Uit de pers
Leed en schade
Enige weken geleden namen we in deze rubriek een gedeelte van een artikel van dr. A. A. Spijkerboer over uit Evang. Commentaar over het herlevend antisemitisme, naar aanleiding van het toneelstuk van Fassbinder en de – zoals inmiddels bleek: gefingeerde – ontvoering van Jules Croiset. In de week tussen de inzending van de kopij en de publicatie ervan werd nl. bekend dat Croiset zelf zijn kidnapping verzonnen heeft. In Woord en Dienst van 23 januari schrijft ds. T. Poot in de rubriek p.s. dat deze verbijsterende handeling van Croiset schade toegebracht heeft aan de joodse gemeenschap in ons land.
'Dit alles weegt echter niet op tegen de schade die door Croiset's optreden is toegebracht aan de joodse gemeenschap in ons land. Het protest tegen de openbare opvoering van Fassbinders toneelstuk "Het vuil, de stad en de dood", waarbij Jules Croiset luidruchtig in de voorste rijen stond, riep her en der geprikkelde anti-joodse gevoelens op. Toen kort daarna Croiset, naar ieder geloofde, door neofascisten gekidnapt werd kreeg het felle verzet tegen het van antisemitische tendensen verdachte stuk van Fassbinder onverwachte rechtvaardiging. Mensen die meenden dat het (trouwens niet alleen joodse) verzet tegen het stuk overdreven was en van joodse overgevoeligheid getuigde moesten beschaamd hun mening herzien.
Door Croiset's in scene gezette ontvoering dreigt nu een tegenovergesteld effect te ontstaan, een soort backflash. Meesmuilende jodenmoppen, waarin de al of niet rijke jood als notoire oplichter ten tonele verschijnt, zullen nog de mildste vorm van antisemitisch leedvermaakt zijn, vrees ik. Hoe beschaamd, hoe opnieuw vastgepind op een eeuwenoud stereotiep, hoe aangetast in haar terecht verzet tegen Fassbinder's schandelijk stuk moet de joodse gemeenschap zich voelen door Croiset's onbegrijpelijke rol.
Of toch niet zó onbegrijpelijk? Verklaarbaar, invoelbaar misschien?
Croiset zelf verklaarde zo teleurgesteld te zijn door de afwijzende reacties op het protest tegen Fassbinder's stuk dat hij op een spectaculaire manier de aandacht wilde vestigen op opkomend fascisme in onze samenleving. Als deze verklaring meer is dan een noodsprong om een smadelijke afgang te dekken is ze in elk geval een fatale misrekening.
Psychiater Musaph wierp de gedachte van een onverwerkt oorlogstrauma op. Waan en werkelijkheid kunnen door de aan dit trauma lijdende patiënt niet altijd uit elkaar gehouden worden:
Of is, vraag ik voorzichtig, Croiset's gefingeerde ontvoeringsverhaal een staal van joodse zelfhaat? Riep hij over zichzelf op, wat hij van anderen vreest, om zich zodoende klein te maken?
Hoe het zij: wat voor de gewaardeerde acteur Croiset een persoonlijke tragedie zal blijken te zijn, is voor de joodse gemeenschap een collectiefdrama. Laten wij deelnemen in de joodse schaamte en ons met hand en tand verzetten tegen elke poging om uit het gebeurde anti-joodse munt te slaan.'
