Calvijn over Gods beloften (9)
Belofte en verkiezing
De vraag, die ons in dit artikel moet bezighouden is, aan welk adres de beloften Gods volgens Calvijn gericht zijn. Wordt de promissio zonder onderscheid aan allen en een iegelijk aangeboden of is deze alleen geadresseerd aan de uitverkorenen? Calvijn laat er geen enkele twijfel over bestaan dat, naar zijn mening, het laatste niet het geval is. De beloften moeten aan iedereeen verkondigd worden. In zijn verhandeling over de uitverkiezing in boek drie van de Institutie spreekt hij herhaaldelijk over 'de algemeenheid van de beloften'. De beloften der zaligheid zijn werkelijk en voluit 'universeel' (promissiones universales).
Deze algemeenheid van de beloften wordt ook onderstreept in de commentaren en andere geschriften, waarin de uitverkiezing ter sprake komt. God richt Zijn belofte-woord tot allen en nodigt daardoor allen zonder onderscheid tot Zich. 'Want het Evangelie klinkt als een trompet over de gehele aarde en verkondigt, dat God allen die Hem zoeken en de aangeboden genade aannemen goedgunstig zal zijn.'
Achteraf
Wij zouden ons echter vergissen, wanneer wij hieruit de conclusie trokken, dat allen die de belofte aangeboden krijgen, ook behouden worden. De beloften zijn wel algemeen, maar niet bij iedereen zijn ze krachtdadig. Calvijn ziet dat in de praktijk van elke dag. De ervaring leert, dat niet allen de universele belofte omhelzen. Op ironische toon wijst hij een zekere mr. Warhoofd, voortgekomen uit een of ander gezelschap van Carmelieten en monniken, op deze stand van zaken. Hij heeft daarbij op het oog Jerome Bolsec, die meende dat het in ieders vermogen ligt de aangeboden beloften al of niet te aanvaarden. Calvijn wijst de denkbeelden van Bolsec krachtig van de hand en poneert dat de verschillende reakties op de aanbieding der beloften alleen te verklaren is vanuit Gods eeuwige verkiezing. De praktijk leert dat immers duidelijk. God belooft bijvoorbeeld wel bij monde van Ezechiël: Ik zal u een hart van vlees geven en Ik zal Mijn wetten in uw binnenste schrijven, maar doet God dat nu ook inderdaad bij alle mensen in het algemeen? De ondervinding laat zien dat het tegenovergestelde het geval is. Calvijn zet, met andere woorden, in bij de ervaring. Van daaruit klimt hij achteraf (a posteriori) op tot het eeuwig besluit van God, waaruit de verschillende reaktie op de aan alleen aangeboden beloften verklaard moet worden.
Zo leert de praktijk ons, dat de algemene beloften ten diepste toch bijzonder zijn, omdat ze alleen effectief zijn in de uitverkorenen. De adressering van Gods beloften is weliswaar algemeen, maar hun uitwerking is bijzonder. Het aanbod van genade is universeel, maar dat neemt niet weg, dat de genade particulier is. Naar aanleiding van de hierboven geciteerde tekst uit Ezechiël merkt de reformator op: 'Wij zien, dat niet allen de wet ingegrift hebben in hun harten; dat het stenen hart blijft bij de meesten, bij wie wij een meer dan wanhopige hardnekkigheid zien. Laten wij dus weten, dat de belofte bijzonder is en dat God alleen bezig is in hem die van Zijn huis zijn.' Aan Melanchton, die het met Calvijns predestinatieleer niet geheel en al eens was, schrijft de Geneefse hervormer: 'De beloften zijn algemeen. Hoe komt het dan dat hun uitwerking niet bij allen van gelijke kracht is? Wel, omdat God Zijn arm niet aan allen openbaart. Ook voor mensen die slechts middelmatig in de Schrift thuis zjn, behoeft deze zaak geen lang betoog: dat de beloften weliswaar aan allen de genade van Christus aanbieden en dat God door de uitwendige verkondiging iedereen tot de zaligheid nodigt, maar dat de gave van het geloof bijzonder is.' Men moet, naar Calvijns inzicht, de uitwendige roeping, die alleen krachtig is in de uitverkorenen. Pas wanneer Gods stem inwendig gehoord wordt, neemt Hij het stenen hart weg en geeft een vlesen hart. Daaruit kan men gemakkelijk zien, zo tekent hij aan bij Romeinen 10 : 16, hoe dwaas sommigen redeneren, dat God alle mensen zonder uitzondering tot Zich roept. Want de algemeenheid der beloften alleen en op zichzelf maakt de zaligheid voor allen niet algemeen, ja, deze bijzondere openbaring beperkt haar eerder tot de uitverkorenen.' Heel de wereld wordt tot de zaligheid geroepen in de Naam van onze Heere Jezus Christus. Maar dat wil daarom niet zeggen, dat allen in waarheid erfgenamen van de belofte zijn. En waarom niet? Aangezien God alleen diegenen verkiest, die Hem goeddunken.
