De heerlijkmaking (2)
'Hij is eerst grondig gevorderd in het evangelie, die gewend is aan de voortdurende overdenking van de gelukzalige opstanding.' Deze woorden van Calvijn wil ik mij voor ogen houden, nu ik in dit en een volgend artikel iets wil schrijven over de opstanding van Christus en die van de Zijnen. Niet vergeten moet worden dat die twee alles met elkaar te maken hebben. Zij zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Zou Christus niet zijn opgestaan, er zou ook geen opstanding en daardoor een eeuwige vreugde zijn voor allen die Hem toebehoren. Alvorens dit echter onze aandacht vraagt, mag ik niet vergeten iets te schrijven over de gemeenschap tussen de strijdende kerk en de triomferende kerk. De heerlijkmaking is heel nauw verbonden met de heiligmaking. Men mag die maar niet beperken tot de eeuwige vreugde na dit leven. De eeuwige sabbat of eeuwige vreugde vangt reeds in dit leven aan! Al is dit dan nog maar in beginsel, doch het beginsel is er wel in de harten van de Christgelovigen.
Gemeenschap
Er is geen twijfel aan of er is gemeenschap tussen de strijdende kerk op aarde en de triomferende kerk in de hemel. In zijn afscheidspreek te Huizen, heeft ds. G. Boer gezegd, dat hij tijdens de Avondmaalsvieringen soms het gevoelen had dat de triomferende kerk bijna lijfelijk aanwezig was. Hoe het ook zij: er was een innige gemeenschap tussen hemel en aarde, tussen hen die nog volop in de strijd waren en hen die de strijd te boven waren.
Die innige gemeenschap ligt verankerd in Christus. Omdat én de strijdende én de triomferende kerk deel hebben aan dezelfde Christus, hebben zij ook gemeenschap aan elkaar. Daarbij komt dat de kerk op aarde geroepen is met eerbied te gedenken aan hen die haar zijn voorgegaan. Hun geloof, liefde en werken dienen door de kerk te worden nagevolgd. En het kan niet anders of in het hart van de gelovigen zal een verlangen worden gevonden om daar te zijn waar Christus is met allen die haar zijn voorgegaan. De kerk op aarde koestert de hoop van het wederzien. Het wederzien in Christus. Dit moet echter niet overdreven worden zoals bijvoorbeeld het Rationalisme dit heeft gedaan. Omdat laatstgenoemde beweging hierop alle nadruk legde vergat zij van de weeromstuit de gemeenschap met Christus. De gemeenschap met elkaar was voor haar het belangrijkste. Deze dwaling of ketterij wijs ik van de hand. Zij moet trouwens naar het rijk der fabelen worden verwezen, omdat wij die met de Schrift in de hand niet kunnen aantonen. Dat wil intussen niet zeggen dat de hoop op het wederzien hierdoor ook van de hand wordt gewezen. Het komt wel voor dat een kind Gods op zijn óf haar sterfbed zegt: ik hoop hem óf haar die in de Heere is voorgegaan weer te zien. Die hoop is echt menselijk. Zij is gebaseerd op het feit, dat de kerk eens de nieuwe mensheid zal vormen. De Heere Jezus Zelf stelt de vreugde van de hemel voor onder het beeld van een maaltijd, waar allen aanzitten met Abraham, Izak en Jacob. Men leze daarvoor Matth. 8 : 11 in verband met Luk. 13 : 28 en 29.
Niettemin blijft staan dat de hoop op het weerzien ondergeschikt dient te blijven aan het verlangen naar de volle gemeenschap met Christus. De grootste vreugde van de kerk zal immers niet zijn het weerzien van de zalige doden, maar het zien van Hem Die men op deze aarde door het geloof zo onuitsprekelijk lief heeft gekregen. Toen men – naar ik meen aan ds. Boone – eens vroeg óf er in de eeuwige gelukzaligheid een wederzien zou zijn, gaf hij als antwoord: 'ik sluit die mogelijkheid niet uit, maar dat zal voor mij niet het voornaamste zijn. Het belangrijkste zal voor mij zijn dat ik Jezus Christus zie; het Lam dat Zich ook voor mij heeft laten slachten en in Wiens van bloeddruipende liefde ik het leven heb gevonden'. Ik denk dat dit een heel raak antwoord was. Een antwoord dat wij ter harte kunnen en mogen nemen. De strijdende kerk verlangt naar Christus, naar Zijn volle openbaring. Dat wil zeggen naar de volle gemeenschap met Hem en als tweede dan ook naar elkaar, opdat het zal zijn: één kudde en één Herder.