Het blijft een ingewikkelde puzzel. De menselijke geest blijkt wonderlijke wegen te kunnen gaan. Toch blijft – ook nu gebleken is dat er van een ontvoering geen sprake is en we dus allerminst reden hebben tot paniekreacties, waar de joodse gemeenschap bij monde van het NIW ons zelf voor gewaarschuwd heeft! – de tendens van Spijkerboer's stuk recht overeind staan. Poot onderstreept dit nog eens, dat dit gebeuren niet mag leiden tot antijoodse gevoelens. Een publieke opinie is in een tijd waarin de media zaken snel signaleren, gemakkelijk bespeelbaar. Pro en contra-gevoelens wisselen elkaar snel af en kunnen zomaar omslaan. Betrokkenheid bij de weg van Israël ook vandaag en bij de weg van de Joden in ons midden zal alleen dan vruchtbaar zijn als deze ontheven is aan toevallige sympathiegevoelens en geworteld is in datgene wat van Godswege over Israël gezegd is. In deze gehoorzame luisterhouding naar het getuigenis van dé Schrift ligt de krachtigste waarborg tegen anti-joodse gevoelens.
J. Zijlstra over Colijn
In Hervormd Nederland had een van de medewerkers een gesprek met oud-minister J. Zijlstra. Onder meer gaf Zijlstra op een opmerking van de interviewer over Colijn die om groot geld te verdienen de politiek verlaten zou hebben, zijn opinie over deze omstreden politicus. We citeren uit De Reformatie van 9 januari:
'"Colijn een man van het grote geld? Dat is een vertekening. Ja , hij is minister van oorlog geweest en daarna directeur van de Koninklijke geworden, waar hij ontzettend veel geld heeft verdiend. Toen hij in de jaren twintig weer minister werd, was hij financieel zeer onafhankelijk. Dat kun je geen mens kwalijk nemen. Bovendien: hij heeft daarna nooit meer iets verdiend in het bedrijfsleven en hij was buitengewoon royaal met zijn geld. Niemand klopte vergeefs bij hem aan. Ik denk dat het waar is wat ik gelezen heb: als je in 1938 of 1939 bij hem in de kas had kunnen kijken, zou je hebben gezien dat er van dat grote geld nog maar weinig over was. Maar hij is wel een van de weinige Nederlandse politici geweest, die internationaal bekend zijn geworden. Hij heeft economische wereldconferenties geleid, waarbij hij hogelijk werd gewaardeerd.
De verdiensten van Drees liggen op een ander terrein. Hij is nooit gevraagd voor het bedrijfsleven en hij had het misschien ook niet gedaan. De vergelijking tussen Colijn en Drees is moeilijk te trekken. Abraham Kuyper was ook geen man van het grote geld, maar de vergelijking met Drees gaat evenmin op. Drees was een rustige, pragmatische man, hoewel wat zijn idealen betreft wel gepassioneerd. Kuyper was geniaal maar ook stevig neurotisch."
En wat vindt u van de vergelijking tussen Colijn en Thatcher?
"Moeilijk. Colijn werd minister-president toen de wereldeconomie volstrekt aan diggelen lag. We hebben er nu geen idee meer van hoe erg het in de jaren dertig is geweest. Op het ogenblik wordt er veel gesproken over de noodzaak van nieuwe overheidsinvesteringen, nou, Colijn was de man van het eerste grote wegenplan in Nederland, van de Moerdijkbrug, van het doorzetten van de Zuiderzeewerken. De man was niet zo achterlijk als sommigen hebben gezegd. Vandaar dat er nu voor hem een herwaardering op gang komt.
Colijn en Thatcher zijn wel vergelijkbaar om hun "single mindedness": weten wat je wil en dan ook doorzetten. Hun idee is: als je in de versukkeling raakt met de economie, blijf je met de sociale component van het beleid nergens. Dat wordt vaak vergeten. Ook Drees was daarvan overtuigd. Als er werd geroepen om meer sociale voorzieningen, zei Drees: "Niet alles kan en zeker kan niet alles tegelijk". De visie op de sociale component van het beleid is ook de mijne.'
