De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De dienaar, zijn dienst en zijn zaligheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De dienaar, zijn dienst en zijn zaligheid

17 minuten leestijd

Kan ook een dominee zalig worden?
Dat is zo'n vreemde vraag nog niet, schreef ds. H. S. J. Kalf, bijna aan het einde van zijn loopbaan. De dichter Dante, schrijft hij, zag in de hel hooggeplaatste geestelijken, zelfs pausen. Van de laatsten, de pausen, zal ieder reformatorische christen zeggen: dat begrijp ik. Maar wie die hooggeplaatste geestelijken zijn, zouden we graag weten. Kalf heeft gelijk als hij die opmerking van Dante fantasie noemt. Toch zal niemand kunnen zeggen dat er geen kern van waarheid in schuilt, ook al zullen wij die waarheid niet uit de pen van Dante behoeven te vernemen. Dan zijn er, behalve ons eigen hart, nog betere bronnen te vinden. Het is in ieder geval een wezenlijke en diepingrijpende vraag. Wie hier antwoord op wil geven moet zich eerst goed realiseren waarom deze vraag gesteld wordt. Zo kan een gemeentelid, dat niet bepaald op één stoel zit met zijn dominee, de vraag de gemeente insturen: 'kan zo'n dominee zalig worden?' Voor deze vraagsteller ligt het antwoord klaar in de Schrift. Toen iemand aan de Heere Jezus vroeg: 'Zijn er ook weinige die zalig worden?', antwoordde Jezus hem: 'Strijd gij om in te gaan, want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen'.
Men kan die vraag ook stellen met het oog op een mede-broeder in de dienst met wie men nu niet bepaald op één lijn zit, en zonder bewogen te zijn over het heil van zijn ziel. Ook deze vraagsteller is een kort antwoord te geven. Toen Petrus de Heere Jezus vroeg, met het oog op zijn broeder Johannes: 'Maar wat zal deze?', antwoordde de Heere Jezus hem: 'Indien ik wil dat hij blijve, totdat Ik kom, wat gaat het u aan. Volg gij Mij!'


Alleen diegene, die deze vraag stelt voor zichzelf, heeft er recht op om hier uitvoeriger op in te gaan. In het begin van deze eeuw heeft Dietrich Vorwerk getracht hierop een antwoord te geven in zijn boek: Kan auch ein Pastor selig werden? In zijn verantwoording over dit boek schrijft hij dat dit alleen gelezen kan worden door hem, die zich weet onder het kruis van Christus. Hij noemt niet Dante als bron van deze vraag, maar Gods eigen Woord: 'Die Apostel Petrus, Thomas und Paulus haben es erfaren wie furchtbar schwer ein Seelenhirt selig wird. Sie würden sich willig beugen unter die Frage: Kan auch ein Pastor selig werden? Sind wir mehr als Petrus, Thomas und Paulus?'
We zouden daar nog bij kunnen voegen een man als Luther, de man die wist dat de grootste theoloog tegelijk de grootste zondaar is. De man die, aldus drs. A. de Reuver, zelf zijn leven lang door de grotten van de tentatio, de aanvechting, is gekropen. Wie een hoge dunk heeft van zichzelf, zal zich deze vraag nooit stellen, net zomin als de farizeeërs en schriftgeleerden dit deden in Jezus' dagen. Maar ieder, die weet dat niet de toga hem bedekken kan voor het alles doordringende oog van de Heilige God, maar alleen het kleed der gerechtigheid van Christus, zal hier op zijn tijd mee bezig zijn. Dan mag dat kleed van Christus' gerechtigheid, bij wijze van spreken, wel dubbel zo dik zijn als voor degene, die geen ander ambt bekleden dan het algemeen priesterambt der gelovigen.
Een dominee heeft niet alleen pesoonlijke zonden en gezinszonden, maar vooral ook ambtelijke ongerechtigheden en schuldige tekorten. Al zijn het alleen maar de beloften, die niet nagekomen worden. Maakt dat niet ootmoedig? Maakt God juist zo niet bekwaam tot alle goed werk, bijzonder om krachtiger te spreken van Zijn genade?


