Meditatie
Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt de dood.II Cor. 7 : 10
Vreemde woorden zijn het, die Paulus aan de gemeente te Corinthe schrijft, en wat hebben ze ons te zeggen? Niet veel, zouden we denken. Was er niet een tijd waarin men in de huiskamer aan de wand Bijbelteksten kon zien, al of niet in lijst, al of niet op hout of op fluweel of achter glas, gebrand, getekend of geborduurd? Maar zag men onder de vele Bijbelteksten ooit bovenstaand woord van Paulus? Altijd weer waren het bemoedigende woorden, troostende woorden, belofte-woorden: Bid, en u zal gegeven worden… De Heere is mijn Herder… Maar nooit de woorden van 2 Corinthe 7 : 10 over de droefheid naar God en over de droefheid der wereld…
Toch komen in deze tekst zaken aan de orde, die ons ten zeerste raken. Droefheid. Zaligheid. Maar ook: de dood. Zaken, die in dit nog maar pas begonnen jaar niet in het verleden achtergebleven zijn, maar die ons denken en ons leven bepalen, nog altijd. Droefheid. Zaligheid. Dood.
Waarom zegt Paulus deze dingen eigenlijk? Omdat er in de christelijke gemeente te Corinthe wat gebeurd is. Leek het er een ogenblik op als zou het Evangelie er tevergeefs verkondigd zijn: de gemeente kwam tot inkeer en er werd schuld beleden en er was smart over wat gezegd en gedaan was. Smart omdat men Paulus beledigd en gekrenkt had. Droefheid omdat men de zonde had laten voortwoekeren. En omdat de dingen niet goed lagen tussen God en Zijn gemeente. En tegen deze achtergrond zegt Paulus dan, dat de droefheid naar God een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid.
De droefheid naar God. Letterlijk: de droefheid volgens God. De droefheid, die overeenkomt met de bedoeling van God en die je aan Hem kunt laten zien, waarmee je tot Hem kunt komen. En daarmee hebben wij te maken.
In menig mensenleven is verdriet. Daar kunnen we niet aan voorbij zien. En soms is er heel véél verdriet. Ook verdriet van eenzaam-zijn en ik denk aan die man uit het Evangelie, die op een gegeven moment zegt: ik heb geen mens.
Maar toch kunnen de dingen ook ánders liggen. Onder wie deze meditatie lezen kunnen mensen zijn, die o zo graag een kind van God zouden zijn en zij komen, naar het schijnt, maar niet vérder op de weg van waarachtige bekering en geloof. En soms is het alsof hun gebed afstuit tegen de hemel; soms is het alsof God eindeloos ver weg is; en dat geeft verdriet in hun hart.
Er kunnen mensen zijn, die geworsteld hebben als Jakob en zij kunnen of durven niet zeggen: ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn ziel is gered geweest. Wat een droefheid. Er kunnen mensen zijn die zeggen: ik kan de kerkdienst niet missen en ik kan de Heere niet missen en ik kan Zijn Woord en Zijn genade niet missen en mijn ziel gaat ernaar uit, dat ik Christus mag kennen, maar wat is het er ver vandaan. Zij hebben smaak in het heilig Evangelie van genade en verzoening en hun hart gaat open wanneer hun Christus wordt verkondigd en waar is de zekerheid: nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis, dat Christus alleen mijn gerechtigheid is? En zo, al tastend, mogen we omlijnen wat Paulus aanduidt als 'de droefheid naar God'. Dat is dus een droefheid, waarover de Heere Zijn goedkeuring kan leggen. Omdat het in die droefheid gaat om Hém. Niet om eigen eer of grootheid en ook nog niet in de eerste plaats om de hemel, maar om Hém.
En de droefheid der wéreld dan?
Misschien kan ik die het best toelichten met een voorbeeld. En ik zou willen noemen Ezau, die eens zijn smart heeft uitgeschreeuwd. Hij had zijn kans laten schieten, zo zag hij het, en die kans keerde niet terug. Zijn kostelijke voorrecht, het eerstgeboorterecht, had hij verkwanseld en verspeeld en dat zat hem dwars. En hij vond geen plaats van berouw, zegt de Bijbel dan. De deur zat voor hem dicht. Kon hij dan met zijn smart niet bij God terecht? Dat wilde hij niet, want zijn verdriet zat hierop vast, dat hij zo dom geweest was om dat eerstgebóórterecht weg te geven en als hij dat nu maar weer terug zou hebben en als hij maar weer de eerste zou zijn in vaders huis, dan zou alles weer in orde zijn. En hij kon zich wel voor het hoofd slaan… Ja, daar hebt u het. Ubi dolor, ibi manus: waar de pijn is, daar is de hand. Is de pijn in het hoofd? Maar de tollenaar sloeg op zijn borst en hij riep: O God, wees mij, zondaar, genadig! Bij hem zat de pijn in het hart. En dat is een pijn, een droefheid, waar de Heere, om zo te zeggen, op let. Maar met die andere droefheid kan Hij bij wijze van spreken niets beginnen. Omdat de droefheid der wereld kan weggenomen worden door wereldse dingen. Maar de droefheid naar God kan alleen worden weggenomen, worden genezen door God Zelf.
Onnoemelijk veel droefheid is er in de wereld en waar droefheid wordt gevonden, hebben we schuchter te zijn, want wie kan het leed van een ander ooit peilen. Maar wel mogen we elkaar vragen: loopt er van uw droefheid een weg tot de levende God, die in Christus alleen troosten kan en wil en zal, wie? Allen, die zich tot Hem wenden met het gebed, dat zij Hem mogen vinden en overhouden. En laat het zijn als in die Psalm: Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen. Of in de berijming:
'k Lei voor Uw oog mijn weg en handel bloot,
En welk een angst mij immermeer deed beven…
De droefheid naar God: gezegend de gemeente, waar die droefheid wordt gevonden; er zal verhoring zijn en de naam van de Heere Jezus Christus zal worden geroemd en geprezen. En daar gaat het toch om?
J. Wieman, Bodegraven
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's