De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een herwaardering van het Piëtisme in Nederland (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een herwaardering van het Piëtisme in Nederland (3)

9 minuten leestijd

Alles Piëtistisch
Bij slecht zicht uitvaren is een gevaarlijke bezigheid; rotsen kan men aanzien voor wolken en wolkengevaarten kan men aanzien voor schepen. Met dit beeld, wil ik onder woorden brengen dat in Op 't Hofs proefschrift, Piëtisme gezien wordt waar ik slechts 'wolkengevaarten' zie. Het lijkt wel of Nederland al in het derde deel van de 16e eeuw en nog meer in de 17e eeuw geheel 'piëtistisch' was. Er word een piëtistische accolade geslagen om al wat in die tijd 'vroom' was. Het lijkt wel of geen andere ware vroomheid bestond en mogelijk was, dus geen ware pietas, dan alleen maar de zogeheten piëtistische. Op 't Hof gaat zelfs nog verder terug. Piëtistisch aanzetten vindt hij al bij Calvijn, Bucer, Guido de Brès, Ursinus, natuurlijk ook bij Beza, en heel onze Heidelbergse Catechismus leest hij als een piëtistisch boek.
Verder komen ook allerlei 'orthodoxe' theologen als Polyander en Baudartius als toch eigenlijk ook al min of meer piëtistische christenen aan de orde. Afgaande op hetgeen hij bij deze orthodoxe theologen gevonden heeft en door hem als 'Piëtisme' gekenmerkt wordt, ben ik er zeker van, dat Op 't Hof ook de ándere orthodoxe theologen, als hij hen maar beter kende, óók allen 'piëtisten' zou hebben genoemd. Waarom Beza wel op die lijn gezet en Gomarus niet? Waarom Polyander wel en Hommius niet? Waarom Baudartius wel en Bogerman niet? Al deze mensen waren vroom – voor hun godsvrucht heb ik diep respect. Maar mag ik ze daarom 'piëtistisch' noemen?

