevoel dat er daar tenminste nog wat werd gezegd. Maar na de oorlog was dat uit. Toen werd er binnen het instituut al heel snel gezegd: "Wij moeten de gemeente toerusten tot een missionaire gestalte". We trokken ons dus terug op de gemeente, dat kon haast niet anders. Het zijn dingen waar ik niet graag iemand de schuld van geef. De schuld begin ik pas te geven als ik zeg "nú moet je zien dat je geen trendvolger mag zijn, nu moet je eindelijk eens in de naam van je Heer trendsetter worden; je nek uitsteken en dingen zeggen die niet modieus zijn". Je krijgt dan wel te horen dat je conservatief wordt of dat je zo veranderd bent en dat is natuurlijk heel naar, maar je moet het toch maar doen.
Er zijn mensen die dat op dit moment nog steeds doen, "God in ons leven en in de samenleving ter sprake brengen", mensen als bisschop Gijsen met zijn evangelisatiecampagne of een evangelist als Billy Graham. Wat stellen de kerken daar nu tegenover?
Niets, behalve kritiek. Daar maak ik mij ook wel eens boos over, vooral toen met Billy Graham, iedereen viel over hem heen, terwijl wij zelf niets in huis hadden. Hij zou de Amsterdammers op het Zandvoortse strand niet kunnen bereiken, werd gezegd, maar wij hadden het zelf nog niet geprobeerd en er zelfs nog nooit aan gedacht. We zouden niet eens weten hoe we ze thuis zouden moeten bereiken.
Bij de grotere kerken bespeur ik een zekere schroom om het geloof ter sprake te brengen in de samenleving. Zo gauw iemand daar een voorstel over doet, vinden anderen het te overdadig is en is men bang. Er ontstaat vervolgens een zenuwachtig gesprek en weer anderen zeggen "dan maar liever niets, dan doe je tenminste geen kwaad". Maar dat is maar de vraag natuurlijk.
Wat zou nu het resultaat zijn van die toch nog steeds verder gaande "Godsverduistering" in de samenleving?
Ik denk dat de wal het schip keert, dat klinkt nu ineens schijnbaar optimistisch, maar op het ogenblik, in de tachtiger jaren, is er een hang naar religie. Dat is al in de zeventiger jaren begonnen, bij de jeugd, maar het vreselijke vind ik alleen, dat ze het niet in de christelijke kerk zoeken. Ze zoeken het in India en in het zogenaamde Holisme dat de laatste tijd zo in opkomst is. Holisme is een heel algemene beweging die zegt, dat alles eigenlijk alles is en dat God in alles is. Daarmee gaan we van een soort atheïsme over naar een soort pantheïsme en ook daar hebben wij als christelijke kerk geen boodschap aan. Maar het is natuurlijk een beweging die je op het ogenblik alleen onder de intelligentia ziet. Bij de "gewone" mensen zal die seculaire gedachtengang nog jaren doorgaan en zich steeds op nieuwe terreinen weer richten, de ene keer op de bijbel en haar gezag en de andere keer op vragen rond wat de christelijke kerk in de geschiedenis heeft misdaan of waarom de christenen geen raad weten met dit of dat probleem.
Mag je zeggen, dat iedere samenleving de kerk heeft die zij verdient?
Ik ben er een beetje af om erg over de schuld van de kerk te praten. De secularisatie van na de Tweede Wereldoorlog heeft de kerk overvallen. Zij moet er eigenlijk nog steeds over leren nadenken en spreken. Je zou allereerst eens tegen mensen kunnen zeggen: "Laten we eens is een paar boeken gaan lezen over het geloof, laten we daar eens over discussiëren en eens kijken of we er wijzer van worden".'
Ik onderstreep het woord 'mentaliteitsverandering'. Je kunt ook zeggen: bekering tot de grondwoorden van het Evangelie. De missionaire gestalte van de gemeente zou wel eens vooral kunnen bestaan in het gehalte, d.w.z. in zoverre als zij werkelijk gemeente is van Christus, d.w.z. tegen de stroom op durft te roeien door tegen de machten in de heerschappij van Christus te belijden in woord en daad, en zo in een tijd van Godsverduistering rekenschap te geven van de hoop op het heil, dat in Christus gekomen is en komt.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's