De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Calvijn over Gods beloften (8)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Calvijn over Gods beloften (8)

10 minuten leestijd

Belofte en gebed
'Het gebed is een zekere samenspreking der mensen met God, waardoor zij, het heiligdom des hemels binnengegaan zijnde. Hem over Zijn beloften in eigen persoon aanspreken.' In deze definitie van het gebed, zoals die te vinden is in Institutie III, 20, 2 laat Calvijn het woord beloften vallen. Volgens de bekende Calvinoloog W. Niesel stoten we daarmee op een belangrijke aanwijzing, die ons de sleutel aanreikt voor Calvijns opvatting over het bidden. De frequentie, waarmee Calvijn de beloften ter sprake brengt, wanneer hij handelt over het gebed, is inderdaad opmerkelijk. Dat geldt zowel voor zijn hoofdwerk als ook voor zijn preken en commentaren. Ergens spreekt hij over een 'accord' (akkoord) tussen gebed en belof­ te. In dit artikel willen wij nader bezien welke betekenis Calvijn aan Gods beloften toekent voor het gebedsleven van de gelovigen.

Geloof en gebed
Wanneer wij mogen geloven in Gods onwankelbare beloften betekent dat nog niet, dat wij klaar zijn. Het belofte-geloof, waarop onze zaligheid rust, maakt niet zorgeloos en werkeloos. Integendeel, het spoort ons juist aan tot gebed. Het ware geloof uit zich met name daarin, dat wij, steunend op Gods goedheid en beloften, smekend de toevlucht nemen tot Hem. Het gebed is een blijk van ons vertrouwen op God, omdat wij Hem al biddend aan Zijn beloften houden en vragen, of Hij wil schenken, hetgeen Hij beloofd heeft. Calvijn noemt dat het enige wettige doel van ons gebed, namelijk dat de beloften Gods werkzaam worden aan ons. Belofte-geloof zonder gebed zou een werkeloos, ja een dood geloof zijn. Telkens wanneer God in Zijn Woord ons iets belooft, wil Hij dat die belofte ons aanspoort tot gebed. Omgekeerd is ons gebed een duidelijk bewijs dat wij Gods beloften voor volkomen waar houden.

Gebod en belofte:
de twee zuilen van het gebed
Het gebed kan en mag, volgens Calvijn, nooit een vrijblijvende zaak zijn. Geloof en gebed horen onlosmakelijk bijeen. Het gebed is bovendien een direkt bevel van hogerhand. Herhaaldelijk wijst de hervormer erop, dat bidden een regelrecht gebod van God is, dat onze gehoorzaamheid vraagt. Onder de plichten van de vroomheid is er geen die vaker door de Schrift wordt aangeprezen dan het gebed. Wij bidden tot God, omdat God het ons bevolen heeft. Van een ding moeten wij daarbij echter steeds doordrongen zijn: God geeft nooit een bevel zonder een belofte. Christus leert ons (in Mattheus 7 : 7) niet slechts, wat wij behoren te doen, maar belooft ons ook, dat ons bidden niet vruchteloos zal zijn. 'Bidt', zegt de Meester, 'en gij zult ontvangen; klopt en u zal opengedaan worden'. Hier wordt, zo tekent Calvijn aan, aan het gebod ook een belofte toegevoegd. Dat is ook nodig, want hoewel ieder erkent, dat men aan het gebod van God gehoorzaam moet zijn, zouden de meesten God, wanneer Hij hen roept, toch ontvluchten indien Hij niet beloofde, dat Hij te verbidden zal zijn en hun zo tegemoet zal komen. Omdat deze twee, gebod en belofte, door God gegeven worden, noemt Calvijn allen, die uitvluchten zoeken en niet regelrecht naar God gaan, niet alleen weerbarstig en ongehoorzaam, maar ook ongelovig omdat zij niet vertrouwen op de beloften. Gebod en belofte nemen volgens de reformator altijd de voornaamste plaats in bij het gebed. Het zijn de 'beide zuilen', waarop de gelovige in het gebed steunt. Naast het gebod om te bidden geeft de Schrift ons Gods beloften, die als 'banieren' (vexilla) voor onze ogen geplant worden om vertrouwen in ons te wekken. En ieder die zonder te steunen op Gods bevel of belofte zijn wensen uitspreekt, doet niets anders dan met ijdele woorden schermen.