Heidelbergse Catechismus
Het meest irriterend is echter wel dat Op 't Hof ook onze Nederlandse Geloofsbelijdenis en onze Heidelbergse Catechismus in een zeer bepaalde piëtistische hoek zet. Indien ergens, dan is hier toch wel de wens de vader der gedachte.
Ik concentreer mij in dit artikel op de Heidelbergse Catechismus. Op 't Hof zegt daarover het volgende. Het schema van ellende, verlossing en dankbaarheid wordt bedoeld als een chronologische volgorde, waarbij de kennis van de ellende door middel van de wet als een voorbereiding op en zo ook als een conditioneel stadium van de weg naar de kennis van het heil wordt gezien (blz. 59). Elders in zijn boek herhaalt Op 't Hof meermalen deze stelling, en spreekt hij over een 'tijdsruimte' tussen de kennis van de ellende en die van de verlossing. Hij ziet dus de Heidelbergse Catechismus als de beschrijving van een bekeringsweg. De kennis van de ellende gaat vooraf, en draagt zelf een conditioneel, dat wil zeggen voorwaardelijk karakter. Het evangelie zou dus alleen maar gepreekt mogen worden aan de verslagenen van hart, degenen die door de wet verbijzeld zijn; de beloften Gods zouden alleen maar voor hen, d.w.z. voor de uitverkorenen zijn.
Dit is een interpretatie van de Heidelbergse Catechismus die men helaas nog maar al te vaak tegenkomt. Zonder bewijsvoering! Ook Op 't Hof heeft nagelaten hiervoor ook maar één bewijs te leveren. Hij zegt alleen, dat het in de lijn van Melanchton ligt. Maar wát Melanchton dan precies geleerd heeft weet hij, naar ik veronderstel, niet. Ik zou zeggen: Lees eens de Catechismus zoals hijzelf zich aandient en raadpleeg de bronnen! Ik wil dan ook hierbij het volgende zeven-tal opmerkingen maken.
1. De bekering wordt door de Catechismus zélf heel anders geschetst dan door Op 't Hof geschiedt. Hij zelf zegt, in Zondag 33, dat zij bestaat in een afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens, en nog wel in de gemeenschap met Christus. Er is hier helemaal geen sprake van een chronologisch schema. Afsterving en opstanding kunnen niet anders dan gelijk óp plaatsvinden. Bovendien: de christen is hier aan het woord. Diezelfde christen die al tientallen keren in de voorafgaande vragen en antwoorden zijn geloof beleden heeft. En: de bekering staat in het stuk van de dankbaarheid.
2. Op 't Hof verwaarloost dat aan de behandeling van de stukken: ellende-verlossing-dankbaarheid, in Zondag 1 voorafgaat de belijdenis van de christen dat hij met lichaam en ziel het eigendom van de Heere Jezus Christus is. Déze christen is het die ellende, verlossing en dankbaarheid kent. Ze zijn met hun drieën het object van zijn kennis. Gewis, in déze volgorde: maar die volgorde is geen chronologische, als zou hier de bekerings-weg getekend worden, maar een logische volgorde; omdat het dwaas is te spreken over verlossing als men niet weet wat ellende is en omdat het dwaas is te spreken over dankbaarheid als men niet weet wat verlossing is. Vandaar deze orde.
3. Het gaat in de Catechismus om het meedelen van kennis. Daarom staat er ook: hoeveel stukken zijn u nodig te weten… Er staat niet: welke stukken moet u (chronologisch) beleven? Het gaat om 'kennis', een kennis die onze kinderen moet worden bijgebracht, want de Catechismus is in eerste instantie bedoeld voor de kinderen. Het gaat erom dat deze kennis zowel een kennis van het hoofd als van het hart zal zijn. De Catechismus doet hier denken aan Calvijn, die het geloof 'kennis' noemde, nl. van Gods goedgunstigheid jegens ons.
4. Er staat niet in Vr. 3 Waaruit hebt gij uw ellende leren kennen? Dat zou eventueel op een chronologische volgorde kunnen wijzen. Neen, er staat: Waaruit kent gij uw ellende? Deze vraag staat dus in de praesens-vorm. Waaruit kent gij, christen, heden uw ellende? Een vraag die immer blijft gelden.
5. Een chronologische volgorde, zoals Op 't Hof aan de Catechismus opdringt, is absurd. Want in de eerste plaats kan er nooit een ware boetvaardigheid zijn zonder kennis van het evangelie, maar bovendien zal zelfs Op 't Hof toch niet kunnen beweren dat er een zekere 'tijdsruimte' ligt tussen de verlossing en de dankbaarheid. Staande op zijn standpunt moet hij wel die tijdsruimte reserveren voor alleen maar de stukken ellende en verlossing. Maar: als ten aanzien van verlossing en dankbaarheid niet van een tijdsruimte kan worden gesproken, waarom dan wèl als het gaat over ellende en verlossing? Hier zondigt men tegen zelfs de allereenvoudigste hermeneutische regel.
