Middag
En het geschiedde op de middag dat Elia met het spotte…(1 Kon. 18 : 27)
Ze hebben er alle tijd voor genomen, die priesters van de god Baäl. Ze hebben er alle tijd voor gekregen, die slaven van de heidense heer. Elia, de dienaar van de Heere, heeft hen op last van zijn Zender een alleszins redelijk aanbod gedaan; niet gelijk op, maar wel in gelijke omstandigheden zouden zij, met het volk als getuige, aan het licht mogen brengen wie de ware God is. De Heere of Baäl. Van tweeën één!
Al drieënhalf jaar oefent een heidens heerschap een ruïneus bewind uit over het volk dat de Heere toebehoort. Droogte en schaarste alom nu de vruchtbaarheidsgod het voor het zeggen heeft. Wie de natuur met natuurlijke ogen aanziet slaakt de verzuchting of er dan geen wetenschap is bij de Allerhoogste. Wie echter met Elia-ogen dieper mag schouwen, weet dat God nochtans heerst als Opperheer, de oppergod Baäl ten spijt.
Door de Geest geopende monden leren zingen, 'Hij zal ze nimmer om doen komen, in dure tijd en hongersnood'. De Heere zorgt dat de Zijnen genoeg hebben, ook en vooral wanneer hen alles ontbreekt. Wellicht wist ook u waar de beek Krith stroomde en waar Sarfath lag, toen u geestelijk geen bete brood en geen dronk water voor handen had. Wat waren de omstandigheden zwaar, maar wat was het leven met de Heere u goed. Gods raven sloegen geen dag over. Er was gedurig genoeg, ondanks uw chronisch tekort. U kon van harte zingen: 'In de grootste smarten, blijven onze harten in de Heer gerust'. Heerlijk leven van afhankelijkheid, toen u alles bij de handen afbrak. Zalig bedelaarsleven, toen u mocht leven met de holle hand des geloofs. Neen, u kon van uw armoede en honger niet leven, maar des te meer en des te rijker uit de volle hand des Heeren. Elia had het ervaren, omdat hij het had geloofd en omdat God het had geschonken.
Dan nu, na drieënhalf jaar, is de maat van Gods liefdesgeduld vol. Hij zal openbaar de Zijnen recht doen. Hij zal Zijn Naam verheerlijken en Zijn gunstgenoten genade en eer geven. Nu zal op ándere wijze blijken dat de Heere God is. Bleef deze waarheid schijnbaar jarenlang verborgen, nu zal het midden op de dag aan het licht komen. Op de middag zal het blijken. Elk en ieder mag het horen en zien. Als straks de felle, alles verterende zon op het hoogst staat, zal het zonlicht vervagen bij de glans en de heerlijkheid van Israëls God wanneer Hij spreekt door vuur. 'En het geschiedde op de middag…'
Nadat Elia, de beroerder Israëls, lange tijd verborgen bleef en de Heere op bedekte wijze Zijn heerschappij toonde, zal de levende God Zijn tegenstanders beroeren en de Zijnen openlijk recht verschaffen. 't Zal geenszins in een donkere hoek geschieden. Op klaarlichte dag zal Gods waarheid klaar aan het licht komen.
Al een halve dag zijn de afgod-slaven druk in de weer om hun meester tot spreken te bewegen. Echter hij blijft onbewogen en sprakeloos. Hoor ze schreeuwen van de morgen tot de middag. 'O, Baäl antwoord ons!'
Zie ze stampen en springen tegen het altaar. Wat een indringend gehoor! Echter hun smekingen dringen niet tot Baäl door.
Wat een ontroerend tafereel! Om radeloos te worden! 'O Baäl, antwoord ons!
Hoort u de schreeuw van de alleszins godsdienstige en religieuze mens onder een strakke helblauwe, gesloten hemel?
Baäl houdt zich op klaarlichte dag verborgen in het nachtelijk duister van zijn niets-zijn. Ondanks het aangrijpend gekerm van de zijnen, blijkt dat hij waarlijk een god is zonder nut, een ontaarde nietsnut!
Nu is Elia's tijd aangebroken, omdat het Gods tijd is. De dienaar van de levende Heere treedt naar voren en mengt zich tussen de baäls-liturgen zonder zich met hen te vermengen. In de kracht en de mogendheid van zijn God verheft hij zijn stem en spreekt hij een alleszins wonderlijke leerrede uit. 'En het geschiedde op de middag dat Elia met hen spotte…' Een spottende middagpreek. Een spotrede uit de mond van een trouwe Godsgezant. Hoe valt deze spottende toonzetting te verklaren? Immers hoe kan een dienaar des Woords nu spotten? Inderdaad, zo op het eerste gehoor geheel onbegrijpelijk. Wanneer we echter verder lezen, horen we de inhoud van zijn spot. 'Uw Baäl is toch god? Welnu, roep nog harder, wellicht denkt hij erover na hoe hij u helpen kan. 't Kan toch ook, dat hij druk doende is met andere zaken. Mocht dit alles niet zo zijn, dan is hij misschien uithuizig of slaapt hij, vermoeid en belast van zijn zorg en aandacht voor u!?'
