De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

'En rusten we aan Uw hart verloren'

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

'En rusten we aan Uw hart verloren'

7 minuten leestijd

Herdenkingen
Het jaar 1987 is een jaar met vele herdenkingen. Als ik me tot de Nederlandse letterkunde beperk, moet ik wijzen op de Vondel-herdenking, de Huygens-herdenking, de Multatuli-herdenking en de herdenking van het tijdschrift De Gids dat in 1837 onder leiding van Potgieter voor het eerst verscheen. En, last but not least, 1987 is ook het jaar van de herdenking van Willem de Mérode die 50 jaar geleden overleed.
Het is niet mogelijk, en ook niet zinvol, aan al deze herdenkingen in een kerkelijk blad uitgebreid aandacht te besteden. Constantijn Huygens bijvoorbeeld staat ons heel wat nader dan Multatuli. In een artikel rond Pasen is deze 17-eeuwse calvinistische dichter in ons blad aan de orde gekomen. Thans wil ik, op de valreep. Anno Domini 1987 iets schrijven over Willem de Mérode, de belangrijkste protestantse dichter tussen de twee wereldoorlogen.
Eigenlijk moet ik zeggen: nogmaals. Immers, diverse malen is van deze dichter reeds poëzie in ons blad opgenomen. Uitvoerig ben ik in het verleden ook ingegaan op de homofiele aanleg van de dichter, zijn strijd tegen de homoseksuele daad, zijn worsteling met de bijbel die hij serieus wilde nemen, zijn nederlaag in dit diep ingrijpende gevecht in 1924 – beïnvloed door verkeerde contacten en een slechte gids – de tragedie die daarop volgde: gevangenneming, veroordeling, ontslag, vereenzaming. Dit alles laat ik nu rusten om alle aandacht te richten op enige van zijn kerstgedichten.

'Laat mij maar eenzaam tot U komen'
De crisis van 1924/25 heeft de mens Willem Eduard Keuning en de poëzie die hij schreef onder het pseudoniem Willem de Mérode ingrijpend veranderd. Allereerst verdiepte zich zijn geloofsleven. Na een lange strijd in eenzaamheid – hij woonde in een gedeelte van een boerderijtje te Eerbeek – vond hij uiteindelijk rust in God, wat niet wil zeggen dat hij toen ineens een gemakkelijk leven kreeg. Hij kwam buiten de kerk terecht, maar de verticale lijn in zijn leven werd sterker en sterker. De kerk en vooral de 'vrome' kerkmensen kon hij missen. Tot God sprak hij: 'Laat mij maar eenzaam tot U komen'. In dit proces groeide de dichter steeds meer toe naar beleven en belijden met het hart wat de kerk in haar dogma's verwoordt. Bekend is zijn uitspraak: 'Het dogma is geen dode leer, maar levende lofzegging'. Inhoudelijk is in zijn poëzie merkbaar de groei in zijn geloofsleven. En wat de vorm betreft groeide hij steeds meer toe naar soberheid, eenvoud. De fraaie krul gaat eraf.
De twee bundels Verzamelde gedichten van Willem de Mérode, die ter gelegenheid van de herdenking in september 1987 verschenen en die op voortreffelijke wijze door Hans Werkman zijn bezorgd, bieden ons een ruime mogelijkheid een keuze te doen uit zijn kerstpoëzie.

Kerstnacht
Allereerst kies ik het gedicht 'Kerstnacht' uit de bundel Het heilig licht'. Het maakt deel uit van de afdeling 'Hoogtijden'.

Kerstnacht
Wij weten wel, dat Gij geboren zijt,
En hulploos in een kribbe ligt en schreit;
En toch, wij gaan met aarzelende voeten,
U te begroeten.

Wij schrokken huivrend op: dit is Uw nacht!
Ons luchtig hart had niet op U gewacht.
Nu kunnen wij met tuchtelooze zinnen
U niet beminnen.

Uw ster reist stralend over weg en veld.
Wij volgen, maar van 't hemelsche geweld,
Dat andrer oogen blinken doet als zonnen,
Niet overwonnen…

Hebt Ge ons een oogenblik van smart bevrijd?
O God, wij smàchten wel naar zaligheid,
Maar kunnen, wat wij hebben, niet verlaten,
En nimmer haten.

Wilt Gij geschenken? Neem ons weenen aan;
Handen die niets dan kwaad hebben gedaan.
En onze bloeiende zachtroode monden,
Nog warm van zonden.

Gij lacht ons op den schoot van Moeder toe.
Gij weet wel ach, wij zijn zoo doodlijk moe,
En willen graag ons aan Uw voeten strekken,
tot Ge ons zult wekken.

Wij zijn gekomen, Kind, zegen ons hoofd.
Dan wordt de felle hellebrand verdoofd.
O, en wij voelen, dat hij gansch zou blusschen,
Wildet Ge ons kussen.

In dit vers valt een zwaar accent op zonde en schuld: onze handen hebben niets dan kwaad gedaan en onze monden zijn 'warm van zonden'. We proeven in dit gedicht een felle strijd: enerzijds 'smàchten… naar zaligheid', anderzijds de zonde 'niet verlaten'. De Mérode schreef dit vers vóór de crisis in 1924 en tegen deze achtergrond lijken de volgende regels zeker een extra lading te krijgen: 'Nu kunnen wij met tuchtelooze zinnen/U niet beminnen'. Het gedicht is gebouwd op de scherpe tegenstelling tussen aardse en hemelse liefde.

