De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gebrek aan liefde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gebrek aan liefde

12 minuten leestijd

Klacht
Wij zaten in de stille voorkamer, waar het rumoer van de straat nauwelijks doordrong. Het was een ontroerend gesprek geworden, eigenlijk een levensbiecht. Er is een tijd geweest, dominee, dat ik vroom was. Ik wist precies hoe het moest. Iedereen schreef ik de regels voor, zelfs ook de Heere God. Daar ben ik nu grondig afgebracht. Trouwens, ik wist wel alles, maar ik had geen liefde. Het was enkel en alleen weetwijsheid. Toen de Heer mij nader onderwees, heeft Zijn liefde mij als het ware versmolten en sindsdien is dat het punt geweest waaraan ik steeds door Hem word beoordeeld. Er glinsterden tranen in de oude ogen. Weet u, zoveel jaren is het nu geleden, dat mijn leven volkomen veranderde, maar hoe ontdek ik toch nog steeds hoeveel gebrek aan liefde ik heb! Werkelijk, zei de stem voor mij, ik kan niet ontkennen dat mijn hart in alle genegenheid naar Jezus uitgaat, het is waar – maar ik moet er wel over klagen, dat ik Hem niet naar behoren liefheb. Ik heb de moed niet om mij uit mijn liefde tot Hem van Zijn liefde tot mij te verzekeren.

Intiem
Het bleef een tijd lang heel stil. Toen ging de man voort. Ik heb in dat jaar van verandering mij geheel voor de Heere neergelegd. O, het was zulk een mooie tijd die tijd van de eerste liefde. Alles geurde en bloesemde. Zelfs de wereld om mij heen zag er voor mijn besef anders uit. Veelvuldig, met innerlijke vreugde van hart ging mijn hart naar de Heere uit. Er zijn tijden geweest, dat ik aan de kant van het korenveld neerknielde om de Heere te danken voor Zijn genade en hardop Hem aanriep in het gebed. Wat een plekjes kan ik u noemen in de eenzaamheid van het bos, aan het water, op de zolder waar ik gouden ogenblikken beleefde. Ik heb zelfs aan de Heere gebeden of Hij de uitgieting van Zijn liefde wat wilde verminderen, want ik kon die stroom niet dragen. Het was zo sterk, dat ik bijna werd verteerd. Het is echt waar, zo diep zocht de Heere mij op met Zijn tedere liefde. Mijn werk deed ik als in een zucht. Het was alsof ik droomde. Zo groot was de uitgieting van Gods liefde voor mij, dat ik in de werkplaats wel eens mijn armen omhoog heb geheven en heb geroepen: o Heere, hier ben ik, om U te dienen. U bent alles! Ja, het kwam in de kerk wel eens vóór, dat een enkele psalm mij in de hemel hief. Sommige godvrezende mensen uit ons dorp keken mij wel eens aan en zeiden: je hebt het zeker goed met de Heere, maar daar durfde ik nooit op te antwoorden. Eén van hen zei eens tegen mij: wat God begint, maakt Hij ook af. Dat gaf mij veel moed en vreugde. Die man sprak nooit veel, maar ondersteunde mij met een enkel woord.

Heden
Ja, dominee, dat was zulk een mooie tijd. Maar kunt u geloven, dat dat met mij is gebeurd? Er is nu zo 'n traagheid. Ik heb mijn ogenblikken, waarop mijn hart brandt. Maar daar staan momenten, néén, dagen tegenover, waarop het mij zoveel inspanning kost om mij tot Hem te verheffen. Het komt niet eens tot een poging er toe. Dan zwerven mijn gedachten soms ver van de Heere weg. De belangen van de aarde komen dichter op mij aan dan de dienst van de Heere. Dikwijls vallen mijn gedachten op zondige dingen. Wel kan ik het in zo'n aardse sfeer niet uithouden. Er valt een gevoel van leegheid en onrust over mij, als mijn hart niet naar Jezus uitgaat, om Zijn schoonheid en lieflijkheid te zien en mij te verblijden in Zijn werken. Maar zou een mens, die zo gedurig zichzelf opwekken moet om Hem aan te hangen, wel recht hebben om te denken: ik heb Hem lief? Het grijze hoofd was gebogen en de dooraderde handen bleven op het tafelkleed rusten. Alleen de tik van de friese klok klonk plechtig door de ruimte heen. Toen ging het gesprek weer voort: liefde moet van het geliefde voorwerp spreken en zou ik Hem dan liefhebben, ik, die zo vaak van Hem zwijg? Uit de overvloed des harten spreekt de mond. Ik sprak wel van Hem, maar mijn tong is niet rein. Soms spreek ik over Jezus, met de Geest beginnend, maar heel vaak eindig ik naar het vlees. Dan begin ik naar mijzelf te luisteren, onopzettelijk en onmerkbaar ga ik er toe over om mijzelf te verheffen. En dat niet alleen. Hoe vaak zwijg ik, waar ik spreken moet. En soms spreek ik om mensen te behagen zonder doorleving van wat ik spreek. Hoe zeldzaam kan ik zeggen: ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken! Kan zulk één zeggen: Heere, ik heb U lief?

