Calvijn over Gods beloften (6)
Belofte en verzegeling (vervolg)
In het vorige artikel stelden we vast, dat onder verzegeling door Calvijn verstaan wordt het vastmaken van de beloften in het hart van de gelovige door de Heilige Geest. De verzegeling van de promissio heeft, met andere woorden, alles te maken met de zekerheid des geloofs. Wij moeten daar nog even nader op ingaan. Want waarvan overtuigt de Geest nu precies: van de objectieve waarheid of ook van ons persoonlijk aandeel aan de inhoud van de belofte. Terecht heeft de Duitse theoloog W. Krusche erop gewezen, dat het getuigenis van de Geest betrekking heeft op beide aspecten. De goddelijke autoriteit van de belofte moet voor ons vaststaan, want 'zolang de Geest van God niet in ons heeft gewerkt om ons te overtuigen van de waarachtigheid van Gods beloften, doen wij niets dan wankelen'. Maar wij moeten ook overtuigd worden van de belofte-inhoud, namelijk van onze adoptie tot kind van God. In een preek over Deut. 10 wijst Calvijn met grote nadruk op dit laatste. 'Totdat onze aanneming is verzegeld door de Heilige Geest, moeten wij niet denken, dat het ons enig voordeel zal doen, wanneer wij Gods Woord gehoord hebben, maar wanneer wij in onze harten het getuigenis hebben, dat Zijn beloften ons toekomen en dat zij zich tot ons richten, dat wij ze ontvangen in rechte gehoorzaamheid, dat wij onze Heere Jezus Christus aanhangen en toestaan, dat wij door Hem geregeerd worden: ziedaar een teken, dat God ons gegeven heeft van onze verkiezing en wel zodanig, dat wij niet alleen de schijn daarvan hebben voor de mensen, maar wij hebben de waarheid van onze God.'
Een getuigenis
Niet alleen de belofte-autoriteit, maar ook de belofte-inhoud wordt door de Heilige Geest verzegeld. Heel belangrijk is evenwel te constateren, dat het voor Calvijn daarbij niet gaat om twee getuigenissen, maar om een en hetzelfde getuigenis, waarbij de gelovige zowel van het een als van het ander overtuigd wordt. Zekerheid van de belofte en zekerheid van het heil worden door de reformator niet van elkaar gescheiden, zoals dat in de latere orthodoxie wel het geval is. Men zal prof. C. Veenhof moeten bijvallen, als hij schrijft: 'Het getuigenis van de Heilige Geest bewerkt in ons niet alleen de zekerheid omtrent de zgn. "objectieve waarheid" van de belofte van het Evangelie, maar evenzo en niet minder en in onlosmakelijk verband daarmee ook de zekerheid omtrent onze "subjectieve" gemeenschap, ons deelhebben aan de "inhoud" van die belofte. Dat wil zeggen: aan Christus en het heil in Hem. Van een uitéénscheuren van de zekerheid in een zekerheid omtrent een "objectieve waarheid", zoals men die in de Schrift meent te vinden en de zekerheid omtrent ons deelgenootschap aan het in de Schrift verkondigde heil – een uiteenscheuren dat in de latere orthodoxie bijna algemeen gangbaar werd – is bij Calvijn niets te bespeuren'.
Zekerheid van de belofte en zekerheid van het kindschap Gods zijn bij Calvijn uitdrukkingen van dezelfde zaak. Het objectieve en het subjectieve worden heel nauw bijeengehouden in het ene werk van de Heilige Geest, die ons gegeven wordt tot 'een onderpand, omdat Hij getuigenis geeft van onze adoptie en tot een zegel, omdat Hij het geloof in de belofte bekrachtigt'.
Wel de oorzaak, niet de grond
Zonder de verzegelende werking van de Geest kan volgens Calvijn van geloof in de belofte Gods geen sprake zijn. De Heilige Geest is niet minder dan de bewerker van het belofte-geloof en haar zekerheid. Daarbij moeten wij voor een misverstand wel op onze hoede zijn. Het feit, dat de Geest de oorzaak is van het promissiogeloof, houdt niet in, dat daarin ook de grond van dat geloof gelegen is. Integendeel, de zekerheid van het geloof wortelt niet in de subjectieve verzegeling, maar in de objectieve beloften Gods. Wanneer het gaat om heilszekerheid, het zij nogmaals gezegd, verwijst Calvijn ons niet naar de innerlijke beleving, maar naar de beloften van het Evangelie, die ons gegeven zijn in het Woord. 'Het heilsvertrouwen is gefundeerd in Christus en rust in de beloften van het Evangelie. Hier ligt haar onoverwinnelijke zekerheid.' De Heilige Geest is het wel, die ons op het fundament van de belofte neerzet, zodat wij persoonlijk weten voor leven en sterven vaste grond onder de voeten te hebben.
