Zoek de toekomst
De tijd van de zomervakanties ligt nog maar kort achter ons. Ook reeds de herfstvakanties. Verder zijn er in elk deel van het jaar wel vrije tijden voor ons. Velen verlaten dan hun huis en gaan op reis. Wij gaan vanuit ons werk en ons bezig zijn naar de stilte om uit te rusten. Maar het is ook anders: Wij zoeken de levendigheid van de stranden en de drukte van verre vreemde steden. Wij blijven niet waar wij zijn, maar zoeken elders wat wij thuis niet hebben. 't Is of wij in ons leven van alle dag iets ervaren van een tekort. Wij moeten er op uit om aan onze trekken te komen.
Zo gaat het ook bij veranderingen in ons leven. Verandering van werkkring of van woonplaats, vrijwülig of niet: In ons leeft de drang om deel te krijgen aan hetgeen wij missen. Een beeld van zoeken naar verandering tekent ook de Hebreeënbrief met de woorden van onze tekst.
Deze brief, waarvan de schrijver niet met zekerheid bekend is, heeft als kenmerk, dat hij uit delen bestaat van verschillend karakter. Allereerst zijn er de vermaningen. Deze richten zich op praktische zielzorg. In tegenstelling tot bijv. de brieven van de apostel Paulus staan die vermaningen niet bij elkaar aan het einde van de brief Zij komen, in groepen bijeengevoegd, verspreid over het gehele geschrift voor.
Deze vermanende stukken worden afgewisseld met leerstellige gedeelten. Die vormen dan de inleiding tot wat de schrijver aan zijn lezers over hun handelen en levensgewoonten wil zeggen. Gelovig christelijk leven is niet vanzelfsprekend. Deze bestaanswijze kan alleen ons deel worden als wij de Heere God hebben leren kennen uit Zijn Woord en als wij ons in geloof mogen overgeven aan Jezus Christus, die Hij gezonden heeft.
De briefschrijver weet blijkbaar van de profetenklacht aangaande Israël: 'Mijn volk gaat te gronde door gebrek aan kennis' (Hos. 4, 6). Er is daar onder het volk en zijn leiders geen kennen van God met het hart. Er is geen levende Godskennis.
In de leerstellige delen van de brief legt de schrijver bijzonder nadruk op het werkzaam zijn van de Heere Jezus als onze Hogepriester. Hij, die is gezeten aan de rechterhand van de troon van Gods majesteit in de hemel, is als hogepriester door Zijn eigen bloed ingegaan in dit heiligdom. Hij is daar om ons een eeuwige verlossing teweeg te brengen.
Om onze Heiland in Zijn dienstwerk té onderscheiden van de Joodse hogepriester noemt de briefschrijver Hem de middelaar van een beter verbond dan hetwelk met de vaderen gemaakt is. Hier wordt gedoeld op het nieuwe verbond, dat reeds door de profeet Jeremia is aangekondigd. De briefschrijver citeert deze profetie (Hebr. 8 : 8-12). Hij wijst dan op het hogepriesterlijk werk van Christus, die Zichzelf voor de Zijnen geofferd heeft.
In het slot van de brief, in hoofdstuk 13, bij de vermaningen, brengt de schrijver Christus' hogepriesterschap opnieuw ter sprake. Eerst roept hij zijn lezers op het geloof van hun vroegere voorgangers na te volgen. Zouden zij als martelaars aan de gemeente zijn ontvallen? Dit kan zijn, maar de schrijver bemoedigt zijn lezers. Hij houdt hen voor desondanks geen vrees te hebben: want 'Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid' (Hebr. 13 : 8). En hij voegt er aan toe, dat zij zich niet door vreemde leringen van de wijs zullen laten brengen. Steun niet op allerlei praktijk van geestelijke oefeningen. Je behoeft je niet te onthouden van bepaalde spijzen en dranken zoals de heidense filosofie dit leert. Ook kan worden gedacht aan waarschuwen tegen een opleving van joodse godsdienstige praktijk om gemeenschap met God te vinden in het eten van offerspijzen of bij het onderscheid maken tussen rein en onrein voedsel. Het zijn vormen van zelfverlossing. Dit alles geeft geen baat; steun slechts op Gods genade. En die valt ons alleen ten deel in het offer van Christus.
