Bernard en Calvijn over de herders te Bethlehem
Bernard van Clairveaux (1090-1153), een der grootste middeleeuwers, man van mystiek en devotie, en Calvijn (1509-1564), een der grootste hervormers van de 16e eeuw hebben beide over het Kerstgebeuren gepreekt. Ze hebben dat echter beide heel verschillend gedaan. Hóe ze het gedaan hebben zal in dit artikel aangetoond worden.
Bernard
Bernards preek heb ik ontleend aan de bundel Uren met Bernard, verzorgd door de bekende Anton van Duinkerken. De preek gaat over de tekst Lukas 2 : 16 'En zij kwamen met haast en vonden Maria en Jozef, en het Kindeke, liggende in de kribbe'. Het gaat hier dus over de herders en hun komen tot het kind Jezus, dat zij vonden in Bethlehems stal.
Calvijns Kerstpreek is te vinden in deel 1 van Het gepredikte Woord. Ze gaat eveneens over de herders, maar in wat ruimer verband, want de tekst is Lukas 2 : 15-20. In Bernards preek is reeds het begin voor ons opmerkelijk. Hij herinnert zijn hoorders, die hij aanspreekt met 'dierbare broeders' aan de hoogheid en heerlijkheid van het Feest dat gevierd wordt, waarmee hij het Kerstfeest bedoelt. Voor dit Feest is de dag te kort en de aarde te smal. Er is vreugde. Vreugde in de hemel, maar ook vreugde op aarde. Wij bemerken dat Bernard zijn preek gehouden heeft in een nachtdienst. Hij spreekt over 'deze nacht' en 'deze heilige wake'.
Het is duidelijk dat Bernard onder zijn hoorders een feeststemming wil opwekken. Hij zegt: 'Van hoeveel goud en edelstenen schitteren vandaag de altaren! Met hoeveel rijke tapijten worden de wanden der kerken behangen'. Wie deze woorden leest moet zich een (rooms-katholieke) middeleeuwse kerk voorstellen, met altaren en allerlei feestversieringen. In de kerstnacht werd de kerst-mis opgedragen. Al wat in de kerken de ogen bekoren kon werd tentoongesteld.
Maar dan, ineens, komt in Bernards preek de wending. Niet voor niets was hij een prediker van de armoede. Meent ge, zo vraagt hij zijn hoorders, dat de hemelgeesten, dus de engelen, hierin, dat wil zeggen in al dit zichtbaar schone, hun hoogste vermaak zullen vinden? Meent ge dat zij zich zullen afwenden van de mensen die arm, in povere lompen, gekleed gaan? Het zijn retorische vragen, Bernard wil zeggen: Immers neen!
En dan brengt hij de herders ter sprake. Niet aan de koningen der aarde en niet aan de priesters zijn de engelen verschenen, maar aan de arme herders. Jezus zelf was ook arm. Hij werd door de herders gevonden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe. 'Uw arme doekjes, mijn goede Heere Jezus, zijn ons ten teken gegeven', roept Bernard dan uit.
Zo ver gaat Bernard in zijn verheerlijking van armoede (waarbij men zich de monniken-armoede) moet voorstellen, dat hij de bekende tekst: 'Want velen zijn geroepen, doch weinigen uitverkoren' erop toepast. De 'armen' (kloosterlingen) zijn de 'uitverkorenen', zij dragen het 'teken van de verkiezing', dat wil zeggen een armelijk kleed. Hen troost Bernard met de belofte: 'Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord' (Psalm 30 : 12).
Zo heeft Bernard de armoede verheerlijkt, als teken van goddelijke verkiezing. Maar ook de deemoed, de nederigheid (in het Latijn de humilitas). Door nederigheid, zegt Bernard, zijn de (goede) engelen staande gebleven, daarom brachten zij in de Kerstnacht hulde aan de nederigheid. In de heilige familie ziet Bernard de drie belangrijkste deugden aangeprezen en verheerlijkt, in het Kind de nederigheid, in Maria de kuisheid (de hoog geroemde kloosterdeugd) en in Jozef de rechtvaardigheid. Zelfs waagt Bernard het te zeggen: 'De nederigheid verzoent ons met God; zij maakt ons aan God onderworpen en roept Gods welbehagen over ons af, en dan verwijst hij naar Maria, haar woorden: 'Hij heeft nedergezien op de nederigheid zijner dienstmaagd' (Lukas 1 : 48). In de Statenvertaling staat, terecht, nederheid (= lage staat), niet nederigheid. De Vulgata, die door Bernard gevolgd werd, heeft de tekst bedorven, heeft de basis gelegd voor een, door Bernard krachtig bevorderde, Mariaverering. Maria zou met God verzoend zijn op grond van haar 'nederigheid' (humilitas). En Bernard heeft dat doorgetrokken naar zijn hoorders toe, want zegt, dat diezelfde nederigheid ook ons met God verzoent.