Het was de kracht van Paulus' getuigenis in 1 Kor. 15, de lofzang op de opstandingskracht van Christus. Paulus, minste der apostelen vanwege zijn verleden: 'doch door de genade Gods ben ik dat ik ben; en zijn genade aan mij bewezen, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen. Doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is'. Tóch, of juist dáárdoor de minste der apostelen! We weten dat deze genade, ook ambtelijke genade, voor Paulus niet uit de lucht gevallen was. Hij had het geleerd in de tijd, waarin de vraag brandde op zijn ziel: 'Hoe kan ik zalig worden?' Een vraag die hem niet door mensen, maar door Christus was ingegeven.
Laat u zich dan ook de vraag: 'Kan ook een dominee zalig worden?', niet door de mensen stellen. Tegenover onze medemens mogen we ons terugtrekken in de mantel, waarmee God ons bekleedde bij de roeping tot het ambt en de bevestiging in het ambt. Dat is het kleed der ambtelijke genade. God roept geen engelen tot de verkondiging van Zijn heil maar mensen. Hij weet wat er van hen te verwachten is, of juist niet te verwachten is. In de verwondering hierover en in de liefde tot die dienst mogen we in zijn dienst staan. Hij, Die roept is getrouw. Die het ook doet. Wie kent dan niet de tijden, waarop hij uitgetild wordt boven zichzelf en staan mag in de vrijheid Gods, in kinderlijke vrees voor de Heere en verlost van alle mensenvrees? Het geweten geeft, zegt Paulus, mede getuigenis, door de Heilige Geest. God is niet onrechtvaardig dat Hij dat werk zou vergeten en de arbeid der liefde. Bij alle zelfbeschuldiging over zonden en zondige gebreken, geeft God Zijn liefde in het hart tot Zijn dienst die, ondanks onszelf, toch vervuld mag worden. Zo weten wij ons niet geoordeeld, noch minder veroordeeld, door mensen, ook al lijkt het daar vaak op. We weten ons gewogen door de Heere God, die weet met menselijke-dominees om te gaan. We zeggen dit niet om onze verantwoordelijkheid te verdoezelen. Hoe krijgen we die vrijheid, dat mede-getuigenis door de Geest anders dan in de verborgen omgang met God? Ieder, die anderen oproept tot die verborgen omgang, in boetvaardigheid en geloof, zal dit zelf ook nodig hebben als hij geroepen wordt te staan tussen God en de gemeente. Hij heeft dit zeker nodig om staande te blijven in alle aanvechtingen.

De dienaar en zijn aanvechtingen
Ik ga voorbij aan de aanvechtingen, die men kan hebben met betrekking tot het persoonlijke geloofsleven. U kunt daarover lezen het voortreffelijke artikel, dat De Reuver schreef voor de bundel Verbi Divini Minister; een bundel, die aangeboden werd aan ons oud-hoofdbestuurslid ds. L. Kievit. Dit artikel heeft als thema: 'Een dienaar niet meer dan zijn Meester; Luther over de aanvechting'. Zonder dat dit helemaal te scheiden is, denk ik hier vooral aan de aanvechtingen, die er kunnen zijn met het oog op het staan in het ambt. We kunnen aangevochten worden op het geloof in de waarachtigheid van Gods Woord en zijn belofte, dat en die betrekking hebben op de vervulling van het ambtswerk. Op mijn studeerkamer staat een tekst, ingebrand in hout. Iemand gaf mij deze vanuit de liefde van zijn hart. Het mocht ingegrift staan in mijn ziel, door de pen van de Heilige Geest. Het is een tekst uit Psalm 119: 'Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw Wet'. Tussen de regels staat, in grotere letters: Oratio, Meditatio, tentatio. Vooral het laatste, Tentatio, is mij in de loop der jaren steeds meer gaan aanspreken, bijzonder in verband met de uitleg van Calvijn van deze tekst. De Wet is niet alleen de Wet der tien Geboden, maar ook het Verbond der eeuwige zaligheid, dat God gemaakt heeft, benevens alles wat daartoe behoort. Dat is dan ook de waarachtig heid van Gods belofte aangaande de bediening van het Evangelie. Door alle vrees heen, dat de prediking en het pastoraat, in de ruimste betekenis van het woord, geen vrucht draagt, door alle aanvechting heen, dat die arbeid tevergeefs is, dus door de tentatio (de beproeving) heen, was en is dit Woord mij vaak tot troost. Door gebed en meditatie, het zich verlaten op het ver bond van de eeuwige zaligheid, is er de moed om verder te gaan. Ik denk dan aan hetgeen De Reuver van Luther schrijft: 'Zo was de tentatio voor hem een toetssteen, die ons niet alleen leert weten, maar ook ervaren hoe klaar en waar, hoe zoet en troostrijk Gods Woord is: Wijsheid boven alle wijsheid'.