Hier maakt de schrijver een vergelijking tussen het Zich offeren van Christus aan het kruis en het offer, dat de hogepriester in Israël bracht. Deze ging éénmaal per jaar, op Grote Verzoendag, in de Tempel om de zonden van het volk te verzoenen. Het bloed van het offerdier werd daar, in het heilige der heiligen aan God aangeboden. Het lichaam van het geslachte dier werd buiten de legerplaats verbrand en zo zijn dood bekrachtigd. Zo is ook de Heere Jezus als Gods offerlam buiten de stad Jeruzalem gestorven. De wereld heeft Hem uitgeworpen. Maar na Zijn opstanding is Hij in Zijn hemelvaart tot de Vader gegaan. Zo is Jezus met Zijn eigen bloed het hemels heiligdom binnengegaan om daar als hogepriester werkzaam te zijn voor wie Hem toebehoren.
De schrijver roept dan zijn lezers op om zich bij Jezus te voegen op Zijn kruisweg en Zijn smaad te dragen. Dit geldt ook voor ons. Ook wij moeten ons van de wereld losmaken om, in Zijn kruisdood meegekruisigd, door Gods genade aan ons zelf en aan de wereld te sterven.
De strekking van deze oproep is wel, dat de afscheiding van de joodse gemeenschap moet worden doorgevoerd om niet in wettische gewoonten terug te vallen. De gemeente zal leven bij de vrije genade Gods en niet uit de werken der wet. Versmading vanwege de Joden zal dan niet uitblijven. En ook vanuit de heidense samenleving in het Romeinse rijk kan tegenkanting worden verwacht. Vervolging, zowel door Joden als vanwege de Romeinse macht kan christenen overkomen.
Bij de oproep om zich met Christus in Zijn lijden te verenigen kunnen wij denken aan de galerij van geloofsgetuigen, die ons in Hebr. 11 is beschreven: Abraham en de andere aartsvaders, richters en profeten zij wisten vreemdelingen en bijwoners te zijn op aarde. Maar hun geloof in Gods beloften wist van geen wankelen. Zo ook de christenen: Wat doet smaad er toe! Zij zijn wandelaars, op deze hun vreemde wereld, op zoek naar een vaderland. Dat geldt ook voor de gemeente van deze tijd. Ook wij zijn wèl in de wereld, maar niet ván de wereld. In tijden van rust en onderlinge verdraagzaamheid kunnen wij in volk en staat onze invloed doen gelden; ook bij politieke besluitvorming. Wij kunnen de overheid voorhouden, dat zij ruimte zal geven voor de verkondiging van het Woord Gods en dat zij zal tegenstaan wat daarmee in strijd is. Maar telkens blijkt, dat de spankracht van de gemeente verslapt en dat de macht van de Boze in haar en in de wereld werkzaam blijft.
In deze situatie bemoedigt de briefschrijver de Hebreeën en ook ons als hij zegt: Wat zal deze tegenstand ons deren; weest niet bevreesd. 'Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.' Hij houdt zijn lezers voor, dat hun geloof en hun werken geen waarborgen zijn voor uiterlijke zekerheid en -welzijn. De politieke stabiliteit en de rust, die er voor de burgers van de griekse stadstaat – de polis – was, is voor de gelovigen in deze wereld niet weggelegd. Voor wie zich met de Heiland verbonden weten is het een werkelijkheid, dat zij vreemdelingen op de aarde zijn. De volle vrede wordt in deze wereld van zonde, onvolkomenheid en dood niet ervaren. Maar door de vrijmachtige werking van de Heilige Geest Gods gaan wij in verlangen uitzien naar onze ware bestemming. En die is van Christus te zijn en in Hem van eeuwig leven te zijn verzekerd. Dit mogen wij op grond van Gods beloften voor heden en toekomst verwachten.
Het mag onze troost zijn in leven en in sterven, dat dit uitzicht in Gods plan met de wereld is neergelegd. En wij kunnen als voorsmaak ervaren wat de schrijver van het boek Openbaring heeft mogen zien: De komst van de stad Gods, het nieuwe Jeruzalem. De Heere God daalt dan af in ons vernederd bestaan om ons dit nieuwe leven te geven. De toekomende stad wordt dan reeds nu als werkelijkheid ervaren.
Dan worden wij echt gelukkig. Er komt een einde aan ons vreemdeling zijn op aarde. Wij komen dan thuis uit de ballingschap van deze wereld. Want in Christus hebben wij bij de Heere een stad ter inwoning. Een bekend lied zingt daarvan:
Die hoop moet al ons leed verzachten.
Komt reisgenoten 't hoofd omhoog.
Voor hen, die 't heil des Heeren wachten,
zijn bergen vlak en zeeën droog.
O zaligheid, niet af te meten.
O vreugd, die alle smart verbant.
Dán is de vreemd'lingschap vergeten.
En wij, wij zijn in 't vaderland.P. C. Kardol
(N.a.v. 'Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende' (Hebr. 13, 14).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's