Broeder en Borg
In heb eens van de vroegere Belgische koningin Astrid (die in 1935 overleed, toen ze nog geen dertig jaren telde!) een verhaal gelezen dat een diepe indruk achterliet. In het mijngebied de Borinage vond op een kwade dag een ernstige mijnramp plaats. Oude schachten waren ingestort en ettelijke groepen mijnwerkers zaten reddeloos in de val. De angst en ontzetting van hun vrouwen, kinderen en verwanten was met geen pen te beschrijven. Toen dit koningin Astrid ter ore kwam, bedacht zij zich geen minuut. Onverwijld spoedde zij zich naar de plaats van het onheil. Maar niet nadat deze opvallend gracieuze vrouw haar gebruikelijke vorstinnetooi had afgelegd en had verwisseld voor de allereenvoudigste, armelijke kledij van, de mijnwerkersvrouwen uit de Borinage. En zo begaf zij zich onder de verslagen bevolking.
Zij sprak niet veel. Maar zij wás er! En hoe? Incognito. Of liever: door iedereen herkend als Hare Majesteit, maar van al haar majesteitelijke luister ontdaan. Als één van hen. Als een vrouw van het volk. En weet u wat de Belgen uit de Borinage zeiden? Dit: 'Nooit vonden wij onze schone koningin zó schoon!' Al de betovering die gewoonlijk uitging van haar koninklijke waardigheid háálde het niet bij de bekoorlijkheid die van dit saamhorigheidsbetoon uitstraalde. In déze 'tooi' was zij koningin bij uitnemendheid, van een ongekende gratie.
Wat zal nu de oorzaak zijn geweest van de bewondering die haar ten deel viel? Niet haar haveloze kleding als zodanig. Maar dit: dat zij het was, die hooggeboren vrouwe, die zich in dit armoedig gewaad had gehuld, en wel met de bedoeling om, in déze gestalte, harerzijds alle afstand te overbruggen en haar onderdanen van lage komaf nabij te komen. Zo daalde zij af tot het niveau van haar gewon(d)e volk. Zó hoefde géén schuchter en beschadigd hart zich te schamen om de nood en verbijstering aan dit koninklijke hart te klagen. Want haar arbeidersplunje was taal en teken van haar medevoelend, medelijdend hart. Schoner dan ooit was zij, omdat zij nabijer was dan ooit. Nabij tot in de nacht van rouw en doodsangst.
En nu de Allerhoogstgeborene! Wie is van zulk een hoge komaf als God de Zoon? Wie van zulk een majesteitelijke luister als Hij? Maar Hij aarzelde niet om Zijn hemelse statuur te wisselen voor de gestalte van een… slaaf. De Hoogwaardigheidsbekleder gehuld niet alleen in povere doeken, maar neergedaald tot in de afgrondelijke diepte van onze misère. Niet alleen in kleding van ónze kledij, maar in vlees van óns vlees, bloed van óns bloed, schande van ónze schande. Onzer Eén. Totaal en zonder reserve. Even kwetsbaar en nooddruftig als u en ik. Even belaagd door angst en benauwenis als wij. Even aangevochten, even schamel, even berooid. Opdat én zodat herders, zó uit het ruige, nachtelijke leven weggeroepen, met hun vuile plunje die geurde naar aarde en beesten, zich onbevangen over het Kribbekind durfden buigen. Tijd om zich te verkleden was er, of gunden zij zich niet. Daar hadden zij ál te veel haast voor. Maar het mocht en moest ook niet. Zó, zoals zij waren, gingen zij heen, met de haast van hun hunkerende hart. Het Woord dreef aan tot spoed! En wat zij ontwaarden in deze kleine boreling was hun Broeder, hun allerbehoeftigste Broeder. Jawel, zij zagen een rijke Christus voor arme zondaren. Maar het wonder is hun ongetwijfeld geweest, dat deze rijke Christus nu verschenen was als hun árme Christus. Als hunner Eén. Hun in alle dingen gelijk geworden. En wat zal dus het geheim zijn geweest van hun uitbundige blijdschap? Dit: dat hier de langverwachte en beloofde Koning lag, maar dan niet getooid in satijn, doch gevlijd in doeken en stro! Als de armste der armen. Hier was een afstand overbrugd die hunnerzijds niet te overbruggen viel.
