De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een nieuw lied

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een nieuw lied

8 minuten leestijd

En zij zongen een nieuw lied…Openbaring van Johannes 5 : 9a

In de hemel wordt een lied gezongen. Een nieuw lied.
Johannes, de apostel, mag er getuige van zijn. En wanneer hem dan iets wordt getoond van wat in de hemel gebeurt, is het allereerste, dat hem opvalt, dit: in de hemel staat een troon. En die troon staat vast. Onwankelbaar vast temidden van alle onrust en geweld. De Heere is Koning en Hij heerst over alles!
Dan ziet Johannes in Zijn hand een boekrol. Een verzegelde boekrol. Zeven zegels houden deze rol gesloten, zodat niet gelezen kan worden wat er in geschreven is en het boek is nog wel beschreven zowel op de voor- als op de achterkant; er staat dus wel heel wat in. Waaraan zouden we bij het horen hiervan mogen denken?
Wij zullen het het beste zó kunnen zeggen: wat Johannes ziet in de hand van Hem, Die op de troon zit, is het boek van Gods plan met de Kerk en met de wereld. Of beter nog: het is het boek, waarin de verborgenheden beschreven staan; de verborgenheden van Gods Raad om zijn Koninkrijk te doen komen. Het is het boek van Zijn weg met de wereld en heel in het bijzonder met de Zijnen, die Christus heeft gekocht tegen de prijs van Zijn bloed. Geheimen staan er in dat boek; verborgenheden; en onwillekeurig denken we aan wat we lezen bij Daniël als aan de profeet gezegd wordt: deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot de tijd van het einde. Er zijn dus dingen die verborgen blijven totdat Gods tijd gekomen is, en dan zullen ze opengelegd worden. Wanneer zal dat gebeuren? Wel, in elk geval is er verband met het verzoenend lijden en sterven van de Heere Jezus Christus. Zoals een testament pas wordt geopend wanneer de erflater gestorven is, zo kunnen we hier óók zeggen: de verborgen dingen komen aan het licht, Gods geheimen worden zichtbaar en bekend nu Christus is gestorven. Hoeveel er ook dan nog verborgen blijft. Is Gods weg niet in de zee en Zijn pad in grote wateren? En toch gaat Hij op Zijn grote doel af en wie zal zich Hem in de weg stellen. Eens zal Hij alle tranen van de ogen afwissen. Stel u voor, dat dat 'niet zo zou zijn, dat er geen doel, geen toekomst zou zijn, dat de vragen zouden blijven en er zou geen antwoord zijn… En wij, wij zouden een nieuw jaar zijn ingegaan, maar het zou niet anders zijn dan een donkere tunnel, waar wij doorheen moeten, en waar is de Heere?
Daarom moet dat boek open, dat boek in Gods rechterhand. Waarom? Omdat, wanneer het gesloten zal blijven, de raadselen niet zullen worden weggenomen. Omdat er dan geen toekomst zal zijn en geen troost, geen doel en geen uitzicht en geen verwachting. Dat boek moet open, opdat Gods plan zal worden uitgevoerd en volvoerd en opdat Zijn Koninkrijk zal komen en opdat de ganse aarde van Zijn heerlijkheid vol zal zijn en opdat de Zijnen Hem zullen dienen dag en nacht in Zijn tempel en zullen zingen van de wegen des Heeren. Maar wie zal dat boek kunnen openen en de zegels verbreken? Wie zal daartoe waardig zijn en in staat zijn?
Het blijft dan ook stil in de hemel. Niemand komt naar voren; niemand is blijkbaar waardig. In staat om de uitzichtloosheid op te heffen. De uitzichtloosheid. Valt die misschien op u, nu weer een heel jaar vóór u ligt? En u ziet geen hand, die u leidt; u hoort geen stem, die u roept? O, die uitzichtloosheid. Waar komt ze vandaan? Ze is geboren in het uur van onze val. Zullen we dat nooit vergeten? Ze wordt niet veroorzaakt door de omstandigheden, waarin wij moeten leven; ze is eens geboren en al wat geboren is kent groei en zo is het ook met de uitzichtloosheid en met de machteloosheid en de vreugdeloosheid en de doelloosheid, waardoor duizenden mensen worden omvangen. Maar wie zou dan de oorzaak kunnen wegnemen, de zonde; wie zou de zonde ongedaan kunnen maken en verzoenen? Wie?