Kritiek
Het is ten onzent vooral dr. J. de Boer geweest, die in zijn dissertatie over de verzegeling met de Heilige Geest kritiek geleverd heeft op Calvijns sterke koppeling van belofte-geloof en verzegeling. De grondfout ziet De Boer in een onjuiste exegese van Efeze 1 : 13 waar Paulus schrijft: 'In Welke (d.i. Christus) ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welke gij ook nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld met de Heilige Geest der belofte'. De Boer maakt er bezwaar tegen, dat Calvijn in zijn verklaring van deze tekst geloof en verzegeling samenvlecht tot een en hetzelfde aanvaarden van Christus in de Evangeliebelofte. Naar zijn mening is, op grond van de grondtekst, het geloofhechten aan het verkondigde Evangelie een voorafgaande daad, waarbij als tweede daad dan de verzegeling met de Heilige Geest volgt.
Geloof in de belofte en verzegeling met de Geest vallen, in de visie van De Boer, niet samen, maar zijn afzonderlijke stadia in het geestelijke leven. Calvijns opvolger, Th. Beza zou in dit opzicht meer recht gedaan hebben aan de Schrift. Volgens Beza zet de Heilige Geest pas, nadat wij tot geloof gekomen zijn, op een later moment dus, Zijn zegel op het hart.
In dit opzicht is hij inderdaad een andere weg gegaan dan zijn leermeester. Voor Calvijn kan er geen sprake zijn van een tijdsverschil tussen het horen van de belofte en het ervaren van het werk van de Geest. 'God werkt krachtdadig door Zijn Geest in de harten der mensen, wat Hij niet vroeger, niet later, maar tegelijk (simul) tot hun oren spreekt.'
Excurs
Het ligt niet op onze weg om uitputtend na te gaan welke exegese van Efeze 1 : 13, 14 de juiste is. Opvallend is wel, dat meerdere hedendaagse nieuwtestamentici de uitleg van Calvijn onderschrijven. Heel aansprekend is in dit verband wat dr. L. Floor schrijft in zijn boeiende studie over de Heilige Geest. Na grondig onderzoek en zorgvuldige afweging komt hij tot de conclusie, dat de Griekse tijdvorm, die Paulus in deze verzen gebruikt, wijst op een coïncidentie, op een samenvallen van het verzegelende werk van de Heilige Geest met het geloof in het Woord van God.
Naar zijn inzicht zijn de beide werkwoorden geloven en verzegelen dan ook te beschouwen als twee kanten van dezelfde zaak.
Wanneer wij Calvijns visie op de verzegeling vergelijken met die van de theologen van de Nadere Reformatie ontdekken wij dat de laatsten doorgaans meer in de lijn van Beza dan van de hervormer gedacht hebben. Ook bij hen wordt de verzegeling min of meer losgemaakt van de belofte, zodat deze een eigen plaats krijgt naast (en ook wel na) het geloof in de belofte. Beza wil de werking van de Geest nog wel in verband zien met de beloften van God, maar daarnaast wordt het getuigenis van de Geest door hem ook verzelfstandigd. De verzegeling is niet meer uitsluitend verbonden aan de promissio, maar ook aan de werkingen van het geloof zelf.
Hetzelfde vinden we ook bij een aantal oude schrijvers. Met de woorden van dr. J. de Boer kan men zeggen: 'Bij de Nadere Reformatie is verzegeling dit, dat de Heilige Geest ons licht geeft over onze genade d.i. over wat Hij in ons innerlijk leven en in de praktijk der godzaligheid schonk.'
W. à Brakel bijvoorbeeld heeft de verzegeling verstaan in deze zin, dat de Heilige Geest ons enerzijds overtuigt van de beloften Gods, maar anderzijds ons helderheid geeft over de waarachtigheid van Gods genade in ons hart. Hij schrijft daarover: 'De Geest verzegelt hen (de gelovigen) door hun in te drukken het beeld Gods en door hun te tonen en te doen zien, dat het beeld Gods en door hun te tonen en te doen zien, dat het beeld Gods in hen is. Hij overtuigt hen van hun eerste veranderingen en overgang in Christus; van hun geloof, dat zij Christus waarlijk hebben aangenomen en het nog dagelijks doen; van hun onverzadigbare begeerte naar gedurige gemeenschap met God; van hun geestelijk leven, hoewel klein, nochtans waarachtig: deze dingen toont hun de Geest, zodat zij het zien en niet ontkennen noch durven.