En hoe is Zijn broederschap gebleken! Tot deze Broeder gingen uit de schuchteren en schuldigen, de bezetenen en bezitlozen, de berooiden de beschadigden. En tot op vandaag gaan nóg tot Hem heen de verschopten en verschovenen, die het niet zouden wagen tot deze rijke Christus te naderen, ware het niet dat Hij hun allerarmste Broeder werd. Wie zou hier iets hoeven te 'zijn', nu deze Vorst zich heeft vernietigd en ontledigd? Geen sterveling behoeft ten overstaan van deze 'bloedverwant' een zekere stand op te houden. Hij immers werd van onze laagste stand!
En toch, er is meer. Meer dan Zijn solidariteit. Ofschoon Hij in de uiterste saamhorigheid onzer Eén geworden is, moet tegelijk worden gezegd, dat Hij geheel anders is dan iemand onzer. Deze Broeder is Borg. En zó is Hij niet één van de velen, en niet een van ons, maar de Ene vóór ons! Hij was en deed wat niemand Hem voordeed en niemand Hem nadoet. Hij wierp zich in de bres, die ons volslagen ontoegankelijk is. Hij daalde in een afgrond voor ons onbereikbaar: de ontzagwekkende, afgronddiepe schacht van Gods ondraaglijke toorn. Dát ondraaglijke gericht onderging hij, en Hij ging er aan onder. Plaatsbekledend. Afdoende. Voldoening scheppend.
Het Kind van de kribbe is immers Dezelfde als de Man van het kruis. Zijn Borgtocht maakt Zijn Broederschap eerst recht bevrijdend en bewonderenswaardig. En het is dit borgtochtelijke kruis dat zich reeds aftekent in de kribbe. Al de ontluistering van deze Boreling is één en al vingerwijzing naar de plaatsbekledende dood van deze Sterveling. Zoals er in den beginne voor Hem geen herberg ter beschikking stond, zo is tenslótte Hem geen sterfbed beschoren. Zoals de herders Hem zagen tussen de balken van een voederbak voor de beesten, zo zien wij Hem in de ure van het oordeel aan twee balken van een kruishout voor gevloekten. 'Geworden uit een vrouw, geworden onder de Wet, opdat Hij degenen die onder de Wet waren, verlossen zou…, een vloek geworden voor ons' (Gal. 4 : 4v en 3 : 13).
En daarom verkondigen wij bij het geboortefeest van deze Broeder tevens Zijn dood. En wij gedenken dat Hij als Broeder werd geboren om Borg te zijn, van kribbe tot kruis, vanaf de moederschoot tot in de schoot der aarde. Godlof! Onze Koning kwam niet slechts in broederlijke armzaligheid getooid naar het rampgebied om de overlevenden te troosten met Zijn solidariteit, maar Hij zette Zijn broederschap om in borgtocht en zocht de overledenen zelf op in hun graf. Juist daar, waar, geestelijk gesproken, onze mijnschacht door eigen grove nalatigheid is ingestort en vrij reddeloos verloren liggen. Tot die plaats van onheil in ondergang zette Hij onder de naam Jezus, d.i. Redder, koers, vanaf Zijn geboorte. Bedenken wij het deze dagen: het geboren Kind van Maria zag wel het levenslicht, maar: om te verschijnen aan degenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood' (Luk. 1 : 79). In dat onherbergzame oord van de dood begaf Hij zich. Om daar het doodsregime voor Zijn rekening te nemen.
En tot allen die hun doodsschuld en doodsnacht niet weten op te heffen gaat Zijn wekgoep uit ten leven: 'Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit de doden; Ik, uw Broeder en Borg, zal over u lichten' (Ef. 5 : 14). Deze Koning die een Knecht werd, heeft ten dode gedoemden wat te zeggen: Ik, Ik ben het die uw doodsoordeel heb opgeheven en die u meenam in het verzoende, onophefbare leven! Waarop we roepen: Amen, lieve Broeder en hooggeloofde Borg, nooit zagen wij een vorst zo schoon als Gij. En nooit vonden wij meer rijkdom in U dan in deze uw armoe.
A. de Reuver, Delft
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's