Raad
Wij behoeven tegenover zulk een levensbiecht werkelijk niet zonder woorden te staan. Maar het is wel goed, evenals Jezus deed met de Emmaüsgangers, evenzeer te bestraffen als te vertroosten. Ja, zelfs de bestraffing vooraf te laten gaan. Het zou zeker wel kunnen zijn, dat meer dan gewone teerheid van gemoedsleven zo deed klagen. Ook is de ware liefde steeds ontevreden over zichzelf In vele gevallen everiwel is er reden tot klagen. Dan vooral, wanneer er oorzaken voor de verflauwing van de liefde aanwezig zijn. Zulke oorzaken kunnen er ook zijn. Weet u, wat één van de voornaamste oorzaken is? Gebrek aan ijver om in de kennis van Christus te groeien. Niet zonder oorzaak bidt Paulus voor de gelovigen, dat zij genade mogen ontvangen om de liefde van Christus te bekennen, die de kennis te boven gaat, opdat zij vervuld worden tot al de volheid Gods. Met die kennis moeten zij al meer vervuld worden, om tot de door God gestelde vervulling te komen. Kennis, echte zuivere kennis wekt liefde op. Wie maar 'kleine letterkennis' heeft, is doorgaans zeer gebrekkig en onvast in de liefde. Wanneer de Heere hen eens buitengewoon en gevoelig komt bezoeken, dan gaat het wel, maar als die gevoeligheden ophouden, dan wordt terstond de liefde verflauwd. Wie daarentegen Jezus uit het Woord hebben leren kennen, hebben meerdere bekwaamheid om Jezus van dichtbij te beschouwen en hun liefde aan Hem te schenken. Hun liefde is vaster, gedegener, ook dan wanneer die liefelijke ontmoetingen niet meer zo gevoelig zijn. Het gevoel wordt, met andere woorden, verdiept in grondige kennis. Vele mensen staan aldoor naar het gevoel, maar wasdom in Christus begeert Hem helderder te kennen ook met het verstand. Een eenvoudige catechismusverklaring kan daartoe zeer goed dienen.

Tweeslachtigheid
Achter de klacht over de flauwheid van de liefde tot Christus kan ook een werkelijke achteruitgang in de genade verborgen zijn. Het leven van de christenen ziet er vaak zo tweeslachtig uit. Ze leven zo vaak twee levens. 's Zondags in de kerk en in hun verkeer met gemeenteleden is alles positief en meelevend. Maar in hun contact met anderen en op hun werk zijn het soms heel andere mensen. Dan ken je hen soms niet meer terug en vraag je jezelf verbaasd af: zijn dat dezelfde mensen? Zijn dat christenen? Dan leiden ze gewoon een dubbelleven in twee werelden, die niets met elkaar te maken hebben. Die tweeslachtigheid knaagt aan ons allemaal. Ze zuigt de oprechtheid in ons weg en verdonkert het genadeleven. Wanneer wij onze liefde tussen Christus en de dingen van de aarde verdelen. Hem niet ernstig genoeg zoeken, door grove zonden Zijn Geest bedroeven, ons voor Hem schamen tegenover de wereld, dan is het niet vreemd, dat onze liefde tot Hem ons een probleem wordt. De Heere trekt Zich dan Zelf van ons terug. De Geest verlicht onze ogen niet meer om Christus' heerlijkheid en liefelijkheid te zien, zodat het vuur van onze liefde geen brandstof meer krijgt en gevaar loopt om uitgedoofd te worden. Een zo flauw geworden liefde geeft geen stof tot verzekering van onze staat meer. Alleen dan geeft de liefde stof aan de hoop, wanneer ze zich openbaart in gehoorzaamheid. Jezus heeft eens gezegd: zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn Woord bewaren. Daaraan vooraf lezen wij: Die Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft. Het liefhebben van Jezus wordt dus zichtbaar in het bewaren van Zijn geboden. Een liefde, die haar voorwerp niet zoekt te behagen, is geen liefde. Maar hoe kan men God behagen anders dan door kinderlijke gehoorzaamheid?

Gehoorzaamheid
Gehoorzaamheid – daar moet u wel op letten, veronderstelt een gebod. Daardoor onderscheidt zij zich van onverplicht dienstbetoon. Liefde valt niet altijd met gehoorzaamheid samen – ouders hebben hun kinderen lief, maar zijn hun niet gehoorzaam, terwijl het omgekeerde wel zo is. Onze liefde geeft wel lust en kracht tot gehoorzaamheid, maar vervangt haar niet. De Wet vergenoegt zich dan ook niet met ons liefde te gebieden; het gebod der liefde tot God is wel dat, waaraan al de geboden hangen, maar dit juist veronderstelt, dat er meer geboden zijn. De liefde zoekt deze geboden dan ook op, neemt ze ter harte, heeft ze lief en tracht uit hen de wil van God te weten te komen. Een voorbeeld hebben wij in de dichter van de 119e psalm. Van deze psalm is de grondtoon: hoe lief heb ik Uw wet! Het gaat goed met ons, wanneer dat de grondtoon van ons hart is. De gedachten zijn steeds bezig met wat men werkelijk liefheeft. Vandaar, dat de psalmist ook de getuigenissen des Heeren de ganse dag overdenkt. Zonder vrucht is zulk een geestelijke overpeinzing nooit. De dichter droeg ze in hoofd en hart steeds met zich mee en trachtte er de zin en de waarde voor het leven van te peilen. Rijke zegen rustte op dit onderhouden van de wet. Hij proefde en smaakte die zegen in al zijn lieflijkheid zoals het gehemelte de zoete honing, ja, het heerlijkste van alle lekkernij. Zo heeft de psalmist uit de beoefening van Gods geboden een recht inzicht in de dingen Gods verkregen en leerde hij alle leugenpaden te haten.

