Boekbespreking
Martie Dieperink, Vrouwen op zoek naar God, Wat is er gaande in de feministische theologie, Voorhoeve, Den Haag, 82 blz., ƒ 16,90.
Martie Dieperink is in zekere zin, zoals ze zelf schrijft, een tijd lang feministisch theologe geweest. Zij kent het feminisme van binnenuit. Zij kan zich echter niet meer in de wereld van de feministische theologie o.l.v. onder andere Catharina Halkes thuisvoelen en begrijpt soms zelfs de taal niet meer. Vanwaar die muur, die kloof? Het antwoord op deze vraag vereist een studie van genoemde theologie. Met zorg doorlicht zij de geest van de feministische beweging. Het uitgangspunt is de opstandigheid, de onvrede van vrouwen. De kritiek staat op de voorgrond. Men wordt niet door liefde, maar door haat, woede en opstand bewogen. De bekende Amerikaanse feministe Mary Daly wil de geest van de antichrist volgen. Als sleutelwoord in het feminisme geldt zelfverwerkelijking. Het gaat puur om de mens zelf. De nadruk ligt niet op zelfverloochening, maar op zelfbevestiging. En ook de Amerikaanse Mary Daly heeft mede door mannen ingegeven dogma's.
De schrijfster zelf kent een positieve plaats toe aan man én vrouw in de bijbel. Ze noteert namen van vrouwen, die geschiedenis maakten. Izebel wordt aangehaald als een 'feministe'. Een feministisch godsbeeld wordt afgewezen en beknopt wordt ingegaan op het verband tussen feminisme, mystiek en hekserij. De feministische exegese van het paradijsverhaal wordt ontzenuwd en er wordt afgesloten met een appèl: 'Kinderkens, wacht u voor de valse goden' (1 Joh. 5 : 21), ook voor de valse goden van het feminisme. Scherp, evenwel niet haatdragend, maar bewogen is dit boekje geschreven door een zoekende vrouw, die rust mocht vinden in de drieënige God. Samenvattend: een kritisch commentaar op de feministische theologie en een pleidooi voor een bijbelse theologie voor vrouwen van deze tijd. In kort bestek wordt in polemisch kader veel geboden.
C. van Sliedregt
Karel van der Toorn, Van haar wieg tot haar graf; de rol van de godsdienst in het leven van de Israëlitische en de Babylonische vrouw, Ten Have, Baarn, 152 blz., ƒ 19,50.
In de bijbel zouden de grondslagen zijn gelegd voor de eeuwenlange repressie van de vrouw en het vrouwelijke. Karel van der Toorn noemt dit een hard oordeel en stelt de vraag naar de godsdienstige beleving van de Israëlitische vrouw. Om daaraan meer reliëf te geven vergelijkt hij die met de religieuze wereld van de Mesopotamische vrouw. Het zwaartepunt van zijn belangstelling ligt bij het gewone en alledaagse leven van de oud-oosterse vrouw. Het gezamenlijk behandelen van Israël en Mesopotamië is één van de punten waarop dit boek over vrouw en religie zich onderscheidt van veel andere over dat onderwerp. Soms valt verrassend licht over oud-testamentische gegevens. Het accent ligt voortdurend meer op de overeenkomsten dan op de verschillen. Hier is een kritische vraag op z'n plaats.
