Apostolaat en Koninkrijk Gods
In een recent uitgekomen boek van M. Ruppert, over de visie van Luther op het Rijk Gods, getiteld 'Het Rijk Gods in de wereld', wordt ter inleiding op de vragen ten aanzien van het Koninkrijk Gods het volgende gezegd: 'Het is moeilijk om het begrip "Rijk Gods", dat in het Nieuwe Testament centraal staat, verstandelijk te duiden.' C. H. Lindijer zegt in het begin van zijn 'Kerk en Koninkrijk': 'Het Rijk is nu eenmaal iets, dat begrijpen en uitdrukken te boven gaat, we kunnen er … slechts in tastende aanduidingen over spreken … Maar omdat het Nieuwe Testament zo vaak over het Koninkrijk Gods spreekt, in telkens nieuwe woorden en beelden, is het toch mogelijk om enige contouren van het Rijk te tekenen.'
In het Oude Testament komt de uitdrukking Koninkrijk Gods niet voor, wel in latere rabbijnse geschriften. Maar wel wordt Gods koningsheerschappij over de ganse aarde en over alle volkeren in alle toonaarden uitgezegd. Dat is met name het geval in de Psalmen.
'De Heere, de Allerhoogste is vreselijk, en Koning over de ganse aarde' (Ps. 47).
'De Heere regeert, Hij is met hoogheid bekleed' (Ps. 93).
'De Heere is groot en zeer te prijzen… zegt onder de heidenen: de Heere regeert' (Ps. 56).
'De Heere regeert, de aarde verheuge zich' (Ps. 97).
'De Heere regeert, dat de volken beven' (Ps. 99).
Het Koninkrijk Gods is echter vooral een Nieuwtestamentisch begrip. En dan vinden we inderdaad dat over het Koninkrijk 'in telkens nieuwe woorden en beelden' wordt gesproken. Het is er en het is er nog niét; het is in de hemel en het is op de aarde; het is geestelijk en toch ook in de wereld.
Bij Paulus gaat het vooral om het beërven van het Koninkrijk Gods en om het geestelijk karakter ervan. De onrechtvaatdigen zullen het Koninkrijk Gods niet beërven (1 Cor. 6 : 9), ook 'vlees en bloed' niet (1 Cor. 15 : 50). En ook: het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden en in kracht (1 Cor. 4 : 20); en het is niet spijs en drank maar rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door de Heilige Geest (Rom. 14 : 17). Met name in de Evangeliën wordt veelvuldig over het Koninkrijk Gods gesproken. Het is in Christus nabij gekomen (Marc. 1 : 15). Aan de discipelen zijn de verborgenheden van het Koninkrijk te verstaan gegeven (Marc. 4 : 11). Maar ook: er zijn er die de dood niet zien 'totdat zij zullen hebben gezien dat het Koninkrijk Gods met kracht is gekomen' (Marc. 9:1).
We lezen verder dat profeten. Abraham, Izak en Jacob in het Koninkrijk Gods aanzitten 'maar gijlieden buiten geworpen' en dat niemand het Koninkrijk Gods binnengaat zonder wedergeboorte. We lezen in dat verband dan ook enerzijds dat het Koninkrijk Gods niet 'van deze wereld' is ('niet van hier', zegt Jezus) maar anderzijds dat het 'binnen in ons' is, dus toch hier in deze bedeling al.
De conclusie moet zijn, dat in de Schrift het Koninkrijk Gods niet op één bepaalde noemer slaat. Het is eeuwig en tijdelijk, geestelijk en zichtbaar, hemels en wereldlijk, toekomend en in het heden.
Prediking
Verder spreekt het Nieuwe Testament telkens over 'de prediking van het Koninkrijk'. Jezus zelf predikte het Evangelie van het Koninkrijk Gods (Marc. 1 : 14). Paulus heeft overal het Koninkrijk Gods gepredikt (Hand. 20 : 25). Het boek Handelingen sluit er zelfs mee af. Daar lezen we dat Paulus allen, die tot hem kwamen, in zijn gehuurde woning ontving 'predikende het Koninkrijk Gods en lerende van de Heere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd'.