Het is geen lange preek, maar in korte, priemende zinnen, op pastorale vraagtoon spiegelt de prediker hen het tegenbeeld voor van de ware levende God van Israël.
U glimlacht meewarig terwijl Elia zijn ontdekkende preek houdt? Dwaze mensen om zo'n god te dienen. Ze konden toch beter weten! Ja, dat zegt u en u hebt gelijk. 't Valt niet te ontkennen. Echter, hoe kunt ú, die een ontmaskerende en alles ontnemende prediking begeert, op een afstand blijven staan? U spreekt de dienaren des Woords er zelfs op aan wanneer hun prediking niet ontdekkend genoeg is? U blijft toch nu bij het horen van deze preek niet van verre staan, wijzend naar die heidense, goddeloze anderen?
Vanuit deze tekst komt Elia's ontdekkende woord op klaarlichte dag tot ons. Welke god dient u? Neen, die godsnaam zonder hoofdletter is geen drukfout, maar pure opzet. Welk godsbeeld hebben wij, 'die beter kunnen weten', ons gevormd? Wat lijk ook ik vaak op deze baäls-priesters! Hoe dikwijls denken ook wij dat we de levende God kunnen bewegen door ons godsdienstig geschreeuw en onze religieuze inspanningen.
Gelovigen wij waarachtig nog dat Gods ogen de ganse aarde doorlopen en dat Hij ook ons ziet? Is er onder ons nog enig besef dat de Herder Israëls slaapt noch sluimert? Zo ja, waarom gedragen wij ons dan zo vaak alsof de Heere slaapt? Hoe hebben ook wij 'het beeld' van de Heere vervormd in een machteloze, zwijgende God. Elia treedt nader en hij spot met mijn godsdienst zonder God, met mijn religie zonder Geest en leven. Leg deze ontdekkende prediking van Elia toch niet naast u neer als ging het u niet aan, maar keer in tot uzelf met de vraag of ook u niet puur heidens denkt en spreekt over de Heere! Wanneer de Geest, Die vaardig werd over Elia, mijn hart open en bloot legt, moet ik belijden – ja juist ik – dat ik zo'n heiden-hart heb. Gezegende ontdekking! Ook onze godsbeelden wil de Heere door middel van Elia's spotrede 'onthullen en ontmaskeren', opdat we gaan zien hoe ijdel, nutteloos en goddeloos ze zijn. We wenden ons tot de Schriften om te horen wie de Heere werkelijk is.
In de Hebreeënbrief lezen we: 'Die tot God komt, moet geloven dat Hij is, en een Beloner is van hen die Hem zoeken'. Geloven wij nog dat de Heere waarachtig leeft. Wat klagen we dan dat Hij niet antwoordt? Jakobus sprak- Gij bidt en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt'. Laat ons onze gebeden eens nagaan. Wat, hoe, waarom en tot wie bidden wij? Geloven we werkelijk wát we bidden en dat de Heere een Waarmaker is van Zijn Woord? Heere leer ons bidden en geloven! Vermeerder ons geloof!
Is Elia's prediking u al te scherp? 't Kan zijn dat zijn spot u al te spottend in de oren klinkt, omdat u uw eigen godsbeelden en mitsdien u zelf wilt handhaven. Door dit vlijmscherpe Woord wil de levende God ons dodelijk treffen, opdat we het leven zullen vinden bij een ander altaar. Het altaar van Elia's God; de vindplek en openbaringsplaats van de Heere. U wordt tot dat altaar genodigd. Het is weliswaar dóór en dóór nat, er is nog geen vonkje vuur te bekennen. Nochtans zal daar, en nergens anders de Heere, door de weg van de onmogelijkheid, tonen dat Hij God is! De baälspriesters zijn verstomd, ook wij zwijgen. Elia bidt. Hoe teer en gevoelig! Liefdevol pleitend richt hij zich tot de wolkenloze hemel; 'Antwoord mij Heere, antwoord mij, opdat dit volk erkenne, dat Gij o Heere die God zijt en dat Gij hun hart achterwaarts gewend hebt'. Staan we er nog bij?
'Toen viel het vuur des Heeren.' Ja, deze God is onze God. De Hoorder der gebeden. Hij laat geen bidder staan. Het zwijgen wordt verbroken en als een ontmaskerde afgodendienaar val ik met het volk op mijn aangezicht en roep vol verwondering uit: 'De Heere is God!'
De Karmelheuvel wordt doorzichtig. Ik ontwaar een ander altaar, een andere hemel; Golgotha. De tweede Elia, Johannes de Doper, wijst op het Lam. De felle middagzon verduistert. Toen viel het vuur des Heeren'. Het Lam wordt getroffen. Verteerd onder de toorngloed van de Heilige Israëls. Ik voor ú, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. Eeuwig wonder! Goddelijk erbarmen! Ik kan mezelf niet meer op de been houden, mijn knieën knikken en met het volk val ik neer en roep in aanbidding uit: 'De Heere is God! De Heere is God!
Joz. A. de Koeijer, Wilnis
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1988
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's