Ik moet eerlijk bekennen deze publicatie met de nodige reserves ter hand genomen te hebben. Toch dwingt de vwjze van behandeling en de drang naar objectiviteit respect af. De schrijver onderscheidt de volgende periodes in het leven van een Israëlitische of Babylonische vrouw: de zuigelingentijd, de jeugd, de puberteit, de huwelijkssluiting, de weduwe. De vreze Gods en de trouw aan het koninklijk gezag stonden hoog genoteerd. In de gezinnen poogde men de kinderen normen en waarden bij te brengen. De huiscultus, waarvan terafim en binnenkamer een onderdeel zijn, benadrukken de vrouwelijke religiositeit. Het huwelijk werd opgevat als een goddelijke instelling. Huwelijkstrouw was van groot belang! Het opschrift 'Moederschap is meesterschap' spreekt voor zich. Onvruchtbaarheid was een straf. Bij woorden als 'onderdrukking' en 'uitbuiting' wordt tegen het eind de vraag gesteld: 'Zou de oud-oosterse vrouw daarop hebben gereageerd met een blik van herkenning?' En het antwoord luidt: 'Dat valt te betwijfelen. Haar leven was vervlochten met de cultuur van haar tijd'.
De schrijver mijdt in zijn reconstructie speculatie zoveel mogelijk. Hij heeft heel wat stukjes van de puzzel in handen gegeven. Uiteraard blijven onbeantwoorde vragen over, maar een klein begin van eerherstel voor een ten onrechte verwaarloosd aspect van de oudoosterse godsdienst is gemaakt. Dat mag op naam staan van de schrijver.
C. van Sliedregt
H. Baarlink, Romeinen 1, Serie Tekst en toelichting, 135 blz., ƒ 22,50.
De Kamper hoogleraar geeft in dit boek een verklaring van Romeinen 1 t/m 8 alsmede een vertaling van de verschillende pericopen. Baarlink meent dat de doelstelling van deze brief ligt in het gegeven, dat Paulus i.v.m. zijn reisplannen naar Rome en Spanje uitvoerig ontvouwt waar het voor hem in het evangelie van Jezus Christus om gaat en wat dit evangelie inhoudt. I.t.t. de polemisch geladen betoog in Galaten onthoudt Paulus zich hier van discussie met tegenstanders. Het is een thetische ontvouwing van zijn prediking op een keerpunt in zijn leven. De verklaring heb ik doorgaans met genoegen gelezen. Mij trof de voorzichtige en toch duidelijke benadering van de vragen rondom homofilie in Romeinen 1. De auteur wil het getuigenis van Rom. 1 niet als verouderd terzijde schuiven. 'Gerechtigheid Gods' wordt in de lijn van het O.T. opgevat als heilbrengende gerechtigheid en benaderd vanuit het verbond. De vraag blijft of de schrijver niet te snel de juridische component ter zijde schuift in het begrip 'gerechtigheid'.
Is het dilemma tussen rechtvaardig verklaren en rechtvaardig maken een achterhaalde vraagstelling (blz. 62)? Ik begrijp de bedoeling, van de schrijver: aandacht vragen voor de werkelijkheid van het nieuwe leven, maar meen toch dat de onderscheiding, gelet op de geschiedenis, niet zonder zin is.
Bij Rom. 4 : 17-22 maakt de auteur de schone opmerking: 'Abraham ontving kracht in het geloof. Hij werd niet om de kracht van zijn geloof geprezen. Dat zou een wankele lofuiting zijn'.
De exegese van Rom. 7 cirkelt altijd weer om de vraag naar het 'ik'. De auteur kiest tegen de dogmatische traditie (Luther, Calvijn, Kohlbrugge, Barth e.a.) en met de meerderheid van de exegeten in onze tijd voor de opvatting, dat hier sprake is van de onverloste mens. Hij voegt er dan aan toe dat Paulus spreekt vanuit zijn apostolische overtuiging over dit verleden van de mens onder de wet. Om tenslotte zijn opvatting te relativeren en te zeggen, dat de worsteling van Rom. 7 toch herkenbaar is ook in het leven van de christen. Ik blijf als bezwaar houden dat m.i. vs. 22 onmogelijk van de mens buiten Christus gezegd kan worden of men moet de woorden een zwakke inhoud geven. Zo zou er meer te noemen zijn. Al met al: een helder en goed geschreven commentaar dat hopelijk zijn weg zal vinden. Moge het de schrijver gegeven zijn deel 2 snel te laten volgen.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's