Als van Christus intussen gezegd wordt dat Hij de scharen sprak over het Koninkrijk Gods, wordt in direct verband daarmee gezegd dat Hij zieken gezond maakte. En verder lezen we ook in het Nieuwe Testament dat het Koninkrijk Gods en de gerechtigheid nauw bij elkaar horen. Zoek eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid (Matth. 6 : 23). En dan is het ook opmerkelijk dat gezegd wordt dat rijken moeilijk ingaan in het Koninkrijk Gods en dat hoeren en tollenaren voorgaan.
De vraag rijst in dit verband, wat in de Schrift gerechtigheid is. Geldt hiervan ook niet, dat deze notie in wisselende beelden in de Schrift voorkomt, zoals dat voor het Koninkrijk Gods zelf geldt?
Er is enerzijds de paulinische dimensie van de gerechtigheid: Maar nu is de gerechtigheid geopenbaard buiten de werken der wet, door het geloof in Jezus Christus (Rom. 3). Deze gerechtigheid, die de Borggerechtigheid van Christus is, is het hart van het Evangelie. Daarom kan de goddeloze gerechtvaardigd worden om niet, door de kruisverdienste van Christus. Omdat aan Gods recht is voldaan. Snijd dit hart uit de prediking van het Koninkrijk weg en er is geen Evangelie meer over.
Maar gerechtigheid heeft in de Schrift ook alles te maken met de verhouding onder mensen en volkeren. 'Wat eist de Heere van u, o mens, dan recht te doen en weldadigheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met Uw God?' (Micha 6 : 8). En zegt Jacobus niet in zijn praktische brief, dat het geschrei dergenen die geoogst hebben is gekomen tot in de oren van de Heere Zebaoth?
Maar ook hier is gerechtigheid allereerst verwórven gerechtigheid. Het gaat Christus om de (vervulling van) de ganse wet. En die raakt het hele leven, in het geestelijke en het wereldlijke. Daarom is gerechtigheid zowel de gerechtigheid, waardoor een zondaar voor God kan bestaan, als ook die gerechtigheid, waardoor het recht tóé gáát onder de mensen.
Het apostolaat
Onze belijdenis spreekt heel spaarzamenlijk over het Koninkrijk Gods. Wanneer de tweede bede van het Onze Vader in de Heidelbergse Catechismus wordt behandeld gaat het vooral over het geestelijk aspect en over de kerk ('bewaar en vermeerder uw kerk'). Anderzijds wordt toch ook gesproken over de volkomenheid van het Rijk. Ook nu is het er dus al, maar het komt eenmaal in volle heerlijkheid. Het is echter duidelijk dat de belijdenis niet zozeer spreekt over het missionaire aspect en over de gerechtigheid, zoals we die bij de profeten en bij Jacobus, maar ook in de Evangeliën tegenkomen als het doen van gerechtigheid. Maar de belijdenis zegt immers ook niet alles; wel in principe, in beginsel alles. Het principe van de belijdenis is het Schriftprincipe. En daarom worden we, ook als het om noties als Koninkrijk Gods en gerechtigheid gaat, naar de Schrift zelf verwezen.
Met name in de naoorlogse jaren is evenwel de bezinning op de bijbelse notie van het Koninkrijk Gods op gang gekomen en in direct verband daarmee het zogeheten apostolaat. Het is duidelijk dat dit alles te maken had met de gruwelijke manifestatie van het Rijk van de macht der duisternis in de Tweede Wereldoorlog. Toen ging het om de strijd tussen Christus en de machten. Toen werd door de Duitse belijdende kerk belijdend uitgezegd in de Barmer Thesen, dat de kerk elke heerschappij verwerpt die zich stelt in de plaats van de Koningsheerschappij van Christus.
In de Nieuwe Kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk, die in 1951 werd aangenomen, werd een artikel opgenomen over het apostolaat. Dat apostolaat had te maken met het gesteld zijn van de kerk, als Christusbelijdende geloofsgemeenschap, in de wereld. De apostolaire opdracht moest worden verwezenlijkt door het gesprek met Israël (om uit de Heilige Schrift te betuigen dat Jezus de Christus is), door het werk van de zending en door 'de verbreiding van het Evangelie en de voortdurende arbeid aan de kerstening van het volksleven in de zin der Reformatie'.
