De verwachting van de hoop
Inleiding
Wanneer de apostel Paulus zijn eerste brief aan de Thessalonicenzen schrijft, voegt hij daaraaan een bijzonder eervol compliment voor de gemeente van Thessalonica toe. Hij gedenkt zonder ophouden aan het werk van hun geloof, de arbeid van hun liefde en aan de verdraagzaamheid van hun hoop op de Heere Jezus Christus voor God de Vader. Het gebedsleven van de apostel is sterk en ruim. Het is nooit zonder voorbede voor de gemeente. Zij is voor hem één geheel, één huisgezin. In zijn voorbede omsluit hij allen. Zijn dankbaarheid is groot en sterk in zijn voorbede, omdat hij onafgebroken denken moet aan de heerlijke ontvouwing van de genade.
De apostel denkt aan de werkzaamheid van hun geloof, aan de moeite van hun liefde. Hij bedoelt daarmee de inspanning en de offers uit liefde voor elkander gebracht. Daarbij komt nog een volhardend hopen op Jezus Christus, een gedurig uitzien naar Zijn komst. Zo ontvouwen zij een veerkrachtig geloof, een offerbereide liefde en een volgehouden hoop. Met deze woorden wordt dus niet een bleke christelijk gedaante aangegeven, zoals voor ons dit edel drietal slechts een uitdrukking geworden is uit een schimmig verleden. Welneen, stuk voor stuk draagt deze trits geloof, hoop en liefde een wereld van gedachten in zich.
Plaats
Tussen het geloof en de liefde plaatst Paulus de hoop. Er blijkt uit, dat hij deze als een wezenlijk deel van de godsdienst van het hart beschouwt. Bekommer u nu niet om de volgorde van dit drietal. In bovengemelde brief luidt de orde, geloof, liefde en hoop. In de eerste Corinthebrief is de volgorde anders. Daar komt de liefde aan het slot als de uitnemendste gave. Hoe dan ook, het is een werk voor de dienaar des Woords om het leerstuk van de hoop niet, zoals soms gebeurt, op de achtergrond, maar op de voorgrond te plaatsen. Vergeet vooral niet te bedenken, dat de Schrift een sterkere zin aan het woord hoop verbindt dan wij dit in het gewone leven plegen te doen. Hoop in bijbelse zin is geen onzekere, maar een zekere verwachting van toekomstig heil. Wij kunnen nog een scherpere aanduiding bieden: zij is inwachting van de zaligheid.
Dwaling
Het is bij de voortduur nodig de gelovigen op te wekken om naar deze hoop te staan. Zulk een opwekking is in de gereformeerde kringen allerminst overbodig. De rooms-katholieke zuurdesem, dat de heiligen slechts bij uitzondering hier in dit leven van hun zaligheid verzekerd kunnen zijn, is nog verre van uitgezuiverd. In de diepten van het gemeentelijk leven komen wij telkens weer tegen, dat de onzekerheid voor veel bijbelser gehouden wordt dan de vaste verwachting. Dat de mens van zijn zaligheid niet zeker kan zijn, is gelegen in de opvatting van de genade en de rechtvaardigmaking. Rome vat de rechtvaardigigmaking op als genade, die in de mens wordt ingegoten, zodat die mens een ander, een heiliger mens wordt. Om zeker te zijn van het heil, moet die mens dus twee dingen weten: ten eerste, dat de genade hem is medegedeeld, dat de genade in hem is ingegoten, en ten tweede, dat hij zich overeenkomstig die verkregen genade gedraagt. De genade heeft immers ten doel, dat de mens ijverig is in goede werken. Op deze beide zaken zou nu de zekerheid van de mens gebouwd moeten zijn.