Op de achtergrond van dit gesprek staan diepingrijpende vragen met betrekking tot de aard en omvang van de verzorgingsstaat, het sociale aspect van het overheidshandelen. Opvallend is dat Zijlstra spreekt over een herwaardering voor Colijn. Geschiedschrijving kenmerkt zich door interpretatieverschillen. De optiek van waaruit iemands biografie geschreven wordt, weegt mee in de waardering. Vaak beoordelen we iemand vanuit ònze inzichten en onze kennis met betrekking tot het verleden en halen we de betrokkene uit de omlijsting van zijn eigen tijd. Persoonsverheerlijking en persoonsverguizing brengen mee, dat de objectiviteit vaak ernstig vertroebeld wordt. Een weging van alle factoren is nodig om een eerlijk beeld te krijgen.
Verkondiging en lied
Dr. J. R. Luth schreef in het blad De Reformatie (Geref. Kerken vrijgemaakt) een tweetal interessante artikelen over theologie en kerklied. Onder meer brengt hij ter sprake dat we vaak onbekend zijn met de inzichten van Calvijn over kerkzang en verkondiging.
'In tegenstelling tot het beeld dat wij van hem hebben, kende Calvijn aan het zingen in de eredienst een belangrijke plaats toe. De muziek is een gave van God, die zo goed mogelijk gebruikt moet worden. Het is een uitzonderlijk geschenk dat de mens met verstand kan zingen. Maar hij moet ook van harte en met liefde zingen. Het zingen in de eredienst behoort voor Calvijn tot de gebeden. Daarvan zijn er twee soorten: het gesproken en het gezongen gebed. Het zingen heeft grote invloed op de mens. Niets vuurt zo aan tot lofprijzing dan zingen. Maar omdat deze lofprijzing tot God is gericht, moeten aan de melodieën eisen gesteld worden. Melodieën die in de kerk gezongen worden moeten, aldus Calvijn, "pois et majesté", "gewicht en grootsheid" hebben. Daarom moet er ook verschil zijn tussen datgene wat er in de kerk gezongen wordt en muziek buiten de kerk, niet alleen omdat de muziek in de kerk klinkt in de tegenwoordigheid van God en zijn engelen, maar ook omdat de muziek grote macht over de mens heeft. Met Plato meent Calvijn dat niets de zeden van de mensen zo sterk beïnvloedt dan muziek. Slechte teksten maken slechte zeden, maar wanneer aan een tekst een melodie is toegevoegd, is de werking veel groter Dat is eveneens in positieve zin het geval. De melodie is trechter voor de tekst. Via de melodie dringt een tekst diep door in de mens. Daarom moeten hoge eisen gesteld worden aan wat men zingt.
Calvijn meent dus dat de werking van het gezongen woord veel groter is dan die van het gesproken woord, terwijl wij hem altijd voor een verdediger van het tegendeel houden. Anders gezegd: het bereik van de gezongen verkondiging is veel groter dan die van de gesproken verkondiging.
Calvijns opvattingen over muziek zijn merkwaardigerwijze in het calvinisme onbekend gebleven. Kerklied en kerkmuziek staan niet aan de kant van de verkondiging, van de preek, maar daar tegenover. Vandaar dat preek en liturgische muziek tegen elkaar werden en worden uitgespeeld. Wie preekt is met de wezenlijke dingen bezig, wie in de kerkdienst zingt of speelt is een hobbyist. Het gevolg is veel onbegrip en vaak heftige tournooien tussen voorgangers en kerkmusici. De opvatting dat de eredienst een preek met voor- en naprogramma is, wordt nog steeds onder zeer veel kerkgangers en voorgangers gevonden.
De achterliggende oorzaak is het feit dat verkondiging is versmald tot preek. Wanneer dat is gebeurd zou onderzocht moeten worden, in ieder geval vinden we deze gedachte niet bij Luther of Calvijn.
Muziek, vooral het zingen zou steeds antwoordkarakter hebben en juist vanwege dat antwoordkarakter kan het zingen geen verkondiging zijn. De verkondiging is voorbehouden aan degenen die daartoe gekwalificeerd zijn. Deze specifieke opgave is niet aan de muziek toevertrouwd. Bovendien dreigt het gevaar dat de muziek over de tekst gaat heersen en dat de beeldende kracht van toonschilderingen de uitleg van de Schrift beperkt. Muziek staat de verkondiging dus in de weg. Ze kan hooguit als aanbidding worden gekwalificeerd.
