De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Morgen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Morgen

6 minuten leestijd

Het zijn de goedertierenheden des Heeren dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben. Zij zijn elke morgen nieuw. Uw trouw is groot.(Klaagl. 3 : 22, 23)

Jeruzalem, de stad Gods, ligt er treurig bij. Tempelstad van onvrede en ellende. Zij is als een weduwe geworden, zij die groot was onder de heidenen, een vorstin onder de landschappen, is schatplichtig geworden (1 : 1).
Wie zou niet wenen? Zelfs de wegen Sions treuren, omdat niemand op het feest komt (1 : 4). De straten en steegjes die ooit betreden werden door de voeten van de feesthoudende menigte liggen stil en verlaten. Jeremia, de profeet des Heeren, kwijnt weg van verdriet. Ziende op Sions gruis weet hij slechts te klagen. Daar zit hij op de puinhopen van de hoofdstedelijke muren. Klaagt hij de Heere aan? Geeft hij Sions Vorst de schuld van deze barre misère. Geenszins! Hij dient geen aanklacht in tegen Sions Koning, maar wel tegen Sions kinderen. Zijn treurende ogen zijn door de Geest verlichte ogen, zodat hij blikken mag, totop de diepe, bittere oorzaak van deze ellende. 'Wij hebben God op 't hoogst misdaan, wij zijn van het heilspoor afgegaan.' Zonneklaar komt de duisternis van Gods volk openbaar, als hij de profetische vinger bij de verrotte wortel legt:
'De ongerechtigheid van de dochter mijns volks is groter dan de zonde van Sodom, dat als in een ogenblik omgekeerd werd, en geen handen hadden arbeid over haar' (4 : 6). Jeruzalem, de heilige stad, onheiliger dan het goddeloze Sodom! Klaagstof te over!
Het volk van Gods verbond, dat zo rijk bedacht en begenadigd is, verkeert in ballingschap. 'Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukt' (5 : 8).
Kom… zullen we maar plaats nemen naast Jeremia? Daar ligt ons christelijk land. Daar zien we onze kerk. Daar ontwaar ik mijn gemeente. Wat een gruis hier, wat een ruïnes daar! Neen, nu niet klagen over de ander, maar met de profeet instemmen: 'Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest!' Staande bij de bouwval van mijn leven, praat ik niet langer over toeval of pech.
Zittend naast de profeet, kan ik, ziende op mijn uiteengeslagen gezin of op mijn gekneusde leven, niet langer over 'noodlot' spreken.
Jeremia, klager bij de gratie Gods, ik stem met u in en ik klaag mezelf aan voor de Rechter van hemel en aarde.
Wie zucht over verval en afval, bedenke overigens het woord van onze ouden: 'Ware droefheid staat verbaasd, valse droefheid roept en raast'. Echt verdriet wordt voor de Heere neergelegd, zonder dat onze stem op de straten gehoord wordt. Wie oren heeft om te horen, die hore!
Dan plotseling temidden van alle sombere, donkere woorden en zinswendingen blinkt ons een strofe in puur gouden woorden vervat, heerlijk toe.
Wie durft Jeremia van naargeestigheid te betichten als hij Gods goedheid, barmhartigheid en trouw bezingt? Lichtende woorden in diepe duisternis! De knecht van God komt tot de ontdekking dat hij nog is die hij is, hij leeft nog, hij mag er nog zijn. Wat anders dan Gods oneindige goedheid kan daarvan de grond zijn? Dat moet bezongen worden. Dit ongehoorde wonder moet gehoord worden! Jeruzalem is vernield, maar ik mag iedere morgen het zonlicht nog zien. De klager wordt lover.
Oneindig zijn Gods barmhartigheden. Een veelvoud van goedheid. Er is begin noch einde te bespeuren. Elke morgen nieuw. ledere ochtend glanzend heerlijk. Uw trouw is groot!
Had u deze lofzegging verwacht, nota bene in een bundel klaagliederen? Verbaast u deze toonzetting in majeur? Neen toch? Immers Wie anders is waard om geprezen en aanbeden te worden dan de Heere, Die trouw houdt en eeuwig leeft?! Elke nieuwe dag is heden van zaligheid. ledere andere morgen is doortrokken van Zijn trouw.
Zitten we nog naast Jeremia of zijn we al opgestaan? Ook dit couplet is uw instemmen waard! Jazeker, wanneer we kerk en gemeente beschouwen met zoveel afval en eigenzinnigheid, is er reden tot klagen. Bedenk en bezie dan ook en gelijktijdig het wonder dat u wekelijks nog mag verkeren onder verkondiging van het Woord, onder de beademing van de Geest. Wat anders kan ik doen, dan met Jeremia meezingen: 'Uw trouw is groot!'
Blikken we rond in onze perverse en ver­ loederde samenleving, dan is er wis en waarachtig reden tot klagen. Echter ziende wat de getrouwe God ons ondanks alles nog gelaten heeft, heffen we de lofzang aan: 'Uw trouw is groot!'
Nemen we de ontelbare zieken, verpauperden en vereenzaamden in ogenschouw en tevens wie en wat wij nog mogen zijn, dan blijft slechts Jeremia's loflied: 'Het zijn de goedertierenheden des Heeren dat wij niet vernield zijn'.
Wat een zorg en trouw betoont de Verbondsgod elke morgen door ons in Zijn Woord en dienst uit te wijzen naar Jezus Christus, Die vernield werd opdat verlorenen zouden leven.
Ooit sprak iemand: 'Wat maakt de Heere het mij toch moeilijk om verloren te gaan'. Een diep en waar woord, immers alles wat mijn deel is boven de dood, is pure gunst, louter goedheid.
Jazeker, dat is snel gezegd, maar zo weinig beleefd. Even hoeft het mij maar tegen te zitten en ik klaag de Heere aan, hoewel Zijn barmhartigheden elke morgen nieuw zijn.
Nochtans zit het geloof op de puinhopen niet bij de pakken neer, want het weet, omdat het gelooft: 'Uw trouw is groot'.
Het ongeloof ziet met argus-ogen slechts de donkere wolken. Het geloof blikt er met 'nochtans-ogen' dwars doorheen tot op Gods milde handen en vriendelijke ogen. Zit u klagend neer bij de brokstukken van uw gesloopte levenshuis, afgebroken door eigen schuld? Jeremia zingt: 'Uw barmhartigheden zijn elke morgen nieuw.' Hoe dat kan? Dat kan slechts vanwege die éne morgen, die dag der dagen. Ziet u die klagende vrouwen daar gaan? Vroeg in de morgen verlaten zij Jeruzalem. Hun nieuwe dag begint met de gang naar het graf. Duizend vragen, duizend doden kwellen hun angstvallig hart. Jezus kwijt, is alles kwijt. Wie zou niet wenen? Maar, Gode zij dank, de morgen van alle morgens is aangebroken. De dag der zaligheid breekt aan.
Klaagvrouwen, betreedt het graf; 'Ziet de plaats waar Hij gelegen heeft!' Hij is hier niet. Hij is opgestaan!'
O wat een morgen! Sion, hier is sieraad voor as.
Onvergetelijke ochtend! Vrouwen, hier is vreugdeolie voor treurigheid.
Heerlijke dageraad! Treurigen, hier is een gewaad des lofs voor een benauwde geest. Al het gruis en de puinhopen ten spijt, zij het ons lied vanwege die zalige morgen: 'Uw barmhartigheden zijn elke morgen nieuw. Groot is Uw trouw!'

Joz. A. de Koeijer, Wilnis

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Morgen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1988

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's