Het heil en de ware kerk
Onlangs vertelde mij een boekhandelaar, dat in Nederland jaarlijks 12.000 boeken verschijnen. Welke boekhandelaar – zo denk je dan – kan dán nog inhoudelijk beoordelen hoe het zit met alles wat verschijnt. Onder die twaalfduizend titels bevindt zich ook een groot assortiment religieuze lectuur. Als we alleen al zien hoe groot het aantal boeken is dat jaarlijks aan ons blad ter bespreking wordt aangeboden vraagt men zich af waar dan de markt wel is voor al die boeken. En dan gaat het nog maar weer om een bepáálde sector. Ook uitgevers als Kok, Boekencentrum, Den Hertog, De Banier, De Vuurbaak, Kool, met daarbij nog een aantal kleinere voorzien Nederland jaarlijks van een stroom van boeken, soms per voorjaarsaanbieding en najaarsaanbieding gebracht.
Er wordt wel gezegd dat het medium televisie vermindering van het lezen tot gevolg heeft. Maar de al maar wassende stroom van boeken doet het tegendeel vermoeden. En wanneer men oplagecijfers van vroeger vergelijkt met die van nu dan kan óók niet direct over vermindering van de leescultuur worden gesproken. Ongetwijfeld is wel het karákter van het boek, in vergelijking met een min of meer ver verleden veranderd. De stevige folianten hebben plaats gemaakt voor de pockets en de paperbacks. Binnen de kortste keren ziet men dan ook allerlei boeken weer voor een luttel bedrag in een opruiming liggen. Men zou kunnen zeggen dat er onder de duizenden boeken, die jaarlijks verschijnen, ook zoiets is als wegwerplectuur, een soort veredelde krant, die men na lezing weer van de hand doet. Enkele weken geleden noemde ik al, naar aanleiding van de kennelijke aftrek van de lectuur die uitgeverij Ten Have op de markt brengt, geconcludeerd werd dat, terwijl de kerk in betekenis afneemt, het religieuze leven buiten de kerken bloeit of weer in opbloei is. De verschijning van het grote aantal boeken op religieus gebied zou er op duiden dat het met het geloof in Nederland nog zo slecht niet is gesteld. Vroeger heette dat kerk-buiten-de-kerk. Nu gaat het dan om 'gelóóf' buiten de kerk. Want ach, de naam kerk op zich al is voor velen uit de tijd.
Geen heil
Van Augustinus is de uitspraak maar ook van Calvijn en anderen dat er buiten de kerk geen zaligheid is. Maar wié ook voor het eerst deze uitdrukking gebruikt moge hebben, onze Nederlandse Geloofs Belijdenis spreekt hierover ook in niet mis te verstane woorden. In artikel 28 wordt immers gezegd, als het gaat om de kerk als heilige vergadering, als verzameling van hen die zalig worden, 'dat buiten haar geen zaligheid is' en dat ieder schuldig is zich bij haar te voegen. En dat het dan maar niet gaat om de kerk als een onzichtbare, spirituele grootheid blijkt wel uit het vervolg, als namelijk gesproken wordt over onderwijzing en tucht, en over de noodzaak voor ieder zich bij haar te voegen, op welke plaats God ze ook gesteld heeft.
Dit alles is uiteraard de reden geweest dat telkens weer als zich afscheidingen voltrokken van de (een) bestaande kerk ook het afgescheiden deel weer als kerk werd bestempeld, tot in het duizendvoudige toe. Ook als er slechts een rest van enkele gezinnen overbleef. Buiten de kerk was immers heen heil! Ik laat nu maar buiten beschouwing al diegenen, die niet over kerk maar slechts over geméénte willen spreken. De heer R. H. Matzken b.v. schreef een boek – het werd ook in ons blad besproken – over gemeentegeschiedenis in plaats van over kergeschiedenis.
Laten we intussen eerlijk zijn. Met artikel 27 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis kunnen we, van welke kerk we ook zijn, ook in onze tijd nog wel aardig uit de voeten.
De kerk als heilige vergadering van ware christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest.
De kerk, die er was van het begin van de wereld, door God bewaard tegen het woeden van de hele wereld in.
De kerk niet aan bepaalde plaatsen gebonden maar over de hele wereld 'verspreid en verstrooid'.