Oorzaak
Maar de vraag, of de genade in de mens is ingestort, moet blijken uit zijn gedrag overeenkomstig de genade. Als u nu enigzins ernstig met uw geestelijk bestaan omgaat, begrijpt u wel direct, dat dit tot onzekerheid leiden moet: wij zijn immers maar zwakke zondaren en hoe kunnen wij uit ons dagelijks leven vastheid hebben, dat wij, ja ook wij, begenadigde mensen zijn? Zo ontstaat er het leven van hoop en vrees, dat de gelovigen uit de Middeleeuwen, door een dwalende kerk onderwezen, kenmerkte. Maar is dat heden verdwenen? Nu eens hoopt men tot het getal der uitverkorenen Gods te behoren, omdat men denkt genade te hebben ontvangen, maar als men een ogenblik laten op zichzelf ziet, is er de vrees, dat het toch niet goed met ons staat. In dit licht bezien, is het zeker niet vreemd vooral bij de overheersende onkunde in vele gemeenten, dat er kringen zijn, waarin verdacht gemaakt worden diegenen, die zich verzekerd houden van hun zaligheid.
Onzekerheid
En nu moeten wij eerlijkheidshalve toegeven – de lichtvaardigheid, waarmee vele belijders zich van hun zaligheid verzekeren, moge tot dit wantrouwen aanleiding geven, het mag toch niemand er toe brengen om de verwachting van de zaligheid te beschouwen als een zaak, die vele gelovigen nooit, anderen eerst op hun sterfbed, enkelen slechts in dit leven tebeurt valt. Bekommering mag niet worden gezien als de normale staat van het christelijke leven. Een leven tussen hoop en vrees in mag nooit het maatgevende heten. Stelt u zich eens vóór en denkt u het zich eens nader in: aldoor maar onzeker te zijn over de vraag of wij wel of niet behouden zijn.
Nooit zeker te weten of God onze vijand of onze Vader is. Aldoor maar heen en weer geslingerd te worden over de kwestie of wij nu door satans hand en macht worden gestuwd dan wel of de Geest ons leidt. Gelooft u met ons niet, dat die twijfel ons berooft van de blijdschap, ons de levensmoed berooft en de prikkel tot dankbaarheid afstompt? Juist daardoor vertoont het leven in zo menige gemeente een doffe toon; kenmerkt het zich door een beslagenheid en priemende kilte. De lucht is betrokken en grauw.
Verkeerde weg
Er is dus uitdrukkelijk reden aan te sporen tot de prediking van de hoop als één van de drie bestanddelen van het leven der godzaligheid. Het gaat er alleen maar om de weg te wijzen om tot de verzekering te komen. Wij behoeven schriftuurlijk licht, meer dan ooit in onze dagen. Velen hebben hieromtrent allervreemdste voorstellingen. Om van dwaalleer maar niet te spreken, hoevele gemeenteleden menen, dat de verzekering door een bijzondere openbaring tot stand komt? Ze zou ons gegeven worden in de vorm van een gezicht of van een stem of van een met kracht op het hart vallend woord van de Schrift. Het heeft ons meer dan eens diep ontroerd met welk een intimiteit sommige gemeenteleden ons deelgenoot maakten van deze ervaringen. Laten bleek toch, dat ze niet de rechte grond hadden en er soms hun gehele leven op bleven zitten en de wasdom in het geloof vergaten. Maar hoe dan ook, de inhoud van deze persoonlijke openbaring was dan de persoonlijke verzekering dat God hen verkoren en liefgehad heeft, de zonden vergeven, tot zich bekeerd had, zodat hun behoudenis vaststond.