Men bedenke verder, dat in elke kloosterregel de deemoed werd voorgeschreven. Zij moest beoefend worden als deugd. Ieder die zich als noviet (beginneling) meldde voor het kloosterleven onderging een scholing in de deemoed.
Aan het einde van zijn preek, die maar kort is, gaat Bernard devoot spreken. Maria en Jozef en het Kind (let op de volgorde!) moeten 'altijd in ons gevonden worden'. Op welke wijze? Bernard zegt: Daartoe moeten wij rein, rechtvaardig en vroom leven. In de Schrift, zegt Bernard, wordt ons dat voorgehouden, en dan beroept hij zich op Titus 2 : 11-14. Hier valt voor het eerst in Bernards Kerstpreek het woord 'genade'. Maar in welke zin? Terwijl Paulus in genoemde tekst spreekt over de zaligmakende genade Gods die verschenen is aan alle mensen, en dan, daarná, zegt dat ze ons onderwijst tot een matig, rechtvaardig en godzalig leven, verwaarloost Bernard het woordje 'en' in de tekst, en laat hij Gods genade opgaan in het onderwijzen van de matigheid enz., zodat hij aan het slot van de preek kan zeggen dat allen die door het Kind onderricht zijn in de nederigheid hiernamaals verheven en verheerlijkt zullen worden.
Ik vat samen. Geen woord in deze preek over dé betekenis van het heilsfeit, dat Christus om onzentwil, daar Hij rijk was arm werd, om zo voor onze zonden te lijden en te sterven. In deze preek ligt voor Bernard de verzoening niet in het Kruis van Christus, maar in de kloosterachtige deugd van de deemoed, die hij vooral in Maria belichaamd ziet. Bernard kwam niet uit boven een deugden-prediking, een prediking van de werken der wet. Zijn devotie blijft steken in deugdenbeoefening. Hij preekte niet werkelijk Christus, maar armoede en deemoed.
Cavijn
En nu Calvijns Kerstpreek. Om te beginnen merken wij op dat deze veel rijker is. Van Bernards preek een samenvatting te geven is gauw genoeg gebeurd, van Calvijns preek, dat is veel moeilijker werk.
Al dadelijk, aan het begin van de preek heeft Calvijn het over het Woord Gods dat tot de herders kwam, het Evangelie van het Kerstfeest, een woord dat z'n kracht behield, ook toen de engelen weer teruggekeerd waren in de hemel. Regelrecht verbindt Calvijn daaraan de passende vermaning, dat wij, naar het voorbeeld van de herders, op dat Woord zullen letten, tot opbouw van ons geloof.
Vervolgens houdt Calvijn hoorders voor dat de herders op stap zijn gegaan om de Zaligmaker der wereld te vinden. Welk een genade heeft God hun bewezen, dat Hij hen met het Evangelie bekend maakte. Calvijn legt de herders deze woorden in de mond: 'Niet voor niets heeft God ons deze boodschap doen verkondigen, dat de Zaligmaker der wereld in Bethlehem geboren is, maar wij moeten Hem gaan zoeken en Hem eer bewijzen en ons geloof moet er door versterkt worden'. Calvijn voegt daaraan toe: En zo moeten nu ook wij weten, waarom dagelijks aan ons het Evangelie wordt verkondigd. Voor Calvijn waren de herders dus voorbeelden des gelóófs!
De Heere Jezus Christus, zegt hij vervol gens, is ons enig Adres. Hij zal ons leiden tot de Vader. God heeft een deur voor ons opengezet. Hij zegt: Komt tot Mij! Wij worden vriendelijk door Hem behandeld. Niemand die blijft waar hij is, zal zich ooit kunnen verontschuldigen, de oproep was ruim en dringend genoeg. Christus is ons gezonden overeenkomstig hetgeen de profeten er van oude tijden af van gezegd hebben… Aan het Woord alleen hebben wij genoeg. Weliswaar verschenen aan de herders engelen, maar ook die engelen hadden geen andere opdracht dan Gods Woord, het Evangeliewoord te brengen.