Advies
Zou het dan niet van pastorale wijsheid getuigen om in de prediking de geboden Gods tot de gelovigen te brengen en het juk van Christus op hun schouders te leggen. Wij menen dat het zeer nodig is. Alleen, het is niet gemakkelijk, de mensen zijn liever vertroost dan vermaand. Zelfs Paulus heeft dat gevoeld. Dat blijkt uit de fijnzinnige toon waarop hij meer dan eens zijn vermaningen inleidt. Hij begint dan nogal eens met: ik bid u, broeders. Bijzonder kies is de apostel ook daarin. Hoe weet hij om te gaan met mensen! Wij moeten dan ook de schijn van meesterachtigheid vermijden. Niet als zedemeesters optreden, maar als boodschappers van Christus. Evengoed tot onszelf prediken als tot anderen. De manier waarop wij iets zeggen kan zo 'n verschil maken. De ervaring leert, dat men heel diep kan afdalen in ontdekking en bestraffing, wanneer het in teerheid van hart gebeurt. Het hindert niet eens een speciale toon te treffen, een schildering te geven uit het volle beleven, wanneer men maar alle persoonlijke elementen heeft uitgeschakeld. Vooral moeten wij de schijn vermijden als onderstelden wij bij de gelovigen de kracht om de geboden te volbrengen. Integendeel, duidelijk dient uit te komen, dat deze kracht uitsluitend in Christus ligt en van Hem in ons niet overgaat, dan door het geloof in Hem, als in degene die ons geworden is tot heiligmaking. Hierdoor wint men vertrouwen, en baant door dit vertrouwen zich de weg tot rechtstreekse vermaning. Zo wordt het gebod niet op wettische, maar op evangelische manier gebracht. In de samenhang met de belofte van het nieuwe verbond. De Heere schrijft Zelf de wet in onze harten. Ja, Hij zal maken dat wij overeenkomstig haar wandelen. Door Christus zijn al de geboden der wet evenzovele beloften voor ons geworden. Zo, in dat licht gebracht, wordt de wet liefelijk. De gemeente hoort er van op. In plaats van de kanonschoten der wet in de prediking, wordt ze veel dieper ontdekt. Hier en daar betreurt iemand zijn zonden diep. Ja, de ontdekking door de liefde is veel dieper dan door de donder van de Sinaï.

Vermaning
Door de vermaningen wordt de genade meegedeeld, precies evenzo als de verzoeking het door satan gebruikte middel is om ons tot het kwade te bewegen. Ergert iemand zich na dit alles nog aan ons vermanend optreden, verwijs dan naar de apostolische brieven. Vooral in het vermanend deel willen ze tot het goede steeds aansporen. De Heere onze God wil onze heiligmaking. Wij moeten die ook willen. Natuurlijk moeten wij naar vrede en vreugde staan, vrucht van de uitstorting der liefde van God in onze harten, maar wij zullen deze nooit vinden wanneer wij haar zoeken buiten de weg der gehoorzaamheid, niet aan sommige, maar aan alle geboden Gods. En – vergeet het niet, de evenwichtige prediking der wet onder evangelisch licht gebracht, wekt in de gemeente altijd zonderouw, verslagenheid en droefheid. Dat voert tot Christus. Leert de levensondervinding niet dat de meest bevestigde christenen het diepst treuren over hun onvolkomenheden aan de wet gemeten? Het is juist niet een teken van wasdom, dat men al zo ver in de genade is gekomen. Neen, onze groei blijkt bovenal in twee dingen. Wij worden al ootmoediger door verdieping der zelfkennis én wij verwachten het al oprechter van Gods genade alleen! Wij zoeken en vinden het leven almeer buiten onszelf in Jezus Christus. Dat is liefde en voortgang in het geloof. Dat is opwassen in de kennis en genade van onze Heere Jezus Christus.
Onze oude broeder van hierboven liet ons uit. En op de drempel zei hij: ik word steeds leger in mijzelf. Maar mijn Heere is mijn enige Hoop. Hij zwaaide ons uit. En wees met zijn vinger naar boven en wij zagen duidelijk dat zijn ogen straalden…

A. v. Brummelen, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Gebrek aan liefde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's