Verstaanbaar
En nu accepteren wij het nog wel, dat velen vanwege de roering van hun gemoed op bijzondere toon van hun belevenis melding maken. Het is juist noodzakelijk in dit verband onderscheid te maken tussen gevoel en geloof. Echt geloof maakt het gevoelsleven zuiver. Maar er is helaas nu ook een gevoel zonder geloof. En ofschoon veelszins in deze geloof en gevoel verward wordt, het is juist dringend nodig hierin helderheid te betrachten. Ook kunnen wij verstaan, dat bij vele gemeenteleden gevoel en geloof in elkander schuiven. Alles wordt diffuus. Ja, wij menen in de gemeente teveel eer bewezen te zien aan het gevoel ten koste van het geloof. Onze belijdenis in de Dordtse Leerregels, vijfde hoofdstuk, paragraaf tien leert precies het tegendeel. Dat moeten wij met klem vasthouden. Zij ontkent, dat de bewuste verzekering ontstaat uit een bijzondere openbaring zonder of buiten het Woord gedaan. Maar vragen wij waaruit komt dan wèl de bewuste verzekering voort? Allereerst en allermeest uit het geloof aan de belofte Gods, die Hij in Zijn woord overvloedig tot onze troost heeft geopenbaard. Laten wij daar wat nader bij stilstaan. De belofte, aan welke het geloof de stof tot hoop ontleent, is die, welke aan het Evangelie is verbonden. Zij komt hierop neer, dat een ieder die in de gekruiste Christus gelooft, niet zal verderven, maar het eeuwige leven heeft. Geloven wij nu in Christus, zo mogen, ja, zijn wij schuldig ons verzekerd te houden, dat het eeuwige leven ons gegeven is. Op die manier heeft de gelovige van het ogenblik dat hij gelooft af, reden om te roemen in de hoop.
Absolute zekerheid
Daar komt intussen een vraag tot ons: is die zekerheid, die de gelovige uit de belofte van het Evangelie ontvangt absoluut en volkomen? Daarop moeten wij ontkennend antwoorden. En wel daarom, omdat de belofte der zaligheid alleen aan het oprecht geloof is verbonden. Dit geloof bewijst in vrucht en duurzaamheid, dat het wortelt in een vernieuwd gemoed. Maar daar hebt u het nu juist: er blijft enige ruimte over voor de vraag: is mijn geloof echt? De verzekerheid hiervan kan aan schommelingen onderhevig zijn en wordt eerst in gelijke mate voor deze onontvankelijk, als het geloof in de beproeving zijn echtheid bewijst.
Laten wij goed vaststellen, de zekerheid, die uit de belofte is geput bezit op zichzelf nog niet de vastheid, die de mogelijkheid van twijfel uitsluit. Meer niet. Er is geenszins mee beweerd, dat deze mogelijkheid werkelijkheid behoeft te worden. Integendeel, wanneer wij in gemeenschap van het geloof met Christus blijven, door de werking van de Geest, dan kan de twijfel aan de echtheid van ons geloof niet in ons opkomen. Wie ziet en hoort, twijfelt niet of hij ziet en hoort. Wie de bewegingen van het leven in zich gevoelt, kan niet twijfelen of hij wel leeft. Daarom zegt Johannes: hieruit weten wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons, omdat Hij ons aan zijn Geest heeft gegeven.
Twijfel
Nu gebeurt het evenwel vaak in het leven der vromen, dat er een stoornis in de gemeenschap met God ontstaat, die een donkere wolk van twijfelmoedigheid over de ziel brengt, en haar de vrijmoedigheid ontneemt, om zich de belofte van het Evangelie toe te eigenen. Er schuift om zo te zeggen een wolk voor het stralende zonlicht en de warmte verdwijnt om plaats te maken voor een gure koude. Treffen wij zulke twijfelaars aan, dan moeten wij in de zielzorg naspeuren wat het was, dat de zekerheid van de hoop verstoorde. Het behoeft juist helemaal niet een zonde van bedrijf of nalatigheid te zijn, die er aanleiding toe geeft dat de ziel in de kilte komt. Er zijn nog vele andere oorzaken. Wij noemen een paar veel voorkomende aangelegenheden. Soms ontmoeten wij te kwader moment een man en vader in Christus, zo u wilt, een eikeboom der gerechtigheid. Wij zien tegen hem op als tegen een berg. En zowaar, wij horen zulk een nu zeggen, dat hij zelf ook wel eens twijfelt of hij zich wel in een staat van genade bevindt. Dan is het niet vreemd, dat op zulk een moment de vraag bij ons bovenkomt en vaststeekt: als de man nu twijfelt, hoeveel te meer moet ik dan niet twijfelen, ik, die mijzelf als een rietstengel in de storm bezie?