De belofte als sleutel van het gebed
Met welk recht hebben wij de vrijmoedigheid ons voor God te stellen, aangezien wij zo onwaardig zijn? Op deze vraag uit de catechismus van Genève laat Calvijn de leerling antwoorden: 'Wij hebben allereerst de beloften, aan welke wij ons moeten houden, zonder op onze onwaardigheid te letten'. Door ons Zijn beloften te geven verschaft de Heere ons de vrijmoedigheid om tot Hem te naderen. Waar anders zouden wij, zondige en sterfelijke mensen, de durf vandaan halen? Niemand zou het wagen om voor de hoge en heilige God te verschijnen, als Hijzelf er ons niet toe uitnodigde en verklaarde, dat wij Hem niet tevergeefs zullen aanroepen. 'Laten wij er acht op geven, dat de gebeden van alle heiligen gesteund hebben op de beloften van God, daar er toch voor ons tot God in het geheel geen toegang zou zijn, als Hij Zelf ons niet de weg ontsloten had en ons niet als met eigen hand tot Zich geleid had. En dit moet in onze geest dieper ingegrift worden, dat als wij tot God bidden, wij weten, dat wij op geen andere wijze toegang tot Hem zullen hebben, dan steunend op Zijn belofte.' In ons is geen waardigheid en er zijn allerlei obstakels, die ons op de weg van het gebed kunnen belemmeren. Maar toch hoeft niemand zich door de vrees of bekommerdheid te laten tegenhouden, want God staat het ons toe 'langs de trappen van de beloften op te klimmen'.
Een andere grond om tot God te naderen hebben wij niet nodig. Onze vrijmoedigheid kan niet liggen in onze prestaties of prestiges, want onze gebeden steunen op geen enkele verdienste. Ook behoeven wij geen bijzondere stem uit de hemel, die ons nodigt tot gebed, zoals Servet leerde. Calvijn noemt dat 'de razernij van die duivelse man', die meende dat het verkeerd is om het gebed zo nauw te verbinden aan de beloften, 'alsof wij geen toegang tot God hebben, vóór Hij ons roept met Zijn stem om tot ons te komen'. God heeft ons de 'sleutel' van de promissio in handen gegeven en daardoor is de toegang tot Zijn troon ons geopend. Calvijn verbaast zich erover, dat wij ondanks de 'lieflijkheid van de beloften' vaak toch zo aarzelend zijn om voor God te verschijnen. Een groot deel van de mensen verlaat liever de bron van levende wateren en graaft zichzelf droge putten, dan dat ze Gods milddadigheid, die hun vanzelf wordt aangeboden, omhelzen. Calvijn meent, dat er van de honderd nauwelijks één bewogen wordt om God tegemoet te gaan. Keer op keer spoort hij daarom aan de sleutel van de belofte niet ongebruikt te laten liggen. 'Laten wij, vertrouwend op Gods barmhartigheid alles van Hem verwachten, want het staat ons vrij te vragen, wat Hijzelf ons beloofd heeft.'

De belofte als garantie van verhoring
Gods beloften verschaffen ons niet alleen vrijmoedigheid om onze gebeden voor God uit te zeggen; zij bieden ons ook de garantie dat Hij ons zal horen en verhoren. Ten aanzien van de aanroeping zal de belofte ons nooit bedriegen, zo wordt aangetekend in de Institutie. Daarom eindigen wij al onze gebeden met het woordje 'amen'. Calvijn onderstreept, dat daardoor onze hoop versterkt wordt, dat alle dingen die wij vragen 'ons zeker zullen worden toegestaan, omdat ze beloofd zijn door God, Die niet bedriegen kan'.
Niet dat God het aan ons verplicht zou zijn om Zijn beloften te vervullen. God heeft Zichzelf ertoe verplicht. Calvijn noemt Hem in dit verband een 'vrijwillig schuldenaar'. Uit eigen beweging heeft God Zich aan Zijn eigen beloften gebonden. Die beloften rusten immers in het verbond, dat Hij met ons wilde sluiten. Op dat feit mogen wij ons in ons gebed beroepen. Ondertussen zullen wij daarbij niet vergeten, dat de diepste grond van de verhoring ligt in Christus, de Middelaar van het verbond. Alleen in Zijn Naam kunnen we met gegronde verwachting onze gebeden tot God opzenden. Zij die God aanroepen in een andere Naam 'hebben geen enkele belofte, dat zij iets zullen verkrijgen. Immers, zoals Paulus zegt (2 Cor. 1 : 20: Alle beloften zijn in Christus ja en amen, dat wil zeggen: zij worden in Hem bevestigd en vervuld'.