6. De Heidelbergse Catechismus staat oorspronkelijk in de Paltse Kerkorde, en staat daar midden tussen een stuk dat over de doop gaat èn een stuk dat over het avondmaal gaat. In de Catechismus gaat het erom dat de kinderen des verbonds die de doop ontvangen hebben, via het onderwijs in de Catechismus, geleid worden naar het avondmaal. De Catechismus biedt niet een (chronologische) bekeringsweg maar de weg naar het avondmaal. Met een bekeringsweg ervan te maken rukt men de Catechismus uit zijn oorspronkelijk verband. En, naar ik meen, is het eis dat wij 'teksten' verklaren vanuit hun 'verband'. Anders zijn ze aan willekeurige interpretatie overgeleverd.
7. Op 't Hof zegt: maar Melanchton dan? Vindt men niet bij Melanchton het schema van wet en evangelie, als chronologische volgorde? Op 't Hof volgt hier slaafs enkele anderen die erop gewezen hebben dat Ursinus, de opsteller van de Catechismus, negen jaar lang een leerling van Melanchton is geweest! Mijn antwoord hierop is: Wie geeft ons het recht om te zeggen dat Ursinus hier Melanchton nagevolgd heeft? Dat zal dan eerst nog eens aangetoond moeten worden! Ursinus is trouwens niet de énige opsteller van de Catechismus geweest, er waren meerderen bij betrokken. Vervolgens, Ursinus was óók een leerling van Calvijn. Bovendien, Melanchton heeft, als hij wet en evangelie naast en tegenover elkaar stelde, daarbij helemaal niet gedacht aan een chronologische volgorde zoals de latere piëtisten daarover gesproken hebben. Als Melanchton, in navolging van Luther, wet en evangelie tegenover elkaar stelt, dan is dat bij hem een gegeven uit de verkondiging van het Woord Gods. Die verkondiging bevat beide, wet en evangelie. De piëtisten hebben de tegenstelling weggehaald uit de verkondiging en gezet in de beleving. Is dat dan een absolute tegenstelling? Neen. Vanuit de verkondiging vindt er, door Woord en Geest, óók beleving plaats. Maar, wie, zoals de piëtisten, inzet bij de beleving blijft in de beleving stèken. De Reformatie is breder, omvattender dan het Piëtisme. In de Reformatie is datgene waar het het Piëtisme, naar haar beste kant beoordeeld, om gaat, opgenomen. Het omgekeerde is niet het geval, men blijft steken in de mens en in zijn chronologisch bekeringsschema.
Men zal vervolgens ook, als men bij dit punt steun zoekt bij Melanchton, wel moeten bedenken wat hij over de christelijke doop geschreven heeft. In zijn beroemde Loci Communes kan men er een heel hoofdstuk over vinden.
Wie gedoopt is, is door God aangenomen tot zijn kind en erfgenaam. Zie, zegt Melanchton, door dit teken heeft God betuigd dat gij in genade aangenomen zijt! Dat moet ge gelóven, zegt hij verder, en ge moet Hem met geloof aanroepen. Zie, binnen dit kader heeft Melanchton gesproken over wet en evangelie.
Een heel ander kader dan waarin de piëtisten over wet en evangelie hebben gesproken. Melanchton richtte zich met zijn prediking tot hen die door hem voor christenen werden gehouden, de piëtisten richtten zich met hun leer van wet en evangelie tot zulken die nog nièt christenen waren, maar het via het schema dat zij opstelden, moesten worden.
Het gaat dus niet óp, om zich, zoals Op 't Hof doet, voor zijn piëtistisch bekeringsschema op Melanchton te beroepen. En nog minder om daar, zoals hij doet, een voorwaardelijke evangelieprediking uit te distilleren. Dat kan hij ook niet waar maken noch bij Luther, noch bij Melanchton, noch bij Calvijn.
Maar kent Op 't Hof de reformatoren? Wij zijn er niet mee klaar als wij ons werpen op een aantal 'losse' verschijnselen, structuren moeten aan het licht worden gebracht. Losse verschijnselen die men 'piëtistisch' kan interpreteren zijn overal genoeg te vinden, ook bij Calvijn, maar dat wil nog niet zeggen dat hun theologie piëtistisch van structuur was.
Ik hou op. Mijn artikelen mogen ervan getuigen dat ik met het boek van Op 't Hof niet luchthartig of lichtvaardig ben omgegaan. Daarvoor is dit boek – naar mijn oordeel – ook te waardevol. Het staat bovendien niet los van heel het huidige kerkelijke leven. Ook in een studie die zich als historisch aandient en waarin, naar het lijkt, de auteur zich objectief of zelfs 'neutraal' opstelt, zit hij toch verborgen. Ik heb dat in dit boek heel sterk geproefd.
Trouwens, de stellingen zijn bepaald niet 'objectief'. Het lijkt mij een goede zaak om elkaar, zo nodig critisch, te bevragen. Als ik getwijfeld had aan de zin daarvan, zou ik deze artikelen niet hebben geschreven.

K. Exalto

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een herwaardering van het Piëtisme in Nederland (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's