Voorwaardelijke beloften
In het traktaat 'De aeterna Dei praedestinatione' (over de eeuwige uitverkiezing van God, 1552), legt Calvijn nogal sterke nadruk op het voorwaardelijk karakter van Gods beloften. Eerder constateerden wij dat de reformator de promissio niet afhankelijk stelde van onze boetvaardigheid of deugdzaamheid. Wel is het naar zijn mening zo, dat Gods beloften ons worden aangeboden op voorwaarde van geloof en bekering. Ook tijdens een bijeenkomst van Geneefse predikanten, die ging over de verkiezing, onderstreepte hij deze voorwaardelijkheid van de beloften. In beide traktaken vergelijkt hij Gods beloften met Gods bedreigingen. Van Gods oordeelsaankondigingen moet gezegd worden, dat ze niet absoluut, maar voorwaardelijk zijn. De dreigingen die God geuit heeft aan het adres van de Ninevieten, waren voorwaardelijk. Als zij zich zouden bekeren, zou het kwaad dat God tegen hen in de zin had hun niet overomen. De wederkerige relatie tussen bedreigingen en beloften nu toont aan, zo betoogt Calvijn, dat teksten als bijvoorbeeld 1 Tim. 2 : 4 en Ezechiël 33 : 11 ook voorwaardelijk zijn. Wanneer de profeet Ezechiël verkondigt, dat God niet de dood van een zondaar wil, maar dat hij zich bekeert en leeft, is het alsof hij zegt: 'God zendt mij om aan een ieder de belofte van heil te verkondigen, maar gij moet u bekeren'. Calvijn wil dus zeggen: God belooft in de Evangelieprediking niet de zaligheid der hoorders zonder meer, maar alleen in de weg van bekering. Aangezien het echter niet in onze macht is om onszelf te bekeren, ziet Calvijn in de aanbieding der beloften tegelijkertijd Gods verkiezend handelen zich voltrekken. 'Het staat niet aan ons ons te kunnen bekeren van ons slechte even, tenzij God ons verandert en reinigt door Zijn Heilige Geest… Daaruit volgt, dat die belofte niet op gelijke wijze aan allen gedaan is, hoewel zij wel tot allen gericht wordt'. Door onze kwaadaardigheid kunnen wij in feite niet anders dan het Evangelie verwerpen, als God ons niet verlicht wanneer Hij ons roept. Daarom moeten wij bedenken, dat al wordt in het algemeen het leven beloofd in Christus aan allen die geloven toch het geloof geenszins aan allen gemeen is. Want Christus is wel toegankelijk voor allen en wordt wel aan allen voorgesteld, maar alleen de uitverkorenen opent God de ogen om Hem door het geloof te zoeken. Niet aan iedereen verleent God de gave van het geloof Achter de universele beloftenprediking ligt Gods raadsbesluit om sommigen te begiftigen met de Geest des geloofs en de bekering en deze aan anderen te onthouden. De beloften nodigen wel alle mensen uit tot de zaligheid, maar ze zeggen niet altijd nauwkeurig, wat God in Zijn verborgen raad (arcanum consilium) besloten heeft.
