Boekbespreking
Dr. C. J. den Heyer, Galaten, Een praktische bijbelverklaring, serie Tekst en toelichting, 145 blz., ƒ 22,50, Kok, Kampen, 1987.
Opnieuw een boek van de bekende nieuwtestamenticus, Den Heyer, die wel over een grote werkkracht moet beschikken, gezien het feit dat hij kans ziet naast zijn Christologie ook met de regelmaat van de klok commentaren te schrijven. In de serie 'Tekst en toelichting' verscheen dit keer van zijn hand een beknopte verklaring op de brief aan de Galaten, een brief die met name in de Reformatie een grote rol speelde (Luther)!
Den Heyer kiest met enige voorzichtigheid voor een woege datering van de brief, bepleit m.i. terecht de eenheid van de brief en is daarom van oordeel dat het niet aangaat Paulus' spreken over de wet in Galaten 2 en 3 uit te spelen tegen plaatsen als 5 : 14 en 6 : 2. De apostel bestrijdt weliswaar mensen die de wet als heilsweg beschouwen en als toegangspoort tot Christus, maar handhaaft de wet als wegwijzer voor het christelijk leven in vrijheid en liefde.
Bij Galaten 1 : 13-14'tekent de auteur aan dat het streven van de Zeloten, die gezien moeten worden als de radicale vleugel van de Farizeeërs, Paulus niet onsympathiek geweest moet zijn. Noemt de apostel zich ook niet een ijveraar? Het lijkt me toe dat niet alleen de tekening van Paulus in Handelingen in een andere richting wijst, maar ook een pericoop als Romeinen 3 : 1-7. De brief aan de Galaten komt altijd weer ter sprake als het gaat om de vraag naar de verhouding van de gemeente tot het Joodse volk? Zijn in Galaten 4 alleen de Judaïsten, de felle Jodenchristenen, die de eis van besnijdenis stelden (dus een groep binnen de gemeente) bedoeld of richt de apostel zich daar ook tegen het Jodendom? Den Heyer meent het laatste. Dan rijst de vraag: Is de Paulus van de Galatenbrief een ander dan die van Romeinen 9-11?
Het is m.i. juist de geladen situatie van de Galatenbrief, toen niets minder dan het sola gratia op het spel stond, in rekening te brengen. Paulus' spreken is geen algemeen betoog, maar is gesitueerd in een bepaalde context. Toch krijg je de indruk dat Den Heyer Rom. 9-11 min of meer als sleutel hanteert om de andere opmerkingen van Paulus ten aanzien van het joodse volk te verklaren. Is er sprake van een ontwikkeling bij de aspostel? Ondenkbaar is dat niet. Mits dat maar niet betekent dat we de zgn. negatieve uitlatingen over het joodse volk daarmee wegverklaren. We zullen de gehele Paulus, ook de weerbarstige teksten, moeten laten meespreken en mogen niet vervallen tot een soort canon binnen de canon, in dit geval de paulinische brieven.
Trouwens, ook Romeinen 9 kent de spanning tussen 'vlees' en 'belofte'. De Schrift spreekt spanningsvoller over Israël dan veel huidige Israël-theologie.
De vertaling en de verklaring bevat veel waar ieder zijn winst mee kan doen. Moeite heb ik met de slotbladzijden. Kan men zeggen: Tijden situatiegebonden brieven werden bij de canonvorming tot canonieke geschriften verheven? Tijdbetrokkenheid is m.i. wat anders dan tijdgebondenheid. Voor het eerste zou ik het op willen nemen, voor het tweede niet. Dat betekent dat ik ook erg veel bezwaar heb tegen de zin: 'Zo werd ook de brief aan de Galaten, buiten de wil van de schrijver om, door de vroeg-christelijke kerk verheven tot Woord van God'. Is dan de kerk de schepper van de canon? Wat betekent de notie van het apostolisch gezag dat door Christus verleend is? (zie ook Gal. 1 : 6-9). M.i. wordt op deze wijze het paulinisch getuigenis dusdanig verhistoriseerd dat tekort gedaan wordt aan het gezag van de Schrift. Dat Paulus, Nadruk op genade een geluid is dat in onze tijd niet populair is, zou wel eens meer kunnen zeggen van het moralisme en het humaniserende denken van onze tijd dan van het apostolisch getuigenis. Zou de kerk in onze dagen het geluid van de Galatenbrief niet hard nodig hebben, wanneer zij inderdaad het evangelie begeert te prediken?
A. N., Ede
Etty, De nagelaten geschriften van Etty Hillesum, uitgave Balans, Herengracht 164, Amsterdam, 874 pag., ƒ 49,50.
De toelichting op dit boek luidt als volgt: 'Vanaf het moment dat op 1 oktober 1981 een selectie uit de dagboeken van Etty Hillesum werd gepubliceerd onder de titel "Het verstoorde leven", is er van veel kanten aangedrongen op een integrale uitgave van haar werk.
Sinds 1983 heeft een groep van acht onderzoekers werk en leven van Etty opnieuw in kaart gebracht. Het resultaat is een boek van 920 pagina's "dundruk", waarvan 32 pagina's met vele tot nog toe onbekende foto's.
Nu, 43 jaar na de dood van Etty, blijkt dat zij het meest omvattende dagboek in de oorlogsjaren geschreven heeft dat in Nederland verschenen is. In de "Nagelaten geschriften" kan men in volle omvang de betekenis van Etty's geesteshouding ontdekken. De vele literaire, historische en biografische bijzonderheden die aan de dagboeken en brieven werden toegevoegd, geven Etty's werk een extra achtergrond.