Tegen deze veelgehoorde opvatting zijn verschillende argumenten in te brengen. In de eerste plaats dat het niet juist is om verkondiging en aanbidding tegen elkaar uit te spelen. Ze zijn immers geen tegenpolen maar versterken elkaar wederzijds. Wat is een verkondiging zonder de hulp van het gebed en hoe kan men bidden zonder het van de verkondiging geleerd te hebben? Zo zou een vraag kunnen zijn. Vanuit deze invalshoek doet de verabsolutering van de preek als enige vorm van verkondiging meer afbreuk dan dat ze opbouwt. Het tweede betreft het meten met twee maten. Wanneer geprobeerd wordt om de muziek aan de kant van de verkondiging te plaatsen, dan wordt snel gesproken over het muilbanden en het beperken van de vrijheid van de Schrift. Alleen de preek mag interpreteren.
Maar dan rijzen toch vragen. Gaat het in beide gevallen niet om vormen van omgaan met de bijbel? Waarom kan muziek de betekenis van teksten beperken en de preek niet?
Rechtvaardigt het feit dat preek en lied zich van verschillende tekensystemen bedienen – de preek de taal, het lied taal en muziek – dit onderscheid? Is de uitleg van de theoloog terecht aan andere kriteria onderworpen dan die van de componist of van het zingend gemeentelid? Is het lied inderdaad niet meer dan aanbidding of lofprijzing? Wie het Nieuwe Testament leest, komt tot de ontdekking dat de tegenstelling lied en verkondiging daar in ieder geval niet gevonden wordt. Het lied wordt, in Ef. 5 : 19 en Col. 3 : 16 gekarakteriseerd als een spreken onder elkaar. Het lied is niet alleen lofprijzing, het is ook op de gemeente gericht. Het dient, zo lezen we, tot opbouw van de gemeente en wordt dus als een vorm van verkondiging beschouwd. In dit verband krijgt de manier waarop de vroegchristelijke kerk de psalmen en hymnen uitvoerde, nl. antifonaal, d.w.z. in afwisseling tussen twee groepen, zodat men elkaar toezong, een bijzondere betekenis.'
Hier worden belangrijke vragen aan de orde gesteld. Ze raken m.i. primair de vraag naar wezen en bedoeling van de samenkomst van de gemeente. Weten we nog dat in de eredienst de gemeente samenkomt of gaan we naar de kerk om een preek te beluisteren? Wat Calvijn betreft, het boek van de chr. geref. predikant, dr. T. Brienen, voorziet m.i. in een leemte, doordat het een groot aantal zaken ten aanzien van Calvijn's houding met betrekking tot de liturgie in kaart brengt. Aan ons de vraag: wat doen we met deze erfenis? Het gevaar is groot, dat we met enkele vriendelijke woorden aan het adres van de onderzoeker er kennis van nemen en dan overgaan tot de orde van de dag. Zo'n boek als van Brienen zou samengevat moeten worden tot een gespreksboekje waarin vooral de principia aan de orde moeten komen als gespreksstof voor ambtsdragers en gemeenteleden.
Tenslotte: Luth wijst terecht op de betekenis van Ef. 5 : 19 en Kol. 3 : 16. Toen ik een paar jaar geleden eens over de laatste tekst preekte, viel me bij de voorbereiding op dat we de woorden 'psalmen, lofzangen en geestelijke liederen' volgens vele uitleggers moeten vastbinden met het woord 'terechtwijzen': Dus het zingen van de gemeente mag dan de opbouw, de pastorale bemoediging en vermaning van de gemeenteleden dienen. Ook dat is onder ons vaak zeer verwaarloosd. Al met al: huiswerk in overvloed!
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's