Wie aan dat Verbond denkt, op weg naar de preekstoel, krijgt goede moed. Tot dat Verbond behoort ook Gods verkiezende genade. We staan in dienst van Hem, Die gevonden is door hen, die naar Hem niet vraagden en die Hem niet zochten. Het is een bemoediging te weten dat de gemeente het niet van ons behoeft te verwachten en wij niet van de gemeente. Onze hulp is in de Naam des Heeren, die de hemel en de aarde gemaakt heeft.
Bij alle aanvechting over de onbekeerlijkheid in alle soorten, is er de vertroosting dat het in Gods hand ligt. Zaad kan lang onder de grond liggen voor het opkomt. We weten echter soms ook niet hoe snel het ontkiemen en groeien kan.
We kunnen aangevochten worden op de gewenning aan het ambtelijke werk. We beseffen dan niet meer de hoogheid van de boodschap waar we mee bezig zijn. Voetius noemt in zijn boek 'Geestelijke Verlatingen' de gevoelloze godsdienstpleging één van de oorzaken van de tentatio. Zijn we ons er altijd van bewust om te gaan met het Heilige Evangelie, het Woord van de Heiland der wereld, de boodschap van het eeuwig heil, de schat in een aarden vat?
Gaan we rond als uitdelers van de menigerlei genadegaven Gods? Vaak is er de beschuldiging het ambt uit te oefenen als een vak, een beroep, in plaats van de arbeid van een gezondene. We zijn bezig op de maat van onze agenda. Ziekenbezoek, begeleiding van hen die ten dode wankelen, daar tussendoor de kraambezoeken en huwelijksbevestigingen en pastorale bezoeken. En daarbij gebruiken we het Heilig Woord van God dat we 'in onze zak' hebben.
Is het ook altijd in ons hart? Hoe gemakkelijk ontstaat er een tegenstelling tussen de woorden, die we spreken, en het innerlijke beleven. Er zijn berekende en gemaakte gevoelsaandoeningen, berekende en ingestudeerde gezalfdheid, in één woord: pastorale slimheid en pastoraal raffinement in plaats van de gezindheid die in Christus was, schrijft ds. Jac. van Dijk.


We kunnen aangevochten worden op de gewenning aan het leed in de gemeente. Men kan ook niet te veel met de nood van de ander op het hart lopen. Daar is onze ziel niet op berekend, daar zijn we te zwak voor. Alleen van Christus kan gezegd worden: 'Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, onze smarten heeft Hij gedragen'. Moeten we toch niet op een bepaalde plaats van ons hart eelt hebben? Maar dat kan ook afstompen als men bijvoorbeeld drie begrafenissen in één week heeft en daar tussendoor ook nog een huwelijksbevestiging.
De ergste gewenning lijkt mij die aan het oordeel Gods, aan de verkondiging van Gods gerechtigheid en gericht. Hoe krijgt dat een plaats in de prediking en het pastoraat? Prof. dr. Joh. de Groot zei eens dat men de vloekpsalmen alleen mag opnemen in de heiligste ogenblikken van het leven. Zodra men zelf niet meer bedroefd kan zijn over de ernst van het oordeel Gods, moet men er over zwijgen.
Heeft u wel eens iemand het 'Anathema' (vervloekt) moeten aanzeggen?
Heeft u wel eens iemand op de man af moeten zeggen: U bent een ongelovig mens, u bent op dit moment een verloren mens? U vergeet dit uw leven niet meer.
Heeft u wel eens aan een sterfbed gezeten, waar niet de hemel, maar de hel open ging en u een blik moest slaan in de eeuwige verlorenheid, zoals mij eens overkwam? U vergeet die plek nooit meer. U kunt het woord hel en verdoemenis alleen nog maar met diep ontzag voor het heilig oordeel Gods uitspreken. Niet om dat ordeel te versluieren, maar vanwege de verwondering er zelf nog voor gespaard te zijn gebleven. 'Wij dan wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof en zijn alzo Gode openbaar gekomen', zegt Paulus. Hij, Paulus, wist daarvan. Daarom kon hij het ook zeggen. Dat is verre van gewenning aan de verkondiging van het oordeel, aan het brengen van de boodschap Gods.