En dan staat daar een Lam. Een vréémd Lam. Het staat als geslacht. Het is gedood; je kunt de grote en diepe wond aan de keel nog zien. En: het leeft! Wie is dat Lam? Wel, hebben we niet meteen te denken aan Johannes' woorden: Ziet, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt? En mogen we niet denken aan Jesaja's profetie: als een Lam werd Hij ter slachting geleid? Een lam, staande als geslacht. De Heere Christus, die Zichzelf gegeven heeft in de dood en die lééft. En Hij komt naderbij en Hij neemt het boek; Hij is waardig, bevoegd en in staat om het te openen; Hij heeft de zonde verzoend en weggenomen al wat nog scheiding zou kunnen maken. En ziedaar, daar valt de hele schepping neer voor Gods aangezicht en: zij zongen een nieuw lied!
Een nieuw lied. Het woordje 'nieuw' heeft hier de betekenis van 'had u dat ooit kunnen denken'. Zo horen we in de Schrift ook over een nieuwe naam en over het nieuwe Jeruzalem. En in Psalm 40 getuigt de Psalmdichter: Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven. Nieuw staat tegenover oud. We zouden dan ook kunnen zeggen: het oude lied, dat totnogtoe gezongen is, zie het vorige hoofdstuk van Johannes Openbaring, is het lied van de schepping: Gij, Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen en door Uw wil zijn zij en zijn zij geschapen.
Het oude lied. Het éérste lied. Ook: het blijvende lied. Maar hierbij voegt zich iets nieuws; in de Schrift wordt een nieuw lied gezongen als antwoord op Gods nieuwe en grote daden ter verlossing van zijn volk. Nieuw: de Heere heeft grote dingen gedaan en nu wordt van Zijn daden gezongen! In het nieuwe lied wordt dan ook de naam genoemd van Christus en van Zijn verzoenend werk; denkt u dat in: wij hadden ons overgegeven aan de dood; het scheen, alsof wij tot in eeuwigheid ons doel zouden moeten missen; maar Hij gaf Zichzelf in de dood opdat Hij de zonde zou wegnemen en de overtredingen zou verzoenen; en de zangers zingen daar ook van: Gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht door Uw bloed.
Dus daar begint het mee. Dat er een Heere en Christus, is, in Wie er behoud is en leven en dóór Wie er behoud is en leven. Dat is het verrassende in het Evangelie en dat is het verrassende vàn het Evangelie. Dat is het verrassende, dat een zondaar doet opkijken en dat hem doet zeggen: maar dat is te groot, te wonderlijk hoe zou dat voor mij kunnen zijn en hoe zou ik daarin mogen delen… Wat een zegen, wanneer in de christelijke gemeente die verwondering leeft; die verwondering als die de profeet vertolkt: Ik ben gevonden van hen, die naar mij niet vraagden; ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten. Want als het goed is, zal de lofzang niet zwijgen: onze overtredingen, die verzoent Gij. En wij mogen daar elkaar op aanspreken: is dat wel zo; weet u ervan? En kent u de toonhoogte van het nieuwe lied; mag u het nieuwe jaar ingaan met dat lied in uw hart?
Veel gevraagd, zult u zeggen. Maar valt het u dan niet op, dat er zovelen zijn, die in het heil des Heeren mogen delen? Uit alle geslacht en taal en volk en natie. Waar lees ik dan in de Bijbel, dat de Heere aan u zou willen voorbijgegaan?
En dan: wanneer het nieuwe lied gezongen wordt, gaat het ook over de positie en over de heerlijke dienst, die de gemeente van Christus door Hem heeft gekregen. God roept Zijn volk niet om met een boekje in een hoekje te gaan zitten en alleen maar te klagen over de slechtheid van deze wereld; God roept de Zijnen om een volk te zijn, tot Zijn dienst bereid: Gij hebt ons onze God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde.
En wij?
Nog staande aan het begin van dit jaar worden wij geroepen, genodigd om mee te zingen. Of: om het nieuwe lied te léren zingen. Er worden zangers gevraagd. Kunt u niet zingen? Komt u niet verder dan het gebed uit de Psalm: Och, Heere, och, wierd mijn ziel door U gered? Alles verzondigd; alles bedorven? Uit de diepten roep ik tot U, o Heere… God de rug toegekeerd; altijd mijzelf gezocht… Maar wie zo spreekt, is toch al gekomen op de toonhoogte van het nieuwe lied? Laat Gods Geest het u leren. Want stel, dat eens, in Gods grote toekomst, tot u gezegd zou moeten worden: u mag niet meezingen; u kent het lied niet, het nieuwe lied… Hebben wij daarom dat lied nu al niet te leren, het nieuwe lied? Op verhoogde toon misschien, omdat de Heere Dezelfde is gebleven, zeer getrouw en ganadig? Zalig zijn zij, die Hem aanroepen, opdat zij door de poorten ingaan in de stad – en zingen een nieuw lied.

J. Wieman, Bodegraven

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een nieuw lied

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's