De kerk verenigd in éénzelfde Geest door de kracht van het geloof.
Nogmaals, met deze belijdenis hebben we, ook bij de grote verdeeldheid der kerken, weinig moeite. We proeven erin het element van de kerk van alle tijden en van alle plaatsen, de katholiciteit van de kerk, de kerk dwars door alle kerken en kerkjes, door alle rassen en culturen heen. De kerk van Abraham af tot de wederkomst toe. Zeg maar gerust dat we hier de gedachte van de 'onzichtbare' kerk in terug kunnen vinden. Maar Calvijn zegt, als hij over die onzichtbare kerk spreekt, dat ze ook telkens in de zichtbaarheid treedt. Welnu, dan zijn we bij artikelen 28 en 29 van onze Geloofsbelijdenis.
We moeten eerlijk zeggen dat deze artikelen niet of niet meer functioneren. O jawel, allerlei elementen eruit vinden we in vele kerken terug. Maar het zich voegen bij dé ware kerk is onmogelijk geworden. Tenzij we zeggen: des Heeren tempel is deze. We hebben in de kerkgeschiedenis scheiding op scheiding gezien om het ideaal van de ware kerk weer terug te krijgen. En het lukte een korte of langere tijd om weer iets van de zuiverheid der leer en het leven naar de Schrift terug te krijgen maar het was maar voor een tijd. Bovendien bleek die zuiverheid ook weer vaak subjectief te zijn ingekleurd. Het resultaat is intussen dat de ware kerk niet meer te vinden is. Zelfs niet als we de zinsnede uit artikel 28 'op welke plaats God ze ook gesteld heeft' letterlijk opvatten als plaatselijke gemeente. Want ook dé plaatselijke gemeente bestaat niet meer, althans in verreweg de meeste plaatsen niet meer. Het schrijven van een apostolische brief aan de gemeente die te X is, is niet meer mogelijk. Dat probleem kunnen we ook niet oplossen door een soort pluriformiteitsgedachte: de ware kerk is ter plaatse wel één maar ze openbaart zich in verschillende vormen, in verschillende plaatselijke kerken. De nood wordt dan tot deugd verheven.
Stel dat men in Urk – men begrijpt dat ik slechts een toegespsitst voorbeeld neem uit het verdeelde kerkelijke leven alléén al binnen de gereformeerde sector – zich de vraag moet stellen bij welke kerk men zijn moet als men zich bij de ware kerk wil voegen, die alléén de kentekenen heeft, die haar tot de ware kerk maken. De hele Gereformeerde Gezindte is er present.
Geen heil?
Één en ander betekent dunkt me wel dat we in onze tijd niet al te gemakkelijk kunnen zeggen dat buiten de kerk geen heil, geen zaligheid is. Nogmaals, als we spreken over onzichtbare kerk dan zijn er geen problemen. Maar wel als het gaat om de zichtbare, de geïnstitueerde kerk. Want als we daarover spreken gaat het erom dat we niet kunnen buiten die kerk waar onderwijzing is en tucht, waar ambten zijn en sacramenten, waar de gelovigen samenkomen, waar de dwalingen worden verworpen en de leer van Christus wordt beleden. Laat niemand denken dat ik deze wezenlijke elementen van de institutaire kerk ter discussie wil stellen. Maar ze functioneren niet in één lichaam, dat we de kerk noemen. Daarom ook kunnen mensen vandaag soms de kerk niet meer vinden. Dat moeten we niet onderschatten. Wie heeft nooit eens contact gehad met mensen, die zoekende waren en die voor de vraag kwamen te staan waar ze dan 's zondags heen moesten? Het is dan natuurlijk simpel om naar de eigen kerk of de eigen gemeente te wijzen, waar men zelf zoveel zegening heeft ontvangen. Maar zó eenvoudig ligt het bij die zoekenden niet. Zeker, ook in onze tijd vinden ware zoekers ergens de kerk, zonder dat ze dan het idee hebben dé ware kerk gevonden te hebben. Maar buiten de kerk geen heil is een minder vanzelfsprekende uitspraak dan in de tijd van Augustinus, namelijk die van het Corpus Christianum; of dan in de tijd van Calvijn, toen de kerk der Reformatie zich ontwikkelde; of dan in de tijd van de opstelling van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, toen Nederland een gekerstende en ge-re-formeerde natie was, ook al betekende dat niet een natie van allemaal christenen. Maar vandaag staan de verregaande ontkerstening en de verregaande versplintering van de kerk een krachtig uitspreken van de belijdenis dat er buiten de kerk geen heil is danig in de weg. Ik zou de formulering in onze belijdenis voor geen goud willen missen maar ik zou ook willen dat ze bijbels functioneren kon. Want de kerk is vaak een amechtige zaak geworden.