De dienaar en zijn boodschap
In alles wat een predikant te doen heeft, gaat het om de boodschap, die hij te brengen heeft. Het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Dat is de boodschap van de Koning, Die zegt: 'Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld'. Dan is ook de boodschap niet van deze wereld. Daar zal ook de dienaar van de Koning zich naar hebben te gedragen in het brengen van die boodschap. Ik acht het daarom niet juist als Vorwerk een predikant vergelijkt met een toneelspeler. Beiden, zo zegt hij, treden op voor een groot publiek. Beiden willen indruk maken en bijval oogsten. Doen ze dat niet voor zichzelf, dan wel voor dat wat zij brengen. Zoals een toneelspeler volle zalen wil zien, wil een predikant volle kerken zien. Inderdaad wie ontkomt er aan die verzoeking!
Toch blijft de vraag altijd: Wat is de magneet die aantrekt, soms van wijd en zijd? Is dat de inhoud van de boodschap of de wijze van brengen? Laat men zich soms niet te veel beïnvloeden door de gedachte van de 'public relation'? Voor de handel is dat heel belangrijk, evenals marktonderzoek. Dat is niet meer weg te denken voor het goed functioneren van een bedrijf. Maar daar behoeft een predikant zich niet meer mee bezig te houden. Het gaat in de verkondiging van het Evangelie niet om de vraag waar de mens de meeste behoefte aan heeft naar eigen inzicht. Het gaat om de waarheid als medicijn voor de ziel. Dat is de waarheid, niet náár de mens, maar vóór de mens. Altijd staat men in de verleiding om zich te laten 'hervormen' door vraag en aanbod, door kritiek van mensen of hun bijval. Maar we zijn toch geen marktkooplieden, die hun waren moeten aanprijzen en op een wereldse wijze aan de man moeten brengen? Daar is de boodschap te heilig voor. Paulus spreekt over het overbrengen van het Evangelie, het verspreiden van de geur van de kennis Gods. De gemeente moet die kennis aangaande God op kunnen nemen, zoals men de geur van de zalf kan opsnuiven als men in de buurt van die zalf komt. Zo hebben de aanwezigen in de zaal, waarin Maria de voeten van Jezus zalfde, de liefdelijke geur van Christus' zondaarsliefde opgesnoven, en de geur van Maria's wederliefde. Dat was de een een ergernis, de ander een bemoediging. Dit beeld mag ons wel iets zeggen over de wijze, waarmee wij omgaan met de Heilige Schrift en over de woordkeuze in de prediking. Een dienaar van het Woord is geen standwerker, die met veel geschreeuw zijn waren aanprijst op de markt. Hij staat op de preekstoel niet tussen concurrenten, die de handelswaar van de ander surrogaat noemen en die van zichzelf de enige zuivere. Hij staat op de plaats, welke de Koning der Kerk hem geeft. Hij staat Coram Deo, met de roeping uitdeler te zijn van de menigerlei genadegaven Gods.
Paulus waarschuwt tegen elke handelsmentaliteit. Wij dragen het Woord niet te koop, gelijk anderen dat doen, die het Woord te koop aanbieden. In het Grieks wordt het woord kap-èleuo gebruikt, dat betekent: versjacheren, knoeien mèt. Zo knoeien sommigen met het Woord om het wat meer aan de man te brengen. Ze handelen in kleingoed. Ze verliezen de grootheid en verhevenheid van het Woord uit het oog. Achter het optreden in de Naam van God, schuilt vaak eigen geldingsdrang (p.7. Pop). Wij dragen het Woord niet te koop. Gaan we uit preken om er een snabbeltje bij te verdienen of worden we gedreven zielen te redden van de eeuwige dood? Zijn we, als we over de weg vliegen, vervuld van de bewogenheid, welke Christus eigen was toen Hij de schare zag? Dan vragen we niet hoe hoog het honorarium is en of de reiskostenvergoeding wel voldoende is. We moeten oppassen, dat heel de preekbeurtenhandel geen tentatio wordt voor ons. We gunnen dan ook de candidaten hun beurten. We gaan toch uit om de genade Gods in Jezus Christus te verkondigen? Dat is die genade, die verdiend is door de kruislijdende Borg en Zaligmaker. Die genade is niet te koop, noch te verkopen, maar om niet te verkrijgen.
Het gezegendste moment in de ambtelijke dienst is dat moment als men zich op de preekstoel thuis voelt als een arend op zijn nest. Om dan de jongen, de hoorders, op te wekken, met hen mee uit te vliegen op de vleugelen van het Woord en zo te leren leven op de wiekslag van het geloof We preken niet alleen voor anderen, maar ook voor onszelf. Want ook dominees kunnen alleen zalig worden 'door het geloof alleen'.