Het verlangen van de triomferende kerk
Aan speculaties moeten wij ons niet overgeven. Toch meen ik dat het niet verkeerd is om het er voor te houden, dat de zaligen in de hemel verlangen naar de gelovigen, die nog op aarde zijn. Zij toch behouden de herinnering aan de personen en toestanden, die zij hier op aarde gekend hebben. Te verwijzen vervalt in dit verband naar Lukas 16 : 27-31. Ook zullen de zaligen in de hemel wel enige kennis hebben van de situatie, waarin de strijdende kerk in het algemeen zich op aarde bevindt en zullen zij met belangstelling de strijd en de worsteling van de kerk op aarde volgen. In dit verband citeer ik een paar regels uit een preek van de onder ons bekende ds. R. Bartlema. Deze preek heeft hij gehouden op zondag 1 augustus 1954 ter gelegenheid van zijn veertigjarig ambtsjubileum. De tekst voor de preek was: Hebreën 12 : 1 en 2. Hij zegt daarin o.a.: 'Nu roept hij (bedoeld is de schrijver van de brief aan de Hebreën, de K.) met de aanvangswoorden van onze tekst: Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk van getuigen rondom hebben liggende… de gemeente als het ware toe: Ge ziet hen; zij zien uw strijd. Ze weten hoe bang de worsteling is, hoe hopeloos die soms kan schijnen. Laat dat u dringen tot de hoogste spanning des geloofs, tot een volhouden tot het uiterste, zet alles in om de prijs. Volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hun wandel'. Laat het u dringen tot een oprichten der trage handen en slappe knieën' (vers 12).
Uit dit citaat uit die preek blijkt, hoe de zaligen de strijdende kerk in haar worsteling gadeslaan. Wel moet hierbij de opmerking gemaakt worden dat de zaligen nog in een voorlopige toestand verkeren. Zij missen nog de nieuwe aarde, het lichaam der verheerlijking, en de kerk, die nog ten hemel ingaan moet (zonder welke volgens Herbr. 11 : 40 de voleinding niet bereikt kan worden). Om die reden strekken de zaligen zich uit naar de wederkomstvan Christus en de wederoprichting van alle dingen. Menselijk gesproken zien zij hiernaar reikhalzend uit.
Geen zieleslaap
Hierboven schreven wij dat de zaligen nog in een voorlopige toestand verkeren. Uit hun betrokkenheid bij de worsteling van de kerk op aarde zal ons duidelijk zijn, dat er niet gesproken mag worden van een zieleslaap. Wat verstaat men eigenlijk onder zieleslaap? Hieronder wordt verstaan, dat de ziel van een gestorvene in een staat van bewusteloosheid wegzinkt, waaruit zij eerst verrijst ten jongste dage, dus tegelijk met de opstanding van het lichaam. Johannes Damascenus is de eerste, die van voorstanders van dit gevoelen melding maakt. Volgens hem zijn die voorstanders hiervan reeds door Origines bestreden op grond van het feit dat deze kerkvader de ziel onsterfelijkheid toekende. De ziel kon niet sterven noch slapen, maar keert direkt na het sterven van het lichaam terug tot God om in Hem reeds de volmaakte vreugde te smaken. Op de 'onsterfelijke ziel' hoop ik later nog terug te komen. Ik beperk mij nu eerst tot de zieleslaap. De leer daaromtrent vond aanvankelijk ingang in Arabië en met de Arabieren kwam ze naar Europa. In de veertiende eeuw werd ze door de universiteit van Parijs en door Benedictus XII veroordeeld. Door toedoen van een aantal wederdopers kwam deze leer tijdens de Reformatie weer op, zodat Calvijn zich verplicht zag om haar te bestrijden. Hij heeft dat op een niet mis te verstane wijze gedaan. Opvallend daarentegen is dat Luther zich niet helemaal afkerig betoonde van deze leer. Hij sprak incidenteel – sommigen zeggen: dikwijls, ofschoon ik dat niet in zijn geschriften heb kunnen opmerken – van de tussentoestand der vromen als van een slaap, waarin zij rustig en stil de toekomst des Heeren verbeiden. De latere Lutherse theologen zijn hem daarin niet gevolgd. Zelfs fel hebben zij zich tegen deze gedachte van Luther verzet en leerden in navolging van Calvijn, dat de vromen bij hun dood reeds de volle zaligheid en de goddelozen het volle verderf beërven. Nooit helemaal hebben zij echter de leer van de zieleslaap de kop in kunnen drukken, omdat uit de geschiedenis is aan te tonen dat zowel de Socinianen als sommige remonstranten deze leer hebben aangehangen. En wie zal zeggen, hoeveel aanhangers daarvan onze tijd kent. Ook dienaangaande is er niets nieuws onder de zon.