Kerstliedje
Een ander accent legt de dichter in 'Kerstliedje' uit de bundel Het kostbaar bloed.

Kerstliedje
Wij vieren uw geboortefeest
Met blijdschap, maar onze arme geest
Ziet daar met schrik, en niet te bannen,
Uw kruis zich aan den hemel spannen.

Ach 't eerste en 't laatste, dat Gij kent,
Is koude en jammerlijke ellend.
Uw teederheid heeft, ons ten zegen,
Van jongsaf op het hout gelegen.

Men biedt U mirre, nù ter eer,
Ten afscheid doet men 't smaadlijk weer.
Dit is 't afschuwlijkst dat zij deden:
Te kruide' uw dood met bitterheden.

Wij kunnen haast niet blijde zijn,
Wij voelen reeds uw volle pijn.
Nauw gaan uw heldere oogen open,
Of wij zien ze al van dood beslopen…

O Kind, die angst zoo zoet en fel,
Zij doet ons wonde hart zoo wel.
Hoe zullen wij van leed genezen,
Als Gij in 't lijden niet wilt wezen?

Maar laat ons dezen dag de pijn
Vergeten en diep blijde zijn.
't Spiedend verlangen ziet met beven
De lucht vol juichende englen zweven.

De heemlen roeren van geluid,
Englen zingen de zonden uit!
Hel halen zij hun hooge toonen,
Omdat God onder ons wil wonen.

Geef ons te zijn van goeden wil,
Dan maakt uw vrede de onrust stil
En rusten we aan uw hart verloren,
God, Die in ons hart zijt geboren.

In dit gedicht ziet de dichter vooral een lijn lopen van Kerst naar Goede Vrijdag, van Bethlehem naar Golgotha. Het hout van de kribbe, de voerbak, wijst vooruit naar het houten kruis. De wijzen uit het Oosten brachten bij Jezus' geboorte geschenken, waaronder mirre, een kostbare en geurrijke stof. Maar diezelfde mirre treffen we ook aan bij zijn dood: de soldaten gaven Hem aan het kruis wijn met mirre vermengd (Marcus 15 : 23) als een verdovingsmiddel voor de pijn en bij Zijn begrafenis door Jozef van Arimethea en Nicodemus wordt ook mirre gebruikt (Joh. 19 : 39). Jezus' geboorte is het begin van Zijn lijden. Dat tempert de uitbundige vreugde. Maar de dichter weet ook: 'ons wonde hart' kan alleen langs die weg genezen.

Kerstmis
Het derde gedicht dat ik hier opneem heet 'Kerstmis' en het maakt deel uit van de bundel De stille tuin.

Kerstmis
Vooravond

't Zal Kerstmis worden en 't is stil.
Een vroege winter sloeg het leven,
Ach God, zooveel is dood gebleven,
Dat, nu 't te laat is, bloeien wil.

De tuin, nog blad- en bessenrijk,
Ligt zwartgeslagen en bedorven.
't Wordt Kerstmis, en er moet gestorven.
De Heer komt in een doodenrijk.

Het vreemde neemt ons meer en meer.
Ons moede hart kan niets meer dragen.
Het wenscht te rusten van zijn plagen,
O rust, daal uit den hemel neêr.

Kerstmorgen

Het sneeuwde veel, de wereld stierf,
De raven vliegen laag en speuren.
Een klok bomt, en een bel gaat neuren:
Dood! Lof!! Dood! Leven!! stief, verwierf!!

O Kind, dat ons geboren werd,
Gewikkeld in een doodenlaken,
O Heer! Gij komt de dooden slaken,
Geboorne! U bidt 't herboren hart:

Kind, laat mij als een kind ontwaken,
Dat schreit, omdat het leven proeft,
En, hulpeloos, Uw hulp behoeft,
O Jezus Christus! Zaligmaker!

In dit tweedelige vers treffen we weer een ander aspect aan: ruime aandacht voor de natuur. De vroege winter brengt een plotselinge dood. Bladeren en bessen sterven af. De dood heerst in de natuur. In de dodenrijk wordt het Kerstmis. In dit dodenrijk vindt een geboorte plaats: een Kind is ons geboren…
Dezelfde gedachte als in het vorige gedicht keert hier terug: het Kind is 'gewikkeld in een doodenlaken'. Er moet worden 'gestorven' om doden, verloren mensen, te 'slaken', van boeien te bevrijden.

Drie accenten, één basis
Drie gedichten met drie verschillende accenten. Maar één ding is gemeenschappelijk: het gaat de dichter om een persoonlijk geloof, een persoonlijke band met Jezus Christus. Dat persoonlijke geloof, die diepe beleving van het wonder van Kerst, die 'bevinding' heeft de dichter veroverd door diepten, strijd en vereenzaming heen. Onrustig is ons hart totdat het rust vindt in U, o God. In de woorden van De Mérode:
En rusten we aan Uw hart verloren,
God, Die in ons hart zijt geboren.

J. de Gier, Ede

[Tekst foto: De Burcht Sion in Jeruzalem.]

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1987

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

'En rusten we aan Uw hart verloren'

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1987

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's