De dienaar en zijn zaligheid
Er zijn eenvoudige zielen, die van oordeel zijn dat de zaligheid der herders en leraars buiten discussie is, en dat zij om zo te zeggen een gereserveerde plaats hebben, aldus ds. H. Veldkamp in zijn boek 'Dubieuze Posten'. Maar de keerzijde van deze medaille is, volgens Veldkamp: Met, de schapen zal het wel mee vallen, maar van de herders geldt: eer gaat een kameel door het oog van de naald dan dat een dominee ingaat in het Koninkrijk der hemelen.
Noch het één, nog het ánder is waar. Een dominee is ook maar een mens. Mensen worden zalig, door geloof alleen. Maar de verwondering van een dominee zal des te groter zijn als hij terug ziet op zijn leven en werk. Hij mag er komen, niet omdat hij gepreekt heeft. Wel als hij geleerd heeft zich te láten bepreken. Zitten wij zelf met een heilbegerig hart onder de preek van een ander? Doen we het niet veel te weinig? Ik moet u bekennen dat ik het veel te weinig deed. Maar voor de fouten, die je zelf maakte, moet je anderen waarschuwen. Naar een preek luisteren vanaf een cassette in de auto is wel aangenaam, maar geen kerkgang. Juist in de dienst van een collega, kun je met vreugde en zegen luisteren, met gepaste jaloersheid over de gave, die hij heeft. Zo bidt men ook om de zegen over de bediening van de ander; een goede remedie tegen afgunst als anderen gezegend worden in hun dienst. Men leert de tekst verstaan: 'Hij moet wassen, maar ik minder worden'.


Nee, een dominee wordt niet gemakkelijker zalig dan een gemeentelid. Hij wordt alleen zalig achter zijn Koning aan. Dat gaat door de tentatio de beproeving heen. Dat was ook voor Johannes de weg. Toen hij minder werd in de gevangenis, in ons oog 'te minder', stelde hij zich de vraag naar zijn eigen zaligheid op zijn wijze: 'Zijt Gij de Christus, of verwachten wij een ander?' De Heere Jezus gaf hem geen ander antwoord dan wat Hij aan ieder mens gaf. De voorbereider kon niet zonder de Wegbereider afreizen.
Kan ook een dominee zalig worden? Nee, zegt Jac. van Dijk, 'Dominee's, ouderlingen en kerkmensen worden niet zalig. Zondaren worden zalig'. Bijzonder voor dienaren van de Koning geldt: Vreest God en houdt Zijn geboden. Paulus bedwong zijn lichaam en bracht het tot dienstbaarheid, opdat hij niet enigszins, daar hij anderen gepredikt had, zelf verwerpelijk zou bevonden worden.
Het grootste wonder in het leven van een dienaar des Woords zal zijn, als hij aan het einde van zijn leven zal mogen zeggen: Ik heb de loop beëindigd en het geloof behouden. Door de genade Gods ben ik dat ik ben en Zijn genade aan mij bewezen is niet ijdel geweest.

C. v. d. Bergh, Barneveld

(Openingswoord op predikantenconferentie Gereformeerde Bond op woensdag 6 januari 1988 te Zeist.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De dienaar, zijn dienst en zijn zaligheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's