Desondanks is deze leer onhoudbaar en geldt de veroordeling die Calvijn hierover uitgesproken heeft nog altijd. Ik ga nu niet in op het feit dat deze leer in strijd is met de psychologie. Deze wetenschap vertelt ons het één en ander aangaande het wezen en de werkzaamheid van de ziel. Echter… niet de wetenschap heeft voor ons het laatste woord, doch het onfeilbare Woord van onze God heeft het laatste woord. Gods Woord is voor ons ook wat dit betreft de enig gezaghebbende maatstaf. Welnu, door de Schrift wordt deze leer van de zieleslaap niet alleen tegengesproken, maar zelfs scherp veroordeeld. In Lukas 16 lezen wij van de rijke man: 'En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, en van Lazarus getuigt Abraham: Nu wordt hij vertroost en gij lijdt smarten'. Ook verwijs ik naar Psalm 73 : 23-24, Lukas 23 : 43, 2 Cor. 5 : 1, Fil. 1 : 23, II Tim. 4 : 7 en 8; Hand. 7 : 59.
Weerlegging
Bovenstaande Schriftaanhalingen worden wel weerlegd met andere aanhalingen uit het Woord om de zieleslaap toch maar te kunnen verdedigen. Men wijst erop dat zowel in het Oude Testament o.a. in Deut. 31 : 16 en in Jes. 57 : 2 als ook in het Nieuwe Testament bijv. in Matth. 9 : 24 en 1 Thess. 4 : 13-15 het sterven meermalen een slapen heet. Wij moeten dit echter wel goed verstaan. Hiermee is slechts bedoeld, dat zoals in de slaap het contact met de wereld rondom ons opgeschort wordt, zo ook bij de dood het contact met het aardse leven verbroken wordt. Het is daarom opmerkelijk, dat wel in de Schrift de toestand van de dood een slapen wordt genoemd, maar dat nooit wordt gezegd, dat de ziel slaapt.
Ook zegt men wel om de zieleslaap te verdedigen, dat zij, die uit de dood zijn opgestaan en tijdelijk hier op aarde terugkeerden, ons niets hebben meegedeeld van hun bevindingen aan de overzijde van het graf. Stel dat de aanhangers van de zieleslaap hierin gelijk hebben – en dat is bepaald niet uitgesloten – dan zegt dit nog niet alles. De Heere heeft gewild, dat wij aan Zijn Woord genoeg hebben. Dit blijkt uit alles en wordt ons met nadruk voorgehouden in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. De in het leven teruggekeerden hebben waarschijnlijk niets mogen en niets kunnen mededelen inzake de toestand, waarin zij hadden verkeerd. Zo schrijft Paulus in 2 Cor. 12 : 4, dat hij, toen hij opgetrokken was geweest in de derde hemel, onuitsprekelijke woorden had gehoord, die het een mens niet geoorloofd is te spreken. Laten wij ons derhalve aan de Schrift houden alsmede ook wat onze Heidelberger zo schoon onder woorden heeft gebracht. In Zondag 22 staat de vraag: at troost geeft u de opstanding des vleses? Het antwoord: Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd, en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden. In het begin van dit antwoord spreekt de Heidelberger dus niet van een zieleslaap, doch dat de ziel van het kind Gods direkt tot haar Heere en Heiland wordt opgenomen. Die troost moeten wij ons niet laten ontnemen!
(wordt vervolgd)
G. S. A. de Knegt, P.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's