Weeromstuit
Ik sluit nu van de weeromstuit niet aan bij die 'religiositeit' buiten de kerk van mensen, die altijd al geweten hebben hoe slecht het met de kerk wel gesteld is en ook buiten de kerk wel geloven kunnen. Die de nood der kerk als alibi gebruiken om zelf buiten schot te blijven, om in een onbekeerlijk en daarom onkerkelijk leven voort te leven. En die intussen zeggen heus nog wel in iets te geloven. Zulke mensen komt iedere ouderling en elke predikant op huisbezoek tegen. En ieder ontmoet hen in de eigen werksituatie in soorten. In uiterste gevallen is er dan soms zelfs sprake van een gezindheid om de kerk maar zo spoedig mogelijk als hinderlijke grootheid van het toneel te laten verdwijnen.
Nee, ik bedoel de ware zoekers of diegenen, die écht tot het Evangelie zouden kunnen worden verlokt, wanneer de kerk meer was wat ze moet zijn: één heilige vergadering van ware Christgelovigen, een gemeenschap waarbinnen het heil ten volle gepredikt, beleefd en gevierd wordt.
Echtheid
Wat moet ik mijn joodse vrienden, die tot het geloof in Jezus als Messias kwamen, zeggen als ze vragen: buiten wélke kerk is geen heil? Wat moet ik mensen, die in de verstrooiing leven, voor wie de Schriften dierbaar zijn geworden maar waar het Woord Gods schaars is geworden, antwoorden wanneer ze staan voor de vraag waar ze met hun kinderen heen moeten? Het is vandaag te vrezen, al is het ook te hopen, dat ondanks wat de belijdenis over het heil en de ware de kerk zegt. God ook buiten de kerkelijke instituten zijn kinderen heeft, aangeraakt door Woord en Geest, en hopelijk nog een keer komende tot de gemeenschap met de (een) gemeente.
Teruggeworpen
De belijdenis, dat buiten de kerk geen zaligheid is, slaat vandaag meer terug op de kerk zélf dan dat ze een veroordeling inhoudt van hen, die vandaag de kerk niet kunnen vinden en toch door Woord en Geest zijn aangeraakt. Wat moeten velen met een kerk, die her en der, hier en daar, soms heel dichtbij het wérkelijke heil niet meer verkondigt; waar men dingen hoort, die men zelf in de Bijbel anders is tegengekomen?
Er is – ik noemde het eerder – nogal wat deining ontstaan over de uitspraak van de amsterdamse ds. Nico ter Linden, dat kerst 'wel waar maar niet echt gebeurd is'. Dezer dagen bracht Trouw een furieuze reactie van de (N.B.) joodse geleerde David Plusser, hoogleraar Nieuwe Testament in Jeruzalem, onder de titel 'Nieuwe Testament is waar en echt gebeurd'. Hij zegt: 'Deze gevaarlijke afwijking zal ertoe leiden dat onze kinderen helemaal niets meer geloven'. En aan het slot van zijn verhaal heeft hij de wel heel krasse uitsmijter: 'de gewone gelovige moet met een goed geweten en een open hart en zonder een theoloog in de buurt de teksten lezen. Want weet u: theologen kunnen niet lezen'.
Bij uitspraken als van Nico Ter Linden maakt de kerk het ernaar als het heil niet meer in de kerk gevonden wordt.
Maar intussen, gezien de grote verdeeldheid en gescheurdheid van de kerk maakt de kerk het er óók naar dat mensen het heil niet meer in de kerk kunnen vinden, zeker niet in de ware kerk.
Och, ware de kerk haar eigen belijdenis trouw gebleven. De eenheid zou meer bewaard gebleven zijn. En de belijdenis dat er buiten de kerk geen zaligheid is, zou vandaag beter kunnen functioneren. Deze belijdenis houdt een krachtig appél in aan het adres van de kerk(en) zelf.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's