Staande op de rotsbodem van de beloften behoeven wij er niet aan te twijfelen, of onze gebeden wel gehoord zullen worden. Voorwaarde is dan wel, dat wij in geloof en oprechtheid bidden. Wie twijfelt en niet weet of God al dan niet hoort bidt tevergeefs. Zonder geloof in de beloften krijgen wij niets. Wij zagen reeds, dat Calvijn geloof zonder gebed een dood geloof noemt. Omgekeerd is het gebed zonder geloof-in-de-belofte 'spel en ijdele plechtigheid'. Pas dan zijn onze gebeden behoorlijk en Gode aangenaam, wanneer wij steunend op Gods beloften Hem aanroepen met een vast vertrouwen, dat wij verhoring zullen vinden. Daarentegen straft God het ongeloof van hen die aan Zijn beloften twijfelen: zij pijnigen zichzelf voortdurend met hun ongerustheid. Herhaaldelijk waarschuwt Calvijn ook tegen onoprechtheid en lippentaal in onze gebeden. God belooft dat Hij nabij zal zijn allen, die Hem in waarheid aanroepen en dat zij Hem zullen vinden, die Hem met hun ganse hart zoeken. Maar Hij vervloekt degenen die het geveinsd en niet van harte doen.

De belofte als grens van het gebed
Alle dingen, waarvoor wij een zekere belofte hebben, mogen wij aan God vragen in het vaste vertrouwen, dat Hij ons gebed verhoren zal. Aan welke zaken moet daarbij gedacht worden? Calvijn geeft in zijn commentaar op 2 Kor. 12 : 8 enkele voorbeelden: de vervulling van het rijk Gods, de heiligmaking van Zijn Naam, de vergeving der zonden en verder 'al wat ons zalig is'. Waar echter die beloften ontbreken, mogen wij God niets voorschrijven. De beloften vormen niet alleen de grond, maar ook de grens van ons gebed (A. de Reuver). Wij kunnen en mogen maar niet met alle willekeurige verlangens en wensen bij God aankomen.
De mens moet niet meer verwachten, dan wat God belooft. Nodig is daarom, dat wij onder het bidden Gods beloften overdenken, opdat zij ons de woorden in het hart geven. Kan God ons dan niet alles geven? Zeker wel, maar God bindt Zich aan wat Hij beloofd heeft. Calvijn meent dat Gods macht door een 'heilige band' verbonden is met Zijn genade en Zijn trouw in het vervullen van de beloften. Daarom kan naar waarheid gezegd worden, dat God alleen kan, wat Hij wil en beloofd heeft. Als wij geen zekere belofte voor iets hebben, moeten wij bidden onder een voorbehoud en onze wil ondergeschikt maken aan Gods wil.
Wij doen er het beste aan, om God te laten uitmaken wat goed voor ons is en wat niet. Licht zouden we misschien het verkeerde vragen. 'Men moet allerminst begeren, dat God Zich bij al onze verzoeken gemakkelijk aansluit, maar ze aan Zijn wil en beschikking toevertrouwen en wij moeten er vast van overtuigd zijn, dat God, ook al verhoort Hij niet al onze gebeden, ja ook al schijnt Hij Zijn beloften lange tijd uit te stellen, ze toch op Zijn tijd vervullen zal en wat Hij geweten heeft, dat goed voor ons is, zal doen, wanneer wij ons aan Hem geheel toevertrouwen, om ons als blinden aan Zijn hand te laten leiden, omdat wij anders geheel tegenovergestelde dingen zouden vragen, bijvoorbeeld koude voor warmte.'

Calvijns gebeden
Behalve commentaren, brieven en preken is ook een aantal gebeden van Calvijn bewaard gebleven. Wanneer bijvoorbeeld een bijbellezing afgelopen was, had hij de gewoonte een kort gebed uit te spreken, waarin een duidelijke weerslag van het zojuist behandelde onderwerp was te vinden. Gelet op de hechte verbinding die Calvijn legt tussen belofte en gebed in zijn theologisch werk, is de verwachting gerechtvaardigd deze relatie ook in zijn persoonlijke gebeden terug te vinden. Dat is ook inderdaad het geval. Telkens treft ons in Calvijns gebeden een verwijzing naar Gods beloften. Heel vaak doet Calvijn een indringend appèl op Gods barmhartigheid om te vervullen wat Hij heeft toegezegd. Herhaaldelijk treffen wij uitdrukkingen aan als 'steunend op Uw beloften', 'gelijk Gij beloofd hebt', 'leer ons de blik te richten op Uw beloften' etc.
Een opmerkelijke plaats nemen daarbij die beloften in, die betrekking hebben op het toekomende leven. Terecht heeft Barkey Wolf erop gewezen, dat Calvijns geest onder het bidden steeds eschatologisch gericht was en dat hij met heel zijn hart verlangde naar de dag, dat de promissio Dei volkomen vervuld zou zijn.

M. van Campen, Woerden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Calvijn over Gods beloften (8)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's