Sinds 1981 zijn meer dan 35 nieuwe brieven van Etty ontdekt. Daarnaast zijn bijna 250 pagina's dagboek nu pas voor het eerst te lezen. Over de hele wereld is het dagboek "Het verstoorde leven" vertaald en gelezen. De talloze reacties ook buiten Nederland verraden een grote belangstelling voor haar. Tegelijkertijd met het verschijnen van de "Nagelaten geschriften" verschijnen in Amerika de brieven van Etty. Ook deze brieven zullen weldra in vele landen gepubliceerd worden.'
We hebben hier ongetwijfeld te maken met een historisch document, vaak indrukwekkend en van hoge kwaliteit. Welk een zorg de samenstellers aan deze geschriften besteed hebben blijkt wel uit het feit dat liefst 35 pagina's (drie kolommen kleine druk) in het boek zijn opgenomen met noten terwijl het personenregister ook nog eens 10 pagina's beslaat. Dr. K. A D. Smelik schreef een ten geleide. Hij ontving van zijn vader Klaas Smelik de dagboeken die leidden tot publicatie van 'Het verstoorde leven' en voor deze integrale uitgave. Smelik noemt dit boek (met Horatius) een 'monument duurzamer dan brons' voor de grootste misdaad van deze eeuw. Dat is het ook. De lezer dient intussen wel te bedenken dat in dit boek ook het hele privéleven van Etty Hillesum doorstraalt en dat het daarin vaak onthullend is. Kennisname van dit document betekent nog niet instemmen met de daarin verwoorde levenspraxis.
v. d. G.
Dr. K. Runia (red.), De kerk, trefpunt van sociale en politieke actie?, uitg. Kok, Kampen, 64 pag., ƒ 12,90.
In het 'Centraal Weekblad'; verscheen in 1986 een reeks artikelen over de bekende onderscheiding die dr. Abraham Kuyper in zijn dagen lanceerde tussen 'kerk als instituut' en 'kerk als organisme'. Binnen de Gereformeerde Kerken is deze onderscheiding lange tijd gemeengoed geweest en ook door velen buiten deze kerken gehanteerd. Wat bedoelde Kuyper met deze onderscheiding? Prof. Hartveld vertaalt het heel populair met: de kerk als instituut is wat wij er de zondag van meemaken en de kerk als organisme wat wij door de week met die zondag doen. De kerk als instituut is de kerk zoals die op de zondag bijeenkomt, zich als Christus-belijdende gemeente openbaart, in dit gebeuren geïnstrumenteerd en geleid wordt door kerkelijke ambten, geregeerd wordt door kerkelijke vergaderingen, om het enigszins met de woorden van prof. Herman Ridderbos te zeggen. Maar die kerk is tevens opgenomen in de voortgang van het menselijk leven in al zijn facetten, ze is 'het licht der wereld en het zout der aarde': kerk als organisme. Op deze onderscheiding is vanaf de zestiger jaren binnen de Gereformeerde Kerken kritiek te beluisteren. Christelijke organisaties verliezen hun vanzelfsprekendheid en zo komt er op de kerk als instituut al meer druk om zich uit te spreken over allerlei brandende ethische en politieke kwesties. Veel Gereformeerden hebben moeite (gehad) deze ontwikkeling mee te maken. Men kende dit politieke spreken van de kerk als instituut niet. Prof. Ridderbos memoreert de schok die het spreken van zijn kerken in de lijdensweken van 1984 teweeg bracht terzake de kernwapens. Een schok die zo hard aankwam dat men zich haastte de uitspraak wat te verzachten wat op zich ook weer niet meewerkte aan de geloofwaardigheid van het kerkelijk sproken. Intussen zijn er ontwikkelingen waaruit blijkt dat er thans alweer grote vraagtekens worden geplaatst achter het politieke en ethische spreken van de kerk. Te denken valt aan de studie van prof. Kuitert 'Alles is politiek, maar politiek is niet alles' iiit 1985. In dit kader blijkt nu opnieuw de onderscheiding 'kerk als instituut' en 'kerk als organisme' opgeld te doen. De redactie van het 'Centraal Weekblad' nodigde een aantal deskundigen uit hun visie over deze zaak op papier te zetten: prof. Hartvelt, prof. Herman Ridderbos, dr. J. D. te Winkel, drs. A. M. Oostlander, dr. H. Berkhof, G. J. Schutte, dr. G. Dekker, drs. W. Speelman en dr. J. Klapwijk. Ik kan niet anders zeggen dan het een uiterst boeiende bundel te vinden waarin op hoog niveau geschreven wordt over de positie en de taak van de kerk in deze geseculariseerde wereld. Indruk maakt het hier en daar felle betoog waarin prof. Ridderbos zijn diepe verontrusting kenbaar maakt over de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken. Het niet meer in acht nemen van Kuypers onderscheiding; acht hij een van de oorzaken, beter: een van de tekenen van de verwarring en onzekerheid waarin de kerken in het algemeen, ook de Hervormde, maar niet minder de Gereformeerde Kerken zijn terecht gekomen. Hij is trouwens de enige die het nog opneemt voor Kuypers onderscheiding. Wie de hier aangeroerde thematiek bezig houdt, kan in dit boek uitnemend terecht.
J. M.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's