Welnu, uitdrukkelijk wordt in artikel VIII gezegd dat de kerk haar roeping in de wereld, het apostolaat verricht 'in de verwachting van het Koninkrijk Gods'. De kerk richt zich met 'het Evangelie van het Koninkrijk' tot de volkeren in de nietgekerstende wereld.
Er was overigens een hoog oplaaiende discussie over de volgorde van artikel VIII en artikel X (over het belijden) bij de invoering van de Nieuwe Kerkorde. Met name van hervormd gereformeerde zijde werd betoogd dat de kerk éérst haar belijden moest formuleren en daarna pas hoe men met deze belijdenis in de wereld zou staan; al vond ds. K. J. van de Berg de volgorde op zich minder belangrijk, als het maar duidelijk was wat de kerk belijdt (belijdt zij in gemeenschap of in overeenstemming met de belijdenis der vaderen?). De vrijzinnnige ds. K. Bakker vond de volgorde echter doorslaggevend. In vrijzinnige kring, zo zei hij, liet men de nieuwe lidmaten gaarne toezingen Gezang 157 'dat hun wandel 't sprekendst amen zal zijn.'
Geschriften
Toen de Hervormde Kerk in allerlei herderlijke geschriften na de invoering van de Nieuwe Kerkorde de nieuwe koers ging verwoorden werd ook duidelijk hoezeer de Koninkrijk Gods gedachte hierin een centrale plaats innam. In vrijwel alle artikelen van het geschrift 'Fundamenten en perspectieven van belijden' (een proeve van belijden) komt het Koninkrijk Gods aan de orde. Soms op bijbelse, reformatorische wijze, soms opkomend vanuit nieuwe theologie. Prof. dr. J. Severijn schreef dat het geschrift deed denken aan 'een theologische kaleidoscoop, waarin het kleurenspel van de zogenaamde nieuwe theologie en de zich opdringende Rijksspeculatie behoedzaam wordt getemperd door het gebroken coloriet van de reformatorische traditie'.
Intussen erkende Severijn wél, dat de belijdenis op het punt van de laatste dingen, met betrekking tot het Koninkrijk Gods en de plaats van Israël daarin 'tekort schiet' en dat daarom een aanvullend belijden, met behoud van wat de kerk in artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt, gewenst is.
Prof. dr. A. F. N. Lekkerkerker, die de noodzaak van de prediking van het Koninkrijk sterk benadrukte, stelde met zorg vast dat 'piëtisme en methodisme' met nadruk op persoonlijk geloof en bekering, als 'bekrompenheid' overwonnen leken te zijn.
Dr. J. G. Woelderink pleitte voor de uitdrukking 'profetisch-apostolisch getuigenis aangaande de Christus', dat oordelend, zegenend en richtinggevend boven en tegenover de Kerk blijft staan. Dat grendelt – zo zei hij – af naar links, waar het apostolisch getuigenis 'zuiver menselijk' wordt en de strijd voor de waarheid wordt verwaarloosd en naar rechts waar de strijd om de waarheid een wettisch of zelfs afgodisch karakter kan krijgen.
Wettisch en dominerend
Hoezeer ook het geschrift 'Fundamenten en perspectieven' fundamentele bijbelse, reformatorische noties bevat, in latere geschriften bleek toch wel in welke richting de Koninkrijk Gods gedachte zich ontwikkelde. Het apostolaat ging ontsporen doordat de geestelijke categorie van het Koninkrijk Gods steeds verder op de achtergrond raakte en de wereldlijke component ging domineren, en dan nog op onbijbelse wijze.
In het geschrift 'Christen zijn in de Nederlandse samenleving', kwam de socialistische maatschappijvisie in het blikveld kwam en werd het apostolaat politiek-maatschappelijk werd ingekleurd. Er wordt gesproken over 'heilige ontevredenheid' waarmee wij verlangen naar het ogenblik, dat de ganse aarde aan haar wettige Koning zal toebehoren. 'Onze verwachting verhindert ons om vrede te hebben met het bestaande. God zelf geeft ons door Zijn toekomstbelofte de vrijmoedigheid om in opstand te komen tegen alle machten die de wereld aan haar bestemming onttrekken'.