Zwakken
Of nog weer iets anders, het gebeurt ook dat kleinen in de genade, vaak tere jonge mensen, in aanraking komen met oudere belijders, die zich ergeren aan hun blijdschap. Soms zijn die belijders een weinig zuur en bitter. Misschien wel omdat zij zelf die, vreugde missen en nu die jonge mensen laten gevoelen, dat zij zich wel eens te vroeg over hun geestelijke staat kunnen verheugen. Het gevolg is dan wel eens meer dan ons lief is, dat de aanstekelijke ziekte der bekommering in deze kringen ontstaat. Zij wordt hierdoor gekenmerkt, dat men steeds zich onderzoekt, zonder ooit tot blijvende slotsommen te komen. Wat hebben oudere mensen in deze toch een geweldige verantwoording tegenover zwakke en jonge mensen in het geloof. Er zijn maar al te weinig van die vaders en moeders in Israël, die zwakken in de genade de weg kunnen wijzen. Maar gelukkig, zij zijn er nog wel. Zo hier en daar. Johanneïsche figuren, die de gunning der genade van het gezicht afstraalt. Wat kunnen die ons vaak tot een hand en een voet zijn op de weg der genade!
Christus alleen
Ook hier geldt het woord: alles heeft zijn bestemde tijd. Vooral voor jonge, pas bekeerde Christenen is het nodig om onafgebroken op de gekruiste Christus te zien. Wanneer die van Hem de ogen afkeren en op zichzelf begeren te staren, doen zij zichzelf grote schade. De door de slang gewonde Israëliet zou leven, wanneer hij op de slang, door Mozes opgericht, zag. Hoe lang moesten zij er op zien? Tot zij genezen waren. Zou het nu verstandig geweest zijn, wanneer zij – na even op de slang gezien te hebben – het oog op hun wond gevestigd hadden, om te onderzoeken of die al genezen was? Neen toch, juist het zien op de slang was het middel over de ondervinding van genezing op te doen. Hoe langer zij op de slang staarden, des te levendiger werd het gevoel van herstel. Laat nu ook de pas bekeerde onafgebroken op Christus zien. Daar zal hij uit de kracht, die van Christus in hem uitgaat, de ondervinding opdoen, dat zijn geloof niet ijdel is.
Belofte
Er is nog een punt, waarop wij elkaar duidelijk moeten wijzen. Wees ook gewaarschuwd tegen alle minachting van de belofte der Evangelies. Sommigen spreken dat op deze manier uit door te beweren, dat zij aan het Woord niet genoeg hebben. Zij willen tot zekerheid komen door middel van een aparte stem of openbaring. Doorgaans begeren zij buitengewone wegen. Aan het Woord heb ik niet genoeg; verstond men nu nog hierdoor dat de Geest nodig is om ons met het Woord gelovig werkzaam te maken, dan was er tegen het gezegde niets in te brengen. Evenwel, meestal wil men er mee zeggen, dat men zich niet uit het geloof aan de belofte verzekeren wil, maar slechts uit een bijzondere openbaring. Zulk een gedachte moeten wij weerstaan. God verzekert zijn kinderen nog uit meer dan uit het geloof aan de belofte van het Evangelie. Maar wie het meerdere wil ontvangen, moet maar beginnen met het mindere hoog te schatten. Indien men maar blijft bidden en van de middelen der genade trouw gebruik maakt, zal de Heere op Zijn tijd het volle licht in de ziel doen vallen. Zware zorgen en ellenden dienen vaak om ons los te maken van deze aarde en in nauwere verbinding te doen komen met de Heere. Verwacht geen grote stukken, maar voeg u tot het nederige. Ga op het Woord aan en de zon zal dagen!…
A. v. Brummelen, Huizen N.H.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's