Het komen tot Christus, zoals de herders hebben gedaan, dat staat centraal in Calvijns Kerstpreek. Hij zegt: 'De herders hebben niet afgelaten God te verheerlijken en het heil aan te nemen, dat hun in Jezus Christus werd aangeboden, hoewel ze Hem daar zagen, neergelegd in een kribbe'. Met andere woorden: hun geloof stelt Calvijn centraal. Het werd hun aangeboden, het heil des Heeren, zij geloofden het en verheerlijkten God.
Over de herders zelf, over wát zij waren, hóe zij waren, wat zij hadden of niet hadden, wordt door Calvijn niet gespeculeerd. De Schrift zelf zwijgt erover. Het volle licht valt in deze preek op Christus zelf, de Zaligmaker, op zijn Evangeliewoord en het geloof van de herders.
Calvijn spreekt van een 'bewonderenswaardig geloof' in deze herders. Zij hebben immers zich niet laten ergeren. Een Zaligmaker, een Koning en dan zo arm, in een stal… En tóch het Woord Gods geloofd. Wij staan er, aldus Calvijn, heden beter voor. Heden wordt gepreekt dat Gods Zoon niet maar is geboren, maar dat Hij na Zijn opstanding ten hemel gevaren is en dat Hem daar alle oppergezag gegeven is, dat Hij Koning is. Minder dan ooit wil Calvijn zeggen is heden het ongeloof te verontschuldigen. God heeft Zijn Zoon een Naam gegeven boven alle naam, opdat in de Naam van Jezus Christus alle knie zich buige, dat wil zeggen: 'als wij horen spreken van de Verlosser, neme een ieder Hem in alle ootmoed aan en moeten wij Hem de eer bewijzen die Hem toekomt'. 'Zietdaar dan in hoofdzaak, wat wij bij deze woorden hebben te onthouden.'
Ziehier Calvijns Kerstpreek, de hoofdlijnen en de kern. Wij hebben zoveel mogelijk zijn eigen woorden gebruikt of hem letterlijk geciteerd.
Deze preek was een echte Kerstpreek. Gods heilsdaad in Christus, het zenden van Zijn Zoon, is het eigenlijke thema. Maar daarmee verbonden de nodiging en oproep tot geloof. De herders krijgen geen eigen, zelfstandige aandacht; hun betekenis voor ons is, dat zij voorbeelden van geloof zijn. Van een geloof dat z'n aanvechtingen heeft. Christus kwam arm en onaanzienlijk in de wereld. Maar wij hebben ons, aldus Calvijn, aan het Woord te houden. Dat is geloof.
Vergelijking
De beide preken, die van Bernard en die van Calvijn, zijn nauwelijks met elkaar te vergelijken, zozeer verschillen zij. Zij gaan beide over dezelfde stof, bijkans dezelfde teksten; en toch staan ze tegenover elkaar.
Niet de armoede van de herders, zoals bij Bernard is bij Calvijn voorbeeld, maar, zoals gezegd, hun geloof. Niet de ootmoed rechtvaardigt, maar het geloof in de geboren, gestorven en opgestane Christus. Het voor ons staat bij Calvijn voorop, niet het devote in ons van Bernard. Maar er is bij Calvijn een levende geloofsrelatie tot dat voor ons, zich uitend in geloofsgehoorzaamheid. Bij Calvijn blijft Christus dé inhoud van de prediking, bij Bernard is Christus verdrongen door de deugdzame monnik, en door Maria, hét toonbeeld van deze deugdzaamheid. Bernards preek is in feite een lofprijzing op de mens, de verkoren mens, in dit geval de monnik, die zijn armoede moet zien als een teken 'van goddelijke verkiezing, bij Calvijn vinden wij de oproep God te verheerlijken, de Naam van Christus hoog te verheffen en voor Hem de knie te buigen.
Er is meer dan eens veel ophef gemaakt over de devotie van Bernard, het was beter dat men preekte het Evangelie van Jezus Christus en het geloof in Zijn Naam.
Hoe onbekommerd zegt Calvijn dat het heil in Hem ons aangeboden wordt. Dát was voor hem de Evangelieprediking. Ook op de Kerstdagen. Niet anders dan in geloof kunnen die dagen recht gevierd worden. Dan zijn ze tot zegen. Een áángevochten geloof, maar tóch geloof. Rustend in Gods eigen Woord.
De reformatorische prediking, ook Kerstprediking, verschilt wezenlijk van de middeleeuwse prediking. Het was in de dagen van de Reformatie alsof opnieuw de hemel geopend werd, in een donkere nacht, en een engel Gods ons verkondigde: Vreest niet, ik verkondig u grote blijdschap, namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids. En zij gingen met haast…
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1987
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's