Men ziet dat hier de secularisering, de verwereldlijking van het heil opgeld doet. Een volstrekt dieptepunt in deze is echter het geschrift 'Revolutie en gerechtigheid', waarin de bevrijdingstheologie, gericht op puur werelds apostolaat, haar triomfen viert. Het is alles wereld en tijd wat de klok slaat. De dimensie van de hemel en eeuwigheid ontbreken. Het geschrift is niet meer bijbels theologisch maar ideologisch van aard. De geest van het (neo)-marxisme straalt er doorheen. Het heil is geheel binnenwerelds en binnentijdelijk. 'Het Nieuwe Jeruzalem is er reeds nu'
Maar deze lijn làg al in 'Fundamenten en perspectieven'. Toen het erop aankwam om in Fundamenten en perspectieven' over het ambt der overheid te belijden stond een minderheidsstandpunt van Van Ruler tegenover een meerderheidsstandpunt (met name K. H. Miskotte). Van Ruler wilde een formulering, gebaseerd op artikel 36 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis: 'welbewust het Rijk van Jezus Christus voorstaan, door de prediking van het Evangelie te beschermen en te bevorderen…' In de visie van de meerderheid werd de profetische roeping van de kerk echter beperkt tot 'de haar toekomende ruimte' maar anderszins ook verruimd door namelijk de kerk in een soort universalisme zelf tot de wereld te verruimen (kerk buiten de kerk).
We moeten zeggen dat de nieuwe apostolaatsvisie en de Koninkrijk Gods gedachte, zoals die zich na de Tweede Wereldoorlog hebben ontwikkeld, meer de verwereldlijking van de kerk dan de kerstening van de wereld hebben bevorderd. Protesten konden dan ook niet uitblijven.
In 1968 werd een Open Brief gepubliceerd van 'de 22' (dr. W. Aalders e.a.), waarin geprotesteerd werd tegen 'Kerk en wereld' als overheersend thema sinds de jaren '40. Apostolaat is geworden 'een functie van een geseculariseerde cultuur'.
In 1971 verscheen 'Het Getuigenis' (prof. dr. G. C. van Niftrik e.a.), waarin gezegd werd dat in het moderne spreken over het Rijk Gods dit Rijk een afspiegeling is van 'radicale, revolutionaire, politieke wensdromen'. Het verzette zich tegen de moderne visie dat het Rijk Gods zich verwerkelijkt 'door de evoluties en revoluties van de geschiedenis'.
In een recent interview in Hervormd Nederland met prof. dr. J. Verkuyl, die zich in de theologische bezinning rondom het Koninkrijk Gods, met de maatschappelijke relevantie daarvan, niet onbetuigd heeft gelaten, spreekt hij kritisch over de Wereldraadtheologie, waarin het Koninkrijk het één en het al is. Het is vaak 'een Koninkrijk zonder Koning'. En over de noodzaak van de persoonlijke band met Christus wordt niet meer gesproken.
Roeping
Intussen mogen we met het badwater van een slechte theologie inzake het Rijk Gods het kind van de goede, bijbelse, reformatorische traditie niet wegwerpen. Want het Koninkrijk Gods hééft ook een wereldlijke zijde (wat iets anders is dan een wereldse zijde). Het is niet voor niets dat Augustinus, Calvijn, Luther en vele anderen zich in het (verre) verleden al uitvoerig hebben bezonnen op de kwestie van de twee Rijken. Eerlijke lezing van de Schrift dringt en dwingt er ons toe ook de wereldlijke notie, naast de hemelse, de tijdelijke component binnen de eeuwige component, het heden naar de toekomst toe te benadrukken.
We mogen intussen ons afvragen of de prediking van het Koninkrijk, waarvan Jezus de Koning, de Kurios, de Heere is, binnen het gereformeerd protestantisme altijd wel voldoende heeft gefunctioneerd. Of er toch niet altijd sprake is geweest van vereenzijdiging, beperking tot het persoonlijk-geestelijke. De al eerder genoemde Schriftplaatsen uit Micha en Jacobus zullen toch ook onze aandacht moeten hebben. Christus is Heere van het hele leven en wil als zodanig ook in de wereldlijke verbanden van het leven geëerd en gediend zijn. Het gaat God om de hele wet.
Het apostolaat zal evenwel een bijbelse vulling dienen te hebben. Maar dan ligt de wereld als Gods Schepping en als het Rijksgebied van Kurios Jezus wel in het blikveld. Ik laat hier volgen een citaat van Calvijn bij de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. Geen vergeestelijking, maar een appèl tot wereldwijde, zeg (wereld)diakonale roeping. Wordt onder ons niet te snel een gelijkenis als deze vergeestelijkt? Men luistere naar Calvijn:
'De hoofdzaak in deze gelijkenis is, dat ieder mens, zelfs die ons het meest vreemd is, onze naaste is, omdat God alle mensen onderling aan elkaar verbonden heeft, opdat zij elkander helpen. Doeltreffend echter bestraft Hij hier vooral de Joden en de Priesters, omdat zij, terwijl zij zich beroemden kinderen van dezelfde Vader en door het bijzonder voorrecht der aanneming van de andere volken onderscheiden te zijn, zodat zij de heilige erve Gods waren, elkander niettemin zulk een onmenselijke en onbegrensde verachting toedragen, alsof er in het minst geen onverbreekbare verwantschap tussen hen bestond. Immers, het lijdt geen twijfel, Christus beschrijft hier die wrede veronachtzaming der liefde, waarin zij zich bewust waren. Het hoofddoel dezer gelijkenis is overigens, gelijk ik zei, dat wij de verwantschap, die ons tot wederkerig dienstbetoon verplicht, niet tot onze vrienden of bloedverwanten beperken, maar uitstrekken moeten tot het gehele mensdom. Om dit te bewijzen vergelijkt Christus een Samaritaan met een Priester en een Leviet. Het is overbekend, welk een dodelijke haat de Joden de Samaritanen toedragen, dermate dat, terwijl zij zeer nabij elkander woonden, de grootste verwijdering tussen hen bestond. Nu verhaalt Christus dat een zeker Joods burger uit Jericho, op weg naar Jeruzalem, door rovers verwond werd, en dat een Leviet en een Priester, die voorbij kwamen toen hij half dood daar nederlag, hem lieten liggen, maar dat een zekere Samaritaan hem liefderijk verzorgde; en tenslotte vraagt Hij, wie van deze drie de naaste was van deze Jood. Inderdaad, hier was geen mogelijkheid voor de spitsvondige leraar om te ontsnappen, maar hij moest de Samaritaan boven de beide anderen de voorkeur geven. Als in een spiegel toch wordt ons hier de gelijkheid van alle mensen te zien gegeven, die de Schriftgeleerden door hun snood nietig gebeuzel trachtten weg te cijferen. En het medelijden dat aan deze Jood door diens vijand bewezen werd, toont hoe de natuur reeds leert en aanwijst, dat de mens om de mens geschapen is; en hieruit volgt, dat allen verplichtingen jegens elkander hebben.'
Als we aan de wereldlijke dimensie van het Rijk Gods en van de gerechtigheid geen plaats geven zijn we evenzeer ontrouw aan de Schrift, aan het Sola Scriptura, als wanneer we de rechtvaardiging van de goddeloze niet (meer) preken. Het gaat in beide gevallen om het Koninkrijk en de gerechtigheid van Christus. Als we deze noties verwaarlozen hebben we geen boodschap meer voor het leven, geen boodschap meer aan (in) de politiek en aan de ethische vragen van vandaag. Dan laten we het onrecht z'n loop. Maar het recht zal z'n loop hebben. De christen zucht dan ook met het zuchten van de schepping mee.
Prediking van het Evangelie van het Koninkrijk betekent het uitzeggen van de Gloria Dei, de eer Gods, van het Koningschap van Jezus Christus over mens en wereld, van het ernst maken met het rentmeesterschap, van de roeping tot dienst, in navolging van Hem, die kwam niet om gediend te worden maar om te dienen.
Maar alleen vanuit de geestelijke dimensie van het Rijk en de gerechtigheid krijgt de wereldlijke dimensie kleur en inhoud. Wanneer we vergeten dat ten diepste het Koninkrijk niet van deze wereld is, is de stap naar een ideologische benadering van het Koninkrijk nog slechts een kleine. Dan wordt gerechtigheid een humanistisch begrip.
Het Koninkrijk hoort bij Christus: waarachtig God en… waarachtig mens. Chalcedon is ook in onze tijd nog hoogst actueel.
v. d. G
Samenvatting van referaat, gehouden op ontmoetingsdag van studenten in de theologie en het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond op dinsdag 8 december 1987 te Putten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's