Concentrische cirkels
Wellicht kan men Calvijns visie op de verhouding belofte en verkiezing nog het beste weergeven met het beeld van concentrische cirkels. De reformator gebruikt dat beeld zelf weliswaar niet, maar het sluit wel helemaal aan bij zijn spreken over de 'graden van verkiezing'. Er is de grote, buitenste cirkel van het aanbod der genade, waarbij de beloften aan allen en een ieder zonder onderscheid worden aangeboden, gepaard met het klemmende appel om deze ook in het geloof aan te nemen. Per slot van rekening blijkt evenwel slechts een deel van de hoorders aan deze roeping gehoor te geven en dat zijn de uitverkorenen. Zij vormen de kleinere, binnenste cirkel. In het kader van de buitenste cirkel zijn de beloften algemeen. Gezien vanuit Gods eeuwige raad, de kleinere cirkel, kan Calvijn zeggen dat 'Hij de belofte der zaligheid in het bijzonder bestemt voor de uitverkorenen'.
Met een zeker recht kon de Duitse theoloog W. Krusche dan ook stellen, dat we uit de algemeenheid van de beloften niet mogen afleiden, dat deze nu ook ieder mens zouden gelden. Ook prof. dr. C. Graafland heeft zich in zijn imposante publikatie over de uitverkiezing op dit standpunt gesteld. Hij spreekt in dit verband van een grote spanning met een behoorlijke mate van onduidelijkheid in het denken van Calvijn. De beloften worden weliswaar ruim gepredikt, maar toch is de inhoud van de beloften alleen geldig voor de uitverkorenen. Op deze wijze wordt, naar zijn inzicht, de beloftenprediking zo overschaduwd door de uitverkiezing, dat een ruim aanbod van genade eigenlijk niet meer mogelijk is. Hij is dan ook van mening dat reeds bij Calvijn de wortel ligt van de verstrakking en de verstarring van de verkiezingsleer in de na-reformatorische tijd. Er zou een direkte lijn te trekken zijn van Calvijn, via de Dordtse Leerregels, naar Comrie en Steenblok, bij wie van een algemeen aanbod van genade geen sprake meer is. Let wel: een denkbare lijn. Voorzover wij prof. Graafland goed begrepen hebben, bedoelt hij niet te zeggen, dat de lijn van Calvijn naar Steenblok de enig mogelijke, laat staan de meest logische en legitieme lijn is. Maar toch: een lijn!
Het is bijzonder frappant, dat nog niet zolang geleden ds. C. Harinck, predikant van de Gereformeerde Gemeenten, in zijn boek over de Schotse Verbondsleer tot een soortgelijke stellingname is gekomen. Ook hij kent aan Calvijns predestinatieleer een sterk dominerende plaats toe. De verbondsbeloften zouden bij de reformator onderworpen zijn aan de uitverkiezing van eeuwigheid. Harinck is zelfs de mening toegedaan, dat Calvijn principieel een onderscheid maakt tussen algemene en bijzondere beloften. Enerzijds zijn er de beloften van het Evangelie, die aan allen zonder onderscheid worden aangeboden, maar aan de andere kant zijn er verbondsbeloften en die zijn bijzonder. Alleen de verbondsbeloften hebben betrekking op de eeuwige zaligheid en zij gelden slechts voor de uitverkorenen. Het verbond zou dan ook in feite alleen met de uitverkorenen worden opgericht. De verbondsbeloften gelden niet zonder meer allen die het teken en zegel van de Heüige Doop ontvangen hebben, maar alleen hen die God van eeuwigheid verkoren heeft. Deze predikant ziet Calvijn wat dit betreft op één lijn met Schotse theologen als Perkins, Boston e.a., een lijn die zich volgens hem voortzet in de theologie van de Gereformeerde Gemeenten.
(wordt vervolgd)
M. van Campen, Woerden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's