Dit aan de ene kant hen openbarende, zo brengt Hij hen met de ontvangen gave tot het Woord en tot de beloften die aan dezulken gedaan zijn. Zo doet Hij hen uit deze twee stellingen (de eerste genomen van hun genade, de tweede uit het Woord) de conclusie opmaken, dat zij dan zeker kinderen Gods zijn en der eeuwige zaligheid deelachtig zullen worden. In deze redekaveling (sluitrede v.C.) werkt de Heilige Geest niet alleen om de genade in hen, en de Schriftuurlijke beloften helder en zeker aan hen te maken, maar Hij werkt ook in het formeren van de conclusie en doet hen die vast en zeker maken en dat met veel licht en drukt hen die door Zijn verzegelende kracht zo diep in, dat zij het zo zeker geloven, alsof zij het met ogen zagen en handen tastten, ja, alsof zij de zaligheid reeds bezaten.' Wij bemerken hoezeer hier het accent, in vergelijking met Calvijn verlegd is van de belofte naar het innerlijk van de gelovige. Had voor Calvijn de verzegeling alles te maken met de zekerheid van het belofte-geloof; in de Nadere Reformatie wordt deze vooral betrokken op de zekerheid van het gevoel. Het gaat om de gekende en doorleefde presentie van het heil, op grond waarvan men mag concluderen een kind van God te zijn.
Tot in onze tijd is de invloed van Beza en in zijn spoor van de Nadere Reformatie, merkbaar in de Gereformeerde Gezindte. Een opmerkelijk voorbeeld daarvan vinden we in de persoon van wijlen ds. I. Kievit. Ook hij betrekt de verzegeling met de Geest heel sterk op de ervaring van de gelovende mens, terwijl de verzegeling ook in tijdorde duidelijk onderscheiden wordt van het komen tot geloof In de bundel 'In Christus reisvaardig' treffen wij een preek aan over Efeze 1 : 13, 14. De predikant stelt vast, dat de Efeziërs reeds door het geloof geborgen waren in Christus. Er was echter nog iets bijgekomen, dat hen temeer deed genieten de zalige gemeenschap met God. Ze waren verzegeld met de Heilige Geest der belofte. En die verzegeling was geschied, nadat zij geloofd hadden. 'Zo mogen wij u bepalen bij een zeer bijzondere bediening van de Heilige Geest en getuigenis geven van de bijzondere betekenis van de Heilige Geest. Niet alleen bij wat de Heilige Geest doet in de verzegeling, maar ook en allermeest wat Hij daarbij is. Er staat toch, dat zij verzegeld waren, niet door, maar met de Heilige Geest der belofte. De Heilige Geest zelf is het zegel. Zalig wie deze bediening van Christus mag kennen voor zijn hart. Diepten zijn ons toen geopend, die wij tevoren niet kenden. Eeuwige vastigheden geopenbaard, die nimmer kunnen wankelen. Een gemeenschap met de levende God ontsloten, zoals wij tevoren niet hadden genoten. Rustend aan Gods Vaderhart, ontsloten door Immanuels armen werd de Geest ons geschonken als onze eeuwige Trooster, die nimmermeer wijkt en in al de waarheid leidt. Een woonstede van God in de Geest. Geloofd zij de Heere, dag bij dag overlaadt Hij ons. Nu spreekt de Heere: 'Dit is mijn rust tot in eeuwigheid, hierin zal Ik wonen, want Ik heb het begeerd'.
Heel duidelijk blijkt uit dit citaat de ontkoppeling van geloof en verzegeling. Het gaat om twee afzonderlijke momenten, twee aparte handelingen van de Geest, waarbij de laatste de eerste overtreft in waarde en heerlijkheid. De verzegeling is een plus ten opzichte van het geloof in de belofte. Het gaat daarbij om een ervaring, die ons dieper inleidt in de schatten des heils. Er is sprake van een ongekend genieten van Gods gemeenschap, een intrek nemen van de Geest als Persoon in het hart van de gelovige, zodat het hart een woonstede van God wordt, een vervulling van de Geest, die leidt tot aanbidding en lofprijzing.
Nu is het bijzonder frappant, dat niet alleen onder de nazaten van de Nadere Reformatie deze visie op de verzegeling voorkomt, maar dat men deze ook (hoewel anders uitgewerkt) aantreft in allerlei groepen en kringen, binnen en buiten de kerk, die aandacht vragen voor de doop met de Heilige Geest. Heel vaak worden doop met de Geest en verzegeling dan op een lijn gesteld. Ook voor deze christenen is de verzegeling een apart gebeuren, een 'tweede zegening', waarbij ons de gaven van de Geest ten deel vallen: Glossolalie, profetie, gebedsgenezing enz. Zo vinden wij als kanttekening bij Efeze 1 : 13, 14 in het boek van ds. D. G. Molenaar over de Doop met de Heilige Geest: 'In het Nieuwe Testament zijn de doop en de vervulling met de Geest meer dan alleen het tot geloof komen of zich bekeren. De doop met de Heilige Geest gaat uit boven Zijn werk bij de wedergeboorte'. Wij moeten deze opmerkelijke parallellie tussen bevindelijk gereformeerden en pinkstergelovigen hier verder laten rusten. Zij is, naar onze overtuiging, evenwel interessant genoeg om er in deze excurs even melding van te